De vereering der H Maagd in de Catacomben

1912

Article

 

De vereering der H. Maagd in de Catacomben

1912[1]

De vereering van Maria is zoo oud als de Kerk, men zou kunnen zeggen, zoo oud als de mensch. Is zij niet de Vrouw, tusschen wie en den duivel God vijandschap stelde reeds bij de eerste zonde der menschen, de Vrouw, die door de Vrucht van haren schoot den kop der helsche slang verplette. Reeds in het Paradijs zag men met eerbied op naar de Maagd, die een Zoon zou baren, wiens naam zou wezen Emmanuel d.i. God met ons. Hoe veel te meer moest men haar niet vereeren, toen haar dagen vervuld waren en zij den Verlosser ter wereld had gebracht.

Het zou ons te ver voeren, uit de eerste tijden der Kerk alles bijeen te brengen, wat Maria’s vereering in dien tijd bewijst. Wij willen ons in dit artikel tevreden stellen met een ommegang door de Catacomben om enkele der voornaamste uitingen te beschouwen, welke de godsvrucht tot Maria er heeft gevonden.

Wien men bemint, verlangt men te zien. En kan men zijn gelaat niet aanschouwen oog tot oog, dan schept men zich een beeld, dat het beminde gelaat voorstelt. Zoo zien wij ook in de Catacomben, dat de eerste Christenen het beeld van Onze Lieve Vrouw in eere hielden. Zou men alle Oud-Christelijke Maria-voorstellingen willen opsommen, dan kwam men wel tot 150, welke nu nog bewaard zijn. Liell behandelt in zijn boek over de afbeeldingen van Maria in de Catacomben alleen 96 uit deze geheimzinnige heiligdommen. Het mogen niet alle uitingen zijn van voorname kunst, zij zijn kostbaar als bewijzen van kinderlijke godsvrucht. Men moet overigens haar kunstwaarde niet onderschatten en vooral onder de Maria-voorstellingen vinden wij er, welke getuigen van diepgevoelde en goed weergegeven indrukken.

Wat de Catacomben zijn? Het behoeft nauwelijks vermelding. Wie kent ze niet, de begraafplaatsen der eerste Christenen, aangelegd in den vorm van gangen, uitgehouwen in den zachten steen buiten de muren van het oude Rome, begraafplaatsen, welke, daar zij wettelijk onschendbaar waren, tijdens vele vervolgingen een toevlucht boden, waar de Christenen de heilige Geheimen alleen veilig vieren en de leerredenen der priesters hooren konden.

De Catacomben vormen niet een [128] geheel. Zij zijn aangelegd op verschillende plaatsen rondom de stad. Men heeft de Catacomben van den H. Callistus, Catacomben van den H. Priscilla, die van de H. Domitilla enz. Alle komen echter in bestemming en oorsprong overeen en worden, hoewel op grooten afstand van elkaar gelegen, samengenomen onder den algemeenen naam van Romeinsche Catacomben. Wie ze niet te Rome kan bezoeken, kan er zich een juist denkbeeld van vormen te Valkenburg, waar in de laatste jaren de heer Jan Diepen een grootsch plan verwezenlijkte en Catacomben heeft aangelegd, welke uitgehouwen in den zandsteen een zoo getrouw mogelijke voorstelling der Romeinsche Catacomben geven.

Een half uur buiten de poort van Rome aan den Salarischen weg ligt de oudste Catacombe, die van de H. Priscilla, reeds aangelegd tijdens het leven van den H. Petrus, die er volgens Marucchi zou hebben gedoopt en gepredikt. Zij bestaat als bijna alle andere uit verschillende gangen, welke, hier en daar wijder, op sommige plaatsen betrekkelijk groote ruimte bieden en kamers of kapellen vormen. De voornaamste dezer kamers, ook in de Valkenburgsche Catacomben uitgehouwen en als te Rome beschilderd, is de zoogenaamde Grieksche kapel, welke met een daaraan grenzende ruimte meer dan 200 personen kan bevatten en ongetwijfeld heeft gediend om er de heilige Geheimen te vieren. Haar ruimte is langs alle wanden rijk beschilderd met allerlei symbolische voorstellingen. Op den rondboog, welke van de groote vierkante ruimte toegang geeft tot de kapel en de geheele kamer het aanzien geeft van een kerk met schip en priesterkoor, vinden wij een wel wat gehavende doch, vooral na de reiniging ervan door Mgr. Wilpert, goed kenbare voorstelling van Maria, zittend met het kindje Jezus op haar schoot, terwijl de drie Koningen haar met hun geschenken naderen. Dit is wel de oudste voorstelling, welke wij van het feest van Driekoningen bezitten, en mede een der oudste van Maria, door sommigen zelfs de oudste genoemd. Het is uit alles duidelijk, zelfs Protestanten als Victor Schultze geven dit toe, dat zij uit niet lateren tijd dagteekent dan de eerste helft der tweede eeuw.

In een gewelf van het eerst aangelegde gedeelte dezer Catacomben vindt men nog een andere afbeelding uit ongeveer dienzelfden tijd, door sommigen vóór, door anderen na de vorige gesteld, doch thans vrij algemeen gehouden voor de oudste voorstelling van Maria in de Catacomben. Marucchi plaatst haar in de eerste jaren der tweede eeuw. De schildering maakt deel uit van de versiering van een graf. De H. Maagd zit daar met het Goddelijk Kind aan hare borst, terwijl een baardeloos man met de eene hand wijst op de Moeder en haar Kind, met de andere op een schitterende ster boven hen geplaatst. De meeste uitleggers zien in den man den profeet Isaias, als verklaarde deze, dat het Licht der wereld in het kind der Maagd gekomen is. (Isaias, 9, 2.)

In de Valkenburgsche Catacomben [129] heeft men natuurlijk aan deze alleroudste voorstelling van Maria een eereplaats ingeruimd.

Vervolgens vinden wij in de Catacomben van de H. Priscilla een voorstelling van de Boodschap des Engels aan Maria. De drie voorstellingen, welke in den loop der eeuwen het geliefkoosde onderwerp der Christen schilders uitmaakten, treffen we dus reeds in deze oude begraafplaats aan. Nog andere voorstellingen echter verhalen en spreken ons van de Moeder des Heeren. In de kapel der Inkleeding zien wij bij de afbeelding eener biddende maagd, gewoonlijk Orante genoemd, te rechterzijde de H. Moeder Gods met het Kindje Jezus aan haar borst, te linker de inkleeding eener aan God toegewijde maagd door een Bisschop, die met de ééne hand den sluier overreikend met de andere wijst op Maria, het toonbeeld der maagdelijkheid, de Koningin der Maagden. Ook deze voorstelling heeft een plaats gevonden in de Catacomben van Valkenburg.

Treden wij de andere Catacomben binnen, dan vinden wij ook daar het bewijs, hoezeer Maria leefde in de vereering der eerste Christenen. In die van de H. Domitilla, ook reeds in de eerste eeuw aangelegd en gelegen aan de Ardeatijnschen weg, de grootste van alle Catacomben van Rome, vinden wij allereerst de voorstelling van het Driekoningenfeest terug. Te Valkenburg heeft men ook deze voorstelling overgenomen. Maria draagt daar het goddelijk Kindje in haar schoot, terwijl de koningen, opmerkelijker wijze ten getale van vier, geschenken aandragen. Deze afbeelding stelt men gewoonlijk in de derde eeuw, dus later dan de vorige.

Uit dienzelfden tijd dagteekent een afbeelding in de schoonste van alle Romeinsche Catacomben, die van den H. Callistus aan den Appischen weg. Wij zien er Maria met haren Jezus op haar knieën, terwijl de drie Koningen komen om hun hulde te bewijzen aan den jonggeboren Koning der Joden. Telkens komt, zooals men ziet, deze voorstelling terug. De voorstellingen van de Geboorte zijn bijna altijd vereenigd met die van de komst der volken tot de kribbe des Verlossers. Ook op de grafzerken uit de vierde en vijfde eeuw, bewaard in het Vaticaan of in de Catacomben zelve, ziet men herhaaldelijk deze voorstellingen vereenigd en met voorliefde de glorievolle Openbaring des Heeren afgebeeld. ’t Is, of men terstond met de groote vernedering van den menschgeworden God een tegenstelling wil zoeken in zijn verheerlijking en aanbidding door de Wijzen en zijn Openbaring aan de volken als de Ster uit Jacob.

Aan de Via Labicana dicht bij het grafmonument der H. Helena hebben wij toegang tot de Catacomben, welke den naam dragen van de H.H. Petrus en Marcellinus.

Behalve de oudste beeltenis van den H. Petrus is deze Catacombe merkwaardig door een, ook in de Valkenburgsche Catacomben aangebrachte, Madonnacrypte, met een schoone voorstelling der H. Maagd, dagteekenend uit de vierde eeuw. Het is weer een aanbidding der Wijzen, welke hier slechts ten getale van [130] twee optreden. Het getal vier en twee, dat men in sommige oude voorstellingen der Driekoningen ziet, wordt door gezaghebbende schrijvers verklaard door de veronderstelling, dat men ter versiering op de eerste plaats een mooie gelijkvormige voorstelling van de Openbaring des Heeren wilde geven, en het getal der Wijzen daarbij van zeer ondergeschikt belang achtte. In de genoemde schildering zit Maria in het midden, het hoofd niet als op de meeste andere afbeeldingen gesluierd, doch met vrij loshangende haren, ter aanduiding, zoo meent Marucchi, dat zij de Ongeschonden Moeder is, die haar hoofd niet, als de andere gehuwde vrouwen, behoefde te omsluieren.

Een zeer merkwaardige voorstelling van Maria, waarvan wij een afbeelding in dit artikel opnemen, treffen wij nog aan in het Coemeterium Ostrianum of Groote Kerkhof, een Catacombe aan den Nomentaanschen weg, dichtbij de oude kerk van de H. Agnes. Ook in de Catacomben van Valkenburg heeft deze voorstelling een plaats gevonden. Enkelen hebben daarin een Moeder willen zien met haar kind boven het graf, waarin men hen samen neerlegde. Met recht evenwel zijn de eigenlijke kenners der Catacomben als P. Marchi, J.B. de Rossi, Marucchi enz. tegen die uitlegging in verzet gekomen. Onbetwistbaar achten zij het een der schoonste voorstellingen van Maria een voorstelling, welke een bijzonder kenmerk draagt en niet alleen op verschillende der vergulde bekers en fleschjes wordt teruggevonden, maar één der eerste verschijningen is van een bepaalde soort van Moedergodsbeelden, welke wij in de vierde, vijfde, zesde en zevende [131] eeuw in het Oosten zoowel als in het Westen herhaaldelijk aantreffen en na dien tijd tot op den dag van heden terugvinden in de Madonna’s der Grieksche en Russische kerk. Maria is er afgebeeld als een biddende Maagd, de handen ten hemel geheven. Het goddelijk Kind is voor haar borst geplaatst, als stond het op haar schoot. Moeder en Kind zien recht voor zich uit den toeschouwer aan. Het geheel is slechts een borstbeeld. Vlak daaronder in den muur bevindt zich de grafopening. Daarover is een breede halve boog geschilderd, waarin de voorstelling haar plaats vindt. In de beide ledige vakken onder den boog naast de voorstelling van Maria lezen wij het Grieksche naamcijfer van Christus, aan de eene zijde om de gelijkvormigheid in spiegelschrift.

Wij zien hier dus Maria voorgesteld als een biddende Maagd, of, zooals men deze noemt, als een Orante. Dit is niet de eenige voorstelling van dien aard. Niet slechts op de muren, ook op de fleschjes en bekers uit de Catacomben ziet men een met ten Hemel geheven handen biddende maagd door toevoeging van de woorden Mara en Maria aangeduid als de Moeder des Heeren. Op enkele hiervan staat ter weerszijde van Maria een boom en rust op elk harer schouders een duif. Op een andere staat Maria tusschen de twee Apostelen Petrus en Paulus.

Men vindt in de Catacomben ruim driehonderd van zulke met opgeheven handen biddende figuren van mannen zoowel als van vrouwen. Van de helft kan met zekerheid worden aangegeven, wie in den persoon der biddende is aangeduid. Wij zien er uit het Oude Verbond Noë, Abraham, Isaäc, de jongelingen in den vuuroven, vooral Daniël, verder Jonas en Susanna. Allen bidden om redding uit hun gevaren of danken voor hun behoud. Uit het Nieuwe Verbond vinden wij de H.H. Petrus en Paulus, Zacharias, de Wijzen uit het Oosten, eenmaal de H. Caecilia, terwijl met zekerheid twintig als voorstellingen van Maria zijn te beschouwen. Van een menigte andere, welke boven een graf zijn geschilderd of op een grafsteen zijn aangebracht, kan men met grond aannemen, dat zij ofwel het beeld der overledenen zijn of eenvoudig hun ziel beduiden, welke het gebed der Christenen vraagt of – en dit is het meest algemeen – een dankgebed opzendt tot God, die haar het hemelsch geluk deelachtig maakte. Er blijven echter nog vele over, welke in geen bepaalde betrekking staan tot een of ander graf of reeds werden aangebracht voor ter plaatse iemand werd bijgezet. Men ziet ze nu eens tusschen een bijbelsch tafereel, heel dikwijls als tegenstuk van den Goeden Herder, eindelijk veelvuldig als een losse versiering. Men zou ze kunnen noemen de verpersoonlijking des gebeds en het mag ons dus niet verwonderen, dat men in die Oranten in het algemeen het beeld heeft gezien der biddende Kerk. Let men op de vele vergelijkingen, welke de H.H. Vaders maken tusschen de Kerk en Maria, dan is het te verklaren, dat men niet alleen zoo dikwijls Maria vindt onder de beeltenis eener Orante, maar ook velen, [132] vooral door de plaatsing tegenover den Goeden Herder, ertoe gebracht zijn, in die Oranten het beeld te zien der H. Moeder Gods, die, in dankbare bewondering van Gods goedheid, haar ‘Magnificat’ zingend, de bede opzendt tot haren Zoon, dat Hij als een Goede Herder allen leide naar den eenig veiligen schaapstal. Die biddende Vrouw is voor ons en was voor de eerste Christenen het beeld van Maria, de Smeekende Almacht, de Deur des Hemels, de Gezondheid der Zieken, de Toevlucht der Zondaren, de Troosteres der Bedroefden, de Hulp der Christenen, onze Moeder.

P. Dr. Titus Brandsma ord. Carm.

Oss.


  1. Published in: Carmelrozen, Vol. I, November 1912, p. 127-132.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2018