Een Sermoon van der Verrijssenisse Christi van Pater Frans Vervoort

1940

Article

 

Een Sermoon van der Verrijssenisse Christi van Pater Frans Vervoort

[1]

De Woestijne des Heeren met haar veertig ‘Dachreysen’ wordt door Pater Vervoort besloten met een ‘Sermoon van der Verrijssenisse Christi’.

Nadat we in den Passietijd een oogenblik aandacht hebben geschonken aan dit eens zoo verspreide Meditatie-boekje over het Lijden des Heeren, dat we wel het hoofdwerk van den mystieken Minderbroeder mogen noemen, meenen we op den vooravond van het Paaschfeest, in aansluiting aan de vorige artikelen, ook nog een oogenblik aandacht te mogen vragen voor dit Paasch-sermoen.

Het begint met een mooie beschouwing van de liefde van Magdalena, die geen rust meer heeft en gedreven door haar verlangen, aan haar Beminde alle eer te schenken, waartoe zij in staat is, met geurende zalven en reukwerken in den vroegen ochtend op pad gaat naar het H. Graf des Heeren.

Beeld van de liefde, die ons moet bezielen, van het verlangen, dat ons moet verteren om bij Jezus te zijn en in den vroegen morgen ons te spoeden naar de plaats, waar Jezus’ H. Lichaam is begraven. Niets kon Magdalena weerhouden noch de schande, waarin Jezus was ondergegaan en die op haar, die Jezus nog eer en liefde wilde bewijzen, moest terugvallen, noch de wreede macht van wachten en soldaten, die haar weerhouden moesten, zelfs maar te pogen tot Jezus te naderen, haar liefde werd er te grooter om. Zij trotseerde alles.

De eene moeilijkheid, die zij niet kon overwinnen, was de zware steen, die het graf voor haar afsloot, maar het was, of zij die moeilijkheid niet zag en eerst naderend tot het graf zich de vraag stelde: Wie zal ons den grafsteen afwentelen, opdat wij tot Hem naderen. Maar deze moeilijkheid had Jezus zelf, die wist, dat hare liefde haar tot Hem voeren zou, reeds weggenomen, opdat zij tredend in het geopende graf zien en hooren zou, dat Hij was verrezen. Een engel des Heeren in de gedaante van een jongeling in het wit gekleed trad haar tegemoet met de woorden, dat hij wel wist, dat zij Jezus zocht, maar deze was verrezen, gelijk Hij had voorzegd.

Hij was dus niet daar, dien zij zocht met al de vurigheid harer liefde. Aan het kruis kon zij nog zijne voeten omhelzen en met haar tranen besproeien. Hier gekomen om Hem te zalven en te balsemen, vond zij niets dan het ledige graf. Hij is hier niet, zeide haar de Engel. En dit woord maakte dieper indruk dan de blijde tijding, dat Hij was verrezen. Zij zocht en vond Hem niet. Het voorwerp harer liefde was haar geheel ontnomen. Waar zou zij Hem vinden. De Engel sprak van Galilea, daar zouden zijn leerlingen Hem weerzien. Zou de Heer haar dan alleen laten, Zich niet meer aan haar laten zien. Zij benijdde de Apostelen en schreide tegelijk om haar eigen verlatenheid.

Zij had zoo vurig verlangd Hem weer te zien en nu was Hij weg en uit haar oogen. Zij kon het niet gelooven en de gedachte kwam bij haar op, dat zij werd misleid, dat men het Lichaam van haren Jezus had weggenomen en wellicht op een andere plaats had neergelegd. Schreiend over hare zonden had zij daarvan de vergiffenis verkregen, schreiend over Lazarus was zij verblijd met zijn opwekking ten leven, nu schreiend over Jezus’ heengaan en haar verlatenheid, verdiende zij, dat Jezus in de gedaante van een hovenier tot haar kwam. Zoo beloont Jezus de liefde en het verlangen van degenen, die Hem zoeken met geheel hun hart en niet kunnen leven zonder Hem.

Hij vraagt haar waarom zij schreit.

Nu komt ten volle haar liefde tot uiting: Men heeft mijn Heer hier weggenomen en ik weet niet, waar men Hem gelegd heeft.

Hier de open uiting, dat zij Jezus zoekt en niet kan vinden en nu haar gevoel van verlatenheid haar doet schreien. Ook wij zouden schreien, zouden moeten schreien, als wij ons Jezus niet nabij weten, als Hij voor onze oogen verborgen is. Wij zouden geen rust moeten hebben, voordat wij hadden gevonden, naar wien ons hart verlangt. Indien ons Jezus’ wegzijn koud laat, indien wij geen droefheid voelen, niet schreien, als wij Hem niet bezitten, waar is dan onze liefde? Maar hoe kan Jezus aan Magdalena vragen, waarom zij schreit, Hij, die toch van haar gezegd had: Haar wordt veel vergeven, omdat zij veel bemind heeft. Hij kende dus hare groote liefde. En die liefde, niets dan die liefde was oorzaak van haar tranen, nu zij haar Beminde niet vond.

Hoe kon de liefdevolle Jezus, die de Samaritaansche vrouw opzocht, die Maria Magdalena gezegd had, dat zij het beste deel verkoren had en dit haar niet ontnomen zou worden, haar nu, terwijl zij aan zijn voeten lag, de vreugde van het weerzien onthouden? In het Boek der Spreuken staat toch geschreven: Wie mij liefheeft, hem zal ik op mijn beurt liefhebben en wie mij vroeg in den ochtend zoeken, zij zullen mij vinden.

Zij wil Hem vinden, zij wil Hem meenemen en bezitten. Ik zal Hem meenemen, zegt ze tot den hovenier.

Als Hij hier in uw tuin niet mag begraven zijn, als men Hem het graf niet laten wil, dat zijn vrienden Hem geschonken hebben, “ik zal Hem meenemen” en rijk zijn in zijn bezit. Was zij geweest bij zijn gevangen-neming in den Hof, bij zijn bespotting en veroordeeling tot den kruisdood, bij zijn geeseling en doornenkroning, zij zou dezelfde woorden hebben gesproken en ze metterdaad hebben trachten uit te voeren. Zij zou Hem uit hun midden hebben meegenomen.

Zij zoude er den dood voor hebben getrotseerd. Sterker dan de dood was hare liefde. Het zwakke naar de wereld maakt de liefde sterk. Terwijl de Apostelen terugbleven, gaat zij, de zwakke vrouw, naar het met wachten omringde graf. Zij zou den Heer niet hebben verloochend als Petrus, zij zou haar kleed niet in handen hebben gelaten van de soldaten, maar hebben getuigd van hare liefde, zooals zij deed onder het kruis.

Zoo groote liefde bleef niet onbeantwoord. En een enkel woord van Jezus is voldoende om haar droefheid in de grootste vreugde te verkeeren en haar hart, dat zich eenzaam voelde en verlaten, ledig en ontdaan, te vervullen met de zoetste voldoening. Met de Bruid van het Hooglied mag zij zingen, dat haar ziel is weggesmolten als was, omdat de Beminde heeft gesproken. Het eene woord: “Maria” waarin lag opgesloten, dat Hij haar kende en door dien naam uit te spreken alles in haar herinnering terugriep, waarin Hij haar zijn liefde reeds had geopenbaard, ontsluierde haar nu ook het geheim van zijn Verrijzenis en zeide haar, dat Hij leefde, leefde voor haar en haar nog altijd liefhad boven velen, aan wie Hij niet verscheen, voor wier oogen Hij verborgen bleef.

Zoo lag in het eene woord, dat Maria daarop sprak, ook een stroom van gevoelens, die in het hart van Magdalena moeten zijn opgekomen op die verrassende openbaring van den Verrezen Heiland. Haar eene woord: “Meester” drukte op de heerlijkste wijze uit, wat haar allereerst bezielde in dit gezegend oogenblik en ons bezielen moet op het blijde feest van Paschen, nu wij met Magdalena den Heer verrezen zien en ook ons met woorden van liefde hooren toespreken. Er klinkt naast blijde verrassing een klank in van niet begrijpen, hoe Hij haar zoo heeft laten zoeken en wachten, hoe Hij Zich zoo voor haar heeft kunnen verbergen, maar Hij is de Meester, Hij is de Heer, wij begrijpen zijn wijsheid en zijn wegen niet, maar onderwerpen ons aan zijn oordeel, voegen ons naar zijn lessen. Maria werpt zich weder aan zijn voeten om die te omhelzen, gelijk zij eens deed in het huis van den Farizeeër Simon, gelijk zij weder deed aan het kruis en nu ten derde male wilde doen om ze opnieuw te zalven met de kostbare reukwerken, welke zij had meegenomen. Maar nu weerde Jezus haar af, naar het woord van den H. Joannes Chrysostomus, omdat Hij, die hare zalving in zijn sterfelijk menschelijk Lichaam had aanvaard, nu in zijn verrezen menschelijke natuur meer als God dan als mensch voor haar stond en als overwinnaar van den dood hare zalving niet meer behoefde.

Zij wordt tot een hooger en edeler werk geroepen: Gaat naar mijne broeders om hun de blijde tijding te brengen, dat Ik ben verrezen en opga tot den Vader, Mijnen Vader en Uwen Vader, Mijnen God en Uwen God. Zij wordt geroepen om de bekroning van het verlossingswerk aan de Apostelen mee te deelen en vormt aldus een heerlijke tegenstelling met de vrouw in den Hof van het Paradijs, die zooals Sint Gregorius zegt, schuld en straf aan de wereld gaf, terwijl hier in den Hof Maria Magdalena de opdracht ontvangt, te verkondigen, dat het schuldige menschelijke geslacht van de zonde is vrijgesproken en algeheele voldoening voor zijn schuld is gegeven. Van den hof gaat nu met Maria de blijde mare over de wereld, dat de dood is overwonnen, het eeuwig heil weer is verworven en wij weer aangenomen zijn als kinderen van God.

Dies willen wij den Heere eewelijck loven”, zoo besluit Pater Vervoort, “die ons uuter eeuwiger doot heeft genomen, ende Hem in dit leven met alder neersticheyt door vierighe begheerte soecken, als ons Maria Magdalena heeft gheleert…. Hem soeckende met salve der goeder wercken, dat wij in der waerheyt met David moghen spreken: Ghelijck een ghejaecht herte dorst nae de wateren der fonteynen, sao haeckt oock, o Heere, mijn ziele tot U. Wanneer sal ick comen….

T. B.

 


  1. Published in: De Gelderlander, 23 March 1940, p. 13 (‘Van Ons Geestelijk Erf’). This article is a sequel to De Woestijne des Heeren.

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2023