De H. Angelus – kloosterling

1920

Article

 


De H. Angelus

Door P. Dr. Titus Brandsma, Ord. Carm., Oss.[1]


Kloosterling, Missionaris, Martelaar.

Een drievoudige kroon heeft hij zich verworven.

In Palestina, het schoone land der palmen, geboren legde hij reeds vroeg op den Carmel zijn kloostergeloften af.

In de eenzaamheid, eens door het verblijf van den H. Profeet Elizeus geheiligd, leidde hij zijn maagdelijk kloosterleven.

Het was in den tijd, dat de Orde der Broeders van Onze Lieve Vrouw van den Carmel nog slechts in Palestina bestond, op het einde der twaalfde eeuw.

Hoelang hij in die stille eenzaamheid zich uitsluitend wijdde aan het leven van beschouwing, is niet bekend, doch zeker is het, dat hij in het begin der dertiende eeuw geroepen werd aan het beschouwende leven, dat steeds het eerste is in de Orde van Carmel, het werkend leven te verbinden.

Naast de kroon van het maagdenleven moest hij ook de kroon verdienen van het leraarsambt.

Hij verliet den geliefden geboortegrond om in den vreemde te werken aan het heil der zielen.

In het begin der dertiende eeuw zien wij den H. Angelus in Rome en Sicilië.

Te Rome had hij volgens een overoude legende een ontmoeting met den H. Franciscus en den H. Dominicus, die hem zijn aanstaanden marteldood zouden hebben voorspeld. Een oude schilderij in Santa Sabina te Rome herinnert nog aan deze ontmoeting.

Van Rome trok de vurige Apostel naar Sicilië.

Een aanzienlijk persoon leidde hier een schandelijk leven.

Kon hij dezen zelven niet bekeeren, hij slaagde er in, hem het slachtoffer van zijn wellust te ontrukken. Door wraaklust verteerd om de openlijke bestraffing, hem door den onverschrokken Missionaris in zijn rede toegediend, viel de wellusteling den heilige, zoodra hij zijn bestraffende woorden had gesproken, aan met het zwaard in de vuist en verwondde hem doodelijk. Uit vijf diepe wonden bloedend werd hij opgenomen.

Aan de kroon der maagdelijkheid en van het leeraarsambt was die der Martelaren toegevoegd. Volgens de legende was zijn laatste bede een gebed voor zijn moordenaar.

Men stelt zijn dood op den 5 Mei van het jaar 1226.


  1. Published in: Carmelrozen, Vol. IX, May 1920, p. 19.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020