Drie Groote Mystieken

1919

Article

Drie Groote Mystieken

[1]

Ontkennen, dat er in onze dagen een strooming naar mystiek bestaat, zou in strijd zijn met duidelijk waarneembare feiten, maar onbezorgd die strooming gadeslaan en zich gerust achten over haar richting zou een miskenning wezen van de geschiedenis der mystiek.

Waar gaan wij heen met de mystiek der twintigste eeuw?

Men moge het pater Arintero, S.J. toegeven, dat de mystiek een terrein is, waarop allen toegang kunnen vinden, die langs de donkere paden der onthechting omhoog klimmen naar den top van den berg der overweging, een terrein, niet uitsluitend toegankelijk voor enkele uitverkoren zielen, dit is toch slechts in zooverre waar, als God zijn genaden niet onthoudt aan wie Hem ijverig en vol liefde zoeken en doen wat zij vermogen. Het mystieke verkeer met God blijft steeds een bijzondere genade, waarvoor wij ons wel in de vereischste gesteltenis kunnen brengen, maar welke niet noodzakelijk op die vereischte gesteltenis volgt, al mogen wij van God altijd grooter edelmoedigheid verwachten, dan wij zelve Hem betoonen.

Er is hier zeer veel misverstand.

Velen doen aan mystiek, alsof dit iets was, waarop zich de liefhebberij nu eens richt om ze straks weer plaats te laten maken voor een andere ‘stemming’.

Het allereerste ontbreekt en toch acht men zich ‘mystiek gestemd’, voelt men zich tot mystiek getrokken.

Het heilige, hoe wordt het onteerd!

Het allereerste, de ootmoed, is geheel afwezig. En het tweede noodige, de liefde is nog zelfzucht.

Het is wel een schande voor de ontwikkelde twintigste eeuw, dat men zich nog steeds niet heeft kunnen ontworstelen aan de oude, telkens weer bekorende gedachte, dat de mensch zich Gode waardig en gelijk vermag te maken en, strevend naar gelijkvormigheid met zijn gedroomden God, in zalige rust wil wegzinken.

Het is treurig, hoe men die teere bloem van vereeniging met God afscheurt van wortel en stengel en zoo tenslotte gedwongen is, de bloem zelve in te knijpen en te kreuken om eenig houvast er aan te hebben. De wortel is de ootmoed, de liefde is de stengel. Al gloeit ook nog een sprankje van het ware liefdevuur in het hart, als de ootmoed ontbreekt, blijft de vereeniging toch een afgesneden bloem. De stengel zal spoedig sporen van bederf vertoonen en de bloem, een korte wijle nog schoon en heerlijk, is voorbestemd te verkwijnen. Slechts met alle kunstmiddelen kan zij een korten tijd in schijnbaar fleurigen staat worden bewaard.

Het zou mij niet voegen, over de velen, die aan mystiek doen, in het bijzonder een oordeel uit te spreken. Late men zichzelven onderzoeken. Veroordeelen wil ik niemand, maar duidelijk zal het een ieder zijn, hoe niet geheel ten overvloede op den waren grondslag der zoo geliefde mystiek mag worden gewezen, wil niet voor mystiek worden aangezien, wat er niets van heeft, dan – ongelukkig genoeg nog – den naam.

Veel hangt hier af van de leiding.

Daarom is het zulk een verheugend verschijnsel, dat de werken der grootste en meest invloedrijke mystieken in wijden kring verspreiding vinden.

Met geen ander doel dan om leiding te geven aan de mystieke strooming dezer tijden ondernam de heer Paul Brand met ons de uitgave der werken van de Mater Spiritualium en den Doctor Mysticus, de H. Teresia en den H. Joannes van het Kruis, en het is een voldoening te mogen zeggen, dat deze uitgave boven verwachting wordt gekocht. De onderneming zal derhalve haar invloed niet missen. Met geen ander doel begon eens Dr. Moller zijn Ruusbroec-uitgave, jammer genoeg, tot heden en wie weet voor hoelang beperkt tot het eerste van vijf deelen. Er zou nog te wijzen zijn op het leven van de H. Birgitta van Zweden en zooveel andere boeken te veel om op te noemen. Bijzondere vermelding verdient hier echter de serie ‘Mystiek en Ascese’, waarin het eerste vooral van pater Dr. Raaymakers S.J., heerlijke bloemen aanbiedt uit het mystieke leven van de Z. Angela van Foligno en de aankondiging van werken van tal van groote mannen en vrouwen een vervolg waarborgt, dat zeker in inhoud bij het eerste niet achterstaat.

Het kan niemand verwonderen, dat het mij verheugt, dat onder de velen, wier werken thans geacht worden te voldoen aan den smaak van het volk zoowel als van degenen, die geroepen zijn het volk te leiden, de drie groote mystieken van de Orde van Onze Lieve Vrouw van Carmel zulk een voorname plaats innemen. Zoo gaarne verbindt met als climax in liefdeuiting de woorden van de H. Teresia: “Of sterven of lijden” naast die van de H. Maria Magdalena de Pazzi: “Niet sterven, maar lijden” met die andere van den H. Joannes van het Kruis: “Lijden en veracht worden ter wille van U.”[2] Deze trits verdient in dezen tijd wel bijzondere aanbeveling, of neen, wat spreek ik van aanbeveling, zij behoeven die niet, het is voldoende op hun werken de aandacht te vestigen van hen, aan wier aandacht zij anders wellicht ontsnappen.

Dit moge hier met een kort woord geschieden. Op de eerste plaats noemde ik de H. Teresia. Verleden jaar verscheen van mijn hand het eerste deel harer werken, Het boek van haar Leven, tot mijn werkelijk niet geringe vreugde zeer welwillend ontvangen. Thans is het tweede deel verschenen, Het boek der Kloosterstichtingen in vertaling van den Prior van het klooster te Boxmeer, P. Dr. Athanasius van Rijswijck. Eindigde het Boek van haar Leven met de stichting van het eerste klooster volgens den oorspronkelijken Regel, in het Boek der Kloosterstichtingen verhaalt de Heilige de gebeurtenissen van de nog volgende vijftien jaren van haar leven, waarin de Hervorming van de Orde van Carmel haar levenstaak was, maar waarin ook met het toenemen van haar werkzaam leven de verinniging van haar inwendig leven met God gelijken tred hield. Wij mogen zeggen, dat haar werk volmaakter werd, naarmate onder de gunsten van den Heer haar liefde inniger werd en vuriger. Men zal mij misschien opmerken, dat het Boek der Kloosterstichtingen niet valt onder de mystieke literatuur, doch men gronde zich hierbij niet op den titel. Zeker, het is het verhaal van de stichtingen der Heilige, maar daarin heeft men nu een mystiek begenadigde in haar practisch leven. Meen niet, dat men haar daarin niet herkent, dat zij daar is de vrouw van zaken volgens het oog der wereld, koel en verstandig berekenend, welke kansen hare stichtingen loopen. Het lijkt er niet naar. Voor de wereld is daar een vrouw aan het werk, die doet, alsof zij krankzinnig is, die van alle inkomsten afziet, soms zelfs, terwijl men meenen moet, dat zij ze heeft, zoodat zij niet eens kan bedelen. Waarom? Jezus, met wien zij leeft die haar leidt en bestuurt en onverwachts de schijnbaar onredelijkste eischen stelt, hij de Bruidegom, wien zij haar hart verpand, haar wil geofferd heeft, Hij is er beter door gediend, Hij wil het en Hij zal wel zorgen, dat alles terecht komt. Zoo ergens, dan leert men in dit boek leven met en voor God, ziet men, dat het leven in de hooge sferen der mystiek allerminst uitsluit een heldhaftig leven voor God in de dingen van het dagelijksche leven, ja, dat dit hooge, ideale leven geheel onbestaanbaar is zonder die ootmoedige onderwerping, telkens opnieuw in beoefening gebracht uit liefde tot den Beminde. Hier ziet men door de schijn-mystieken liever niet gevolgden weg van geen vertrouwen in zichzelven, onbeperkt vertrouwen op God.

De twee eerste deelen en in het bijzonder dit tweede mogen onder dit opzicht een passende inleiding worden genoemd tot het ter perse gelegde derde deel, waarin de hoofdwerken der Heilige op het gebied der Mystiek De weg der Volmaaktheid en Het Kasteel der Ziel worden opgenomen. Reeds spoedig zal men dit derde deel, ook vertaald door Dr. Athanasius van Rijswijck, mogen verwachten. In den loop des jaars zal ook nog het vierde deel verschijnen, het eerste der Brieven, vertaald door Dr. Hubertus Driessen. Beide zijn ter perse. Zoo nadert dit werk geleidelijk zijn voltooiing.

Naast deze uitgave in grooten stijl vestigen wij de aandacht op een niet minder welkom boekje, dat in de serie ‘Mystiek en Ascese’ P. Justinus Meulendijks aan de H. Teresia heeft gewijd.[3] Ook dit boekje heeft thans de pers verlaten. Het geeft in een honderdvijftig bladzijden hetgeen de leidende gedachte is geweest van de H. Teresia bij het schrijven harer mystieke werken. Wij vinden er de twee heerlijke allegorieën, waaronder zij het mystieke leven uitbeeldt, in korte uittreksels voldoende uitgewerkt om er de verhevenheid en de treffende duidelijkheid van te begrijpen en daardoor eenigzins een beeld te vormen van hetgeen in dit geheimzinnig verkeer der ziel met God en van God met de ziel geschiedt: den tuin en de wijzen, waarop hij van water wordt voorzien, geschetst in het Boek van haar Leven, en het Kasteel met zijn zeven verblijven, geschilderd in het Kasteel der Ziel. Dan is er nog een kleine plaats ingeruimd aan een hoofdstuk, waaraan blijkens zoovele uitlatingen in hare werken de groote Heilige bijzondere waarde hechtte bij het beoefenen van het inwendig gebed, de voorstelling van de Menschheid des Verlossers, die juist mensch geworden is om onze bemiddelaar te wezen en in zijn menschelijke natuur geen beletsel wezen kan voor onze nadering tot God. De voorstelling van de H. Menschheid van Christus voorkomt, dat de mystiek begenadigde ziel in leege droomerijen afdwaalt naar gevaarlijk terrein. Eenige verspreide mededeelingen en lessen omranden de drie genoemde bedden van dit tuintje en maken het tot een keurigen voorhof, welke weliswaar noodt, ook den grooten tuin in te gaan, maar ook op zichzelf reeds bekoorlijks genoeg heeft om er een tijdlang in te verwijlen. Vooral voor hen, voor wie het lezen der groote uitgave te veel tijd en kosten vragen zou, biedt deze kleine bloemlezing een kostbaar bundeltje bloemen, dat zij niet moeten nalaten in de handen te nemen om zich door haar geuren te verkwikken.

In een tweede artikel nog een enkel woord over de werken van de twee andere groote mystieken van de Orde van Carmel, de H. Maria Magdalena de Pazzi en den H. Joannes van het Kruis.

Oss.

Dr. Titus Brandsma, O.Carm.

Drie Groote Mystieken

II.

[4]

 

Noemde ik in mijn vorig artikel op de eerste plaats de H. Teresia, onder de vele mystieken, die de orde van Carmel aan de kerk schonk, komen na haar, die zeker de eerste plaats inneemt, op de tweede de H. Maria Magdalena de Pazzi en de H. Joannes van het Kruis.

Was de H. Teresia hier in Nederland steeds, wat men noemt, populair, minder was dit het geval met de twee andere genoemde Heiligen, wier werken en wier leven hier veel minder bekend zijn. Temeer verheugt het mij, dat thans ook dezer leven en werken in Nederland verschijnen en zelfs tegelijkertijd in zeer verschillende uitgaven.

De H. Maria Magdalena de Pazzi, in Florence “de Heilige”, gelijk Sint Antonius te Padua, te Bologne de H. Catharina, heeft niet, als de H. Teresia, zelve haar leven te boek gesteld. Zelfs haar werken werden, hoe vreemd dit klinken moge, niet door haar zelve geschreven. Het zijn niet anders dan de aanteekeningen door hare medezusters gemaakt van hetgeen zij in haar extatischen toestand sprak en mededeelde.

Wij vinden dus bij haar niet het aanlokkelijke, dat bij de H. Teresia de eigen levensbeschrijving en de eigen werken hebben, maar daar staat tegenover, dat misschien van geen Heilige als van de H. Maria Magdalena de Pazzi, zoo de ‘Excessen’, als ik het zoo noemen mag, van het mystieke leven werden te boek gesteld. Zeide de H. Teresia niet met een H. Franciscus van Assisië: mijn geheim is het mijne of m.a.w. mijn mystiek leven kan ik u niet verklaren. Geeft zij niet uitdrukkelijk te kennen dat het als een zeer bijzondere gave moet worden aangemerkt, het eigen mystieke leven kenbaar te maken. Haarzelve werd die gave in hooge mate geschonken en het bevel van haar biechtvaders deed ons de vruchten van die gave plukken. Men behoeft slechts te bladeren in haar Kasteel der Ziel om hiervan het duidelijkst bewijs te zien. Maar men heeft daar toch steeds de door het verstand geleide en geordende mededeeling, waarin om het verband en uit bescheidenheid veel wordt weggelaten, dat onze bewondering wekken zou. Ook de H. Maria Magdalena zou, had zij zelve moeten beschrijven, hetgeen zij in haar mystieke verrukkingen ondervond, niet in staat zijn geweest; alles op te schrijven. Haar ootmoed had het haar onmogelijk gemaakt, zoo zij er overigens de woorden voor had kunnen vinden. Eens toen Zr. Pacifica haar voorlas, wat zij tijdens een verrukking had gezegd, verscheurde zij het geheele verslag, omdat het dingen bevatte, welke haar tot lof zouden strekken. Haar overste en haar biechtvader zorgden, dat de gehoorzaamheid haar dit in het vervolg belette. Zoo heeft men in het leven en in de werken der H. Maria Magdalena de meest getrouwe weergave te zien van het leven eener ziel, die tot de hoogste sferen van het mystieke leven heeft mogen opstijgen. Verklaarde zij later zelve, nooit te hebben kunnen schrijven, wat men haar als het verslag harer verrukkingen voorlas, zij erkende er niettemin de juistheid van. Daardoor hebben deze werken een zeer bijzondere waarde. De omstandigheden, waaronder haar geschriften tot stand kwamen zijn zoo niet geheel, dan toch onder vele opzichten eenig. Ik wil niet verhelen, dat vooral sommige gedeelten harer geschriften zoo hoog gaan, dat ook de meest ervaren godgeleerden haar moeilijk volgen op dien verheven weg. De verhevenheid doet ons werkelijk somtijds duizelen. Des te bekoorlijker verschijnt dan echter het beeld van den Beminde. Het menschelijk hart behoeft niet alles te begrijpen en de erkenning van zijn onmacht doet hem zich des te eerder werpen in de handen van Hem, in wien wij alles vermogen en door wiens genade een weinig ontwikkelde kloosterzuster beter in staat blijkt over de grootste geheimen te spreken dan de meest ervaren godgeleerde na een leven van studie. Het leven van de H. Maria Magdalena is beschreven door P. Cepari S.J., haar biechtvader. Daar is men iets meer met de werkelijkheid verbonden. Wij zouden daarom dit leven willen beschouwd zien als de meest geschikte inleiding tot hare geschriften en wij verheugen er ons over, dat, nu straks ‘Mystiek en Ascese’ een bloemlezing geeft uit hare werken, deze inleiding reeds het licht zag bij de R.K. Boekcentrale. Deze gaf dit leven bewerkt door P. Basilius van Kesteren, O.Carm., in feestgewaad uit, op mooi papier, gedrukt met een fraai lettertype, in smaakvollen omslag en band, in één woord, keurig. Het boek verdiende het. Wie dit werkelijk verheffende, ook door de Bollandisten in hun Acta Sanctorum opgenomen leven leest, moet in de geschikte stemming geraken, om haar ook te hooren, ontvankelijk worden voor den invloed, welke van het lezen harer mystieke werken uitgaat. Men zal het na het lezen van dit leven betreuren, dat geen Nederlandsche vertaling harer werken de geheimzinnige taal weergeeft, waarin zij spreekt tot en over haar Beminde. De serie ‘Mystiek en Ascese’ belooft, die behoefte te bevredigen en in een werkje, samengesteld door Dr. H. Driessen O.Carm., uit de geschriften een keurlezing aan te bieden, waarin wel juist is opgenomen, wat ons terugplaatst in de sfeer, waarin de Heilige leefde. Pater Bas van Kesteren en Dr. H. Driessen hebben hiermede een Heilige binnengeleid in onze Nederlandsche mystieke en ascetische literatuur, wier leven en werken, in de eerste helft der zeventiende eeuw in het Nederlandsch uitgegeven en herdrukt, sinds onbegrijpelijkerwijze bijna in vergetelheid geraakten, hier te lande dan ook zelden worden aangehaald en toch een eereplaats verdienen in elke ascetische en mystieke bibliotheek.

De derde in de reeks der groote mystieken van den Carmel is de man, die den eerenaam van ‘Mystieke Leeraar’ draagt, de H. Joannes van het Kruis, van wien de H. Teresia zeide, dat hij een der reinste en heiligste zielen was die in Gods kerk geleefd hebben en wien Onze Lieve Heer onmetelijke schatten van licht en hemelsche wijsheid heeft geschonken.” In zijn groote serie ‘Werken van Mystieken’ heeft Paul Brand tegelijk met de werken der H. Teresia ook die van haar trouwen medehelper aangekondigd. Dezelfde schrijvers, die de werken der H. Teresia bezorgen, zouden ook die van den H. Joannes van het Kruis in het Nederlandsch overbrengen. De oorlogsafsluiting welke België isoleerde, maakte, dat die plannen niet doordrongen tot het land der Vlamingen, waar in stilte een zoon der H. Teresia, de Ongeschoeide Carmeliet, P. Henricus a S. Familia reeds de werken van zijn geestelijken vader in het Nederlandsch vertaalde. Het trof, mogen wij zeggen, dat opzet, indeeling en formaat die vertaling geheel deden passen in het kader der door Paul Brand ontworpen uitgave en toelieten, dat ze onder denzelfden mooien band van Jan Louwerse in de serie ‘Werken van Mystieken’ werden opgenomen. Tot deze oplossing werd besloten en zoodra het vervoer der boeken door de Belgische regeering zal worden toegelaten, zal Paul Brand als alleenverkooper voor Nederland reeds de twee eerste deelen dezer werken aan de minnaars der mystiek in Nederland kunnen aanbieden. Het eerste deel bevat het grootste werk des Heiligen De Bestijging van den Carmel, waarin hij de ziel den berg der volmaaktheid opvoert om ze te doen opstijgen tot de aanschouwing en genieting van den Beminde. Het tweede deel bevat drie kleinere, maar toch zeer voorname werken De Donkere Nacht, De Levende Liefdevlam en De Geestelijke Liefdezang, waarin […] eerste gedachte gedeeltelijk opnieuw en korter wordt uitgewerkt, doch tevens verder wordt doorgevoerd en de Heilige tot de genieting op den top des bergs opklimt. Het derde en laatste deel, dat de andere verspreide geschriften en Brieven des Heiligen bevat, is ter perse. Men stoote zich niet aan de gedachte, dat dit een Vlaamsche uitgave is. De vertaler is een goed kenner der Groot-Nederlandsche taal, wien niet ten onrechte het lidmaatschap der Vlaamsche Academie werd aangeboden. Hier en daar stoot men op een hier in het Noorden niet gebruikelijk woord, doch het open, ongedwongen, ‘gewone’ van het Vlaamsche dialect maakt vele zinnen aantrekkelijker, meer bij den inhoud passend, dan, wanneer het werk door een Noord-Nederlander was uitgegeven, wiens taal maar al te dikwijls te gekunsteld is en het zoo bijzonder eenvoudige, ongekunstelde Spaansch van den H. Joannes van het Kruis veel moeilijker weergeeft.

Binnen niet te langen tijd zal in de serie ‘Mystiek en Ascese’, gelijk het prospectus reeds aangeeft, van mijn hand ook een klein werkje het licht zien, dat de mystiek van den H. Joannes a Cruce in het kort samenvat.[5]

Een derde uitgave doet den H. Joannes van het Kruis ons de hand reiken in het geestelijk leven. De laatste is hier de eerste geworden. Het boekje is reeds bij de R.K. Boekcentrale verkrijgbaar. Een Ongeschoeide Carmelites heeft het samengesteld, terwijl Pater M. Stoks, C.S.S.R., het inleidde en uitgaf. Het draagt tot titel: Door ’t Niet tot ’t Al en is met de twee Teresia-uitgaven het nieuwste in onze mystieke literatuur. Het verheugt me te mogen zeggen dat reeds de eerste kennismaking met dit boekje het doet liefhebben en op prijs stellen. Het is een boekje, met zorg samengesteld door iemand, die den verheven zin van den mystieken leeraar heeft begrepen. Systematisch heeft zij hier tot een werkelijk geordend geheel vereenigd, wat in de werken des Heiligen door velen niet zonder moeite in onderling verband wordt gezien. Hoe duidelijk spreekt uit ieder hoofdstuk de leidende gedachte, dat ootmoed en zelfverloochening het sterven aan zich zelven de eenige grondslag is der ware mystiek, dat tot het Al niet kan worden opgestegen dan door de vernietinging van zichzelven, niet – het lijkt er niet op – in den zin, van een verzinking in het Nirwana, een oplossing in de Godheid, een verlies van eigen persoonlijk bestaan en werking, neen, maar door een verheffing boven al het geschapene, een mededeeling van de Godheid waardoor het eigen bestaan de hoogste vervolmaking en verheerlijking ondergaat, nadat het zichzelf heeft vernederd en vernietigd. De mystiek, zoo lees ik o.a. op blz. 167, leert eerst verloochening, kruisiging; eerst moet het iet worden tot niet en dan kan het opgaan in het Al, in de zoete vervoeringen der liefde. De nacht, waardoor de ziel moet gaan, is donker en lang, maar wie er voor terugschrikt zal nooit tot het mystieke leven geraken, zich er zelfs nooit een zuiver denkbeeld van vormen. Wie kan de liefde begrijpen dan hij, die liefde heeft en wie heeft liefde dan hij, die alles geeft om Hem, dien hij lief heeft, alleen te bezitten, daarvoor alles opoffert. Uit deze enkele woorden blijkt reeds, welke verheven gedachten in deze werken worden ontwikkeld, hoe deze mystiek geen quietisme kweekt, maar harden strijd en krachtige zelfoverwinning vraagt, telkens weer op offers, op blijken van liefde aandringt.

Eenieder zal begrijpen, dat, wil de mystiek zich niet op gevaarlijke wegen verliezen, niets noodiger is voor haar beoefenaars dan gezonde leiding. In de werken van dit heilig drietal leeren zij, wat niet op mystiek gelijkt, al mag het er den schijn van hebben. Mogen velen die leiding aanvaarden. Waar zelfs in het laatste nummer (29 Maart) van zijn weekblad Pniël Dr. J.H. Gunning de Teresia-uitgave aan zijn Evangelische Broeders in het geloof van harte ter kennismaking aanbeveelt, daar mogen de katholieken niet achterblijven. Met de werken der H. Teresia mogen zij dan die van de H. Maria Magdalena de Pazzi en den H. Joannes van het Kruis verbinden.

 

Oss.

Dr. Titus Brandsma, O.Carm.

 


  1. Published in: De Maasbode, 18 April 1919, Avondblad, Tweede blad, p. 2.
  2. See also: Titus Brandsma, Mijn Cel, Scheveningen 1942.
  3. Justinus Meulendijks, De Heilige Teresia. Bloemlezing uit hare werken, Venlo 1919.
  4. Published in: De Maasbode, 19 April 1919, Avondblad, Tweede blad, p. 1.
  5. This unknown booklet has not been published.

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2023