Het Eerherstel der Friezen (translation)

Dutch translation of ‘Het Eerherstel der Friezen

by Jan K.H. van der Meer

 


Het Eerherstel der Friezen

[1]


Tot de meest geestdriftige ogenblikken van de mooie Bonifatiusdagen mag zonder gevaar voor tegenspraak de hulde en ereboete van de Friezen aan de H. Martelaar gerekend worden. Het Friese volk wordt niet zo licht geestdriftig. Daarom te meer was de geestdrift, die oplaaide bij de Friezen te Dokkum verenigd, iets bijzonders, iets moois. Ze werkte aanstekelijk en ook de niet-Friezen kwamen onder de invloed van die geestdrift en vonden heerlijk wat ze eerst wellicht nog beschouwd hadden als iets waaraan zij vreemd waren en dat zij daarom wellicht liever hadden gemist op deze nationaal bedoelde dag. Wat een afzondering van de Friezen scheen te zullen worden, werd een des te inniger vereniging. De Friese taal klonk vrij over het veld en de zin van de Friese woorden werd na de inleiding door allen begrepen en de woorden zelve gaarne gehoord. Niet slechts Zijne Doorluchtige Hoogheid de Aartsbisschop van Utrecht luisterde met zichtbaar welgevallen, niet slechts de Duitse Bisschoppen volgden met onverholen aandacht en instemming dit korte Friese woord, ook de pelgrims van Brabant en Utrecht, van Overijssel en Holland, van Groningen en Drenthe vonden dat eerherstel een mooi moment van het afsluitend lof op het veld van Dokkum. En de Friezen zelve! Het woord, in de oude Friese taal gesproken, vond luide weerklank in de harten van het Friese volk. Het bleek de taal geweest te zijn van het hart dat van Bonifatius houdt, heel veel houdt, maar aan de roemrijke Martelaar niet denkt zonder in zich de plicht te voelen van eerherstel voor hetgeen de heidense voorvaderen eenmaal deden aan de oevers van de Borne. Dit Bonifatiusboek zou voor de Friezen zeker, maar eigenlijk voor alle pelgrims onvolledig zijn, indien deze ereboete er niet in zou zijn vastgelegd. En daarom moge deze acte van openlijk eerherstel hier volgen:

Et omnis lingua confiteatur, quia Dominus Jesus Christus:
Alle taal zal belijden dat Jesus Christus de Heer is.

In heerlijke bewoordingen, met machtig redenaarstalent is reeds de roem van de Heilige van Dokkum, van Friesland, van Nederland, van Duitsland, van de H. Katholieke Kerk verkondigd. Ik zou het niet wagen, nog het woord te nemen, als ik niet een zeer bijzondere titel had. Maar ik ben blij, dat die titel mij het recht geeft, nog een kinderlijk woord te spreken in de taal van mijn kinderjaren, ter ere van de Vader die ons voor Christus won. En ik ben blij dit te mogen doen voor de opvolger van Sint Willibrord op de Bisschopsstoel van Utrecht, die in Bonifatius eenmaal de meest toegewijde medewerker had en na zijn dood de Herder had die zich de verweesde kinderen aantrok en de Utrechtse Kerk als Willibrordus' kerk deed voortbestaan. Ik ben blij dit te mogen doen voor de opvolger van de H. Bonifatius op de Bisschopsstoel van Mainz, het centrum van zijn apostolische werkzaamheid, de plaats hem door de Voorzienigheid als de eigen bisschopsstad aangewezen. Ik ben blij dit te mogen doen voor de Bisschop van Fulda, de Waker bij zijn graf, waarheen hij werd overgebracht toen de Friezen hem de dood hadden aangedaan, de plaats door hemzelf daartoe uitgekozen boven alle andere.

Blij ben ik ten slotte dit te mogen doen voor het Nederlandse volk, thans in zijn vertegenwoordigers op deze eerste nationale Bedevaart bijeen. Deze ereboete zou niet tot haar recht komen indien zij niet openlijk geschiedde, indien zij niet plaats had in deze vorm. Wij, Friezen, worden hierbij niet geleid door een zucht naar afzondering, naar iets eigens bij deze hulde, alsof wij Bonifatius voor ons zouden willen opeisen als onze Apostel. Heel andere gevoelens leiden ons. De Friezen houden het hoofd geheven. Maar vandaag komen de Friezen hier met gebogen hoofd. Vandaag komen wij iets goed maken, wat onze vaderen misdreven. En wij willen dat goed maken, zo openbaar mogelijk voor hen die Bonifatius gedachtenis voor ons doen voortleven en voor heel het Nederlandse volk. Wij zonderen ons niet af, wij voelen ons één met al de kinderen van de ene Roomse Kerk. En het woord hedenmorgen gesproken door de Hoogeerwaarde Heer Deken van Leeuwarden, het vond in onze harten weerklank.

Deze dag moet ons, Katholieken van Nederland, dichter bij elkander brengen, verenigen in de verering van onze gemeenschappelijke Apostel. Maar juist omdat wij ons één voelen, juist omdat wij ons hier te midden van onze Broeders en Zusters weten, daarom moet vandaag ons een woord van eerherstel van de lippen en willen wij heden aan Bonifatius geven wat voor bijna twaalf eeuwen onze voorvaderen hem onthielden. Wij zijn Mgr. de Aartsbisschop van Utrecht oprecht dankbaar, dat Zijne Doorluchtige Hoogheid ons toestond, hier op deze plek de geloofsbelijdenis uit te spreken in de taal, waarin Bonifatius ze op de dag van zijn dood uit de mond van de Friezen meende te zullen horen, maar waarin hem de kreten tegenklonken van dood en moord. U, die onze woorden niet verstaat, u kent er nu de betekenis van.

Hoogeerwaarde[2] Heren, sta mij toe dat ook op deze plaats in de oude Friese taal die de H. Bonifatius zich destijds eigen heeft gemaakt, de trouw aan het Geloof wordt uitgesproken die hij vurig verlangde om met grote vreugde te mogen beluisteren, hier, in deze taal, uit de mond van de nieuwbekeerden. Wij, zonen van de oude Friese stam, wij zijn oprecht verheugd dat wij met toestemming van de Hoogeerwaarde Heer Aartsbisschop van Utrecht, die wij reeds onze dank betuigden en thans opnieuw betuigen, bij deze kerkelijke Bonifatiusviering in de Landstaal hem te eren en onze dankbaarheid uit te mogen spreken en hier in de Friese taal de Geloofsbelijdenis herhalen zoals Bonifatius ze ooit in het Fries vernam. Hij zal met welgevallen op ons nederzien. U, Hoogeerwaarde Heren, U zult zich met hem verheugen dat wij in onze Landstaal, dat wil zeggen uit het diepst van ons hart, de betekenis van het woord het meest passend, onze trouw aan het Geloof voor de heilige Friezenapostel vernieuwen. Dat en niets anders is de betekenis van ons Friese woord.

Gelukkige[3] Friezen, hier bijeen op de plek waar de heilige Bonifatius ons land eens won voor het Rooms Geloof; driemaal heeft de onbuigzaam sterke man geprobeerd ons, Friezen, tot de Kerk van Christus te brengen. De eerste keer mislukte het helemaal. De tweede keer ontstond er een heel klein begin waarvan na dertig jaar het eind nog niet in zicht was. Maar de derde keer – o, hij was toen al oud en zijn haar werd al wit en zijn rug trok hem al naar het graf – maar die derde keer was hij niettemin het sterkst. Toen stierf hij voor Friesland dat hij bij leven niet de baas kon worden. De wereld zou de veertigjarige man in de bloei van zijn leven meer kans hebben gegeven om een volk over te halen dan die oude man van over de zeventig die zichtbaar tegen zijn einde liep. Maar men ziet eraan voorbij dat de liefde van de die man in die dertig jaar alsmaar groter en groter werd in de school, de harde school van de Oneindige Liefde, die zegt dat niemand groter liefde heeft dan wie zijn leven geeft voor wie hij liefheeft. Zo ver had de heilige Bonifatius het gebracht, dat hij op het einde van zijn leven sterven wilde voor het volk dat zich niet wilde bekeren, dat sprekender taal nodig had dan het woord van de Schrift, daar daden bij wilde zien: na Christus iemand anders die stierf voor zijn volk.

De Friezen waren hard. Zij zullen wel veel te hard zijn geweest, die Friese koppen ten tijde van koning Redbad. Maar Onze Lieve Heer was de Friezen goedgezind, meer dan ze verdiend hadden. Hij wist dat hij Friezen voor zich had en dat de Friezen anders zijn dan anders. En Onze Lieve Heer gaf de heilige Bonifatius in voor de Friezen te sterven en op die manier zichzelf en de Friezen in de Hemel te brengen. En Bonifatius begreep dat. Hij zag helder het gevaar. Hij wist dat het zijn dood zou worden, die reis naar Friesland. Iedereen zag dat en hield hem tegen. Hij liet zich niet gezeggen. Hij zou en hij moest. Het was de enige manier om Friesland te winnen. En hij zou het krijgen voor de Kerk en voor de Hemel. Hij zette door en hij vond wat hij zocht: de dood in de Friese gouwen. Daarmee kwam uit wat hij gezegd had: door zijn dood zou hij het winnen. Door zijn dood heeft hij Friesland bekeerd. Door zijn dood is hij onze Apostel. Op de plek waar hij stierf, waar de heidense Friezen hem neersloegen, voelen wij, Roomse Friezen, wat hij ons gegeven heeft op die Pinksterwoensdag van het jaar 755[4], het hoogste, het grootste, het mooiste: onze vereniging met God.

Laten wij ons vandaag eens indenken wat het voor ons wil zeggen door Bonifatius het recht op de Hemel verworven te hebben, kinderen te zijn geworden van de heilige Kerk, deelgenoten aan de Sacramenten die onze kracht zijn in de levensstrijd. Ik zwijg van de rest. Ik zou anders nog heel wat kunnen zeggen over hetgeen Friesland is toegevallen met het Geloof door Bonifatius gepreekt. De schilder Veit heeft in beeld gebracht hoe kunsten en wetenschap zijn opgebloeid vanuit de leer van het Christendom, dat in Bonifatius zijn Apostel had.[5] Hij schilderde het met het oog op Duitsland en het hangt tot op heden, het fraaie grote schilderstuk, in het Museum in Frankfurt a/M., maar het heeft evenzeer zijn betekenis voor Friesland en zou met evenveel recht in Leeuwarden en in Dokkum kunnen hangen om ons, als we het zouden zien, steeds weer te vertellen wat Bonifatius’ heldenwerk voor maatschappelijke gevolgen voor Friesland heeft gehad. We hoeven maar te beginnen bij het Bonifatiusklooster hier in Dokkum, gebouwd op de plek waar hij is omgebracht, om meteen ons oog verder te laten dwalen over meer dan honderd kloosters in de Friese gouwen, kloosters die het Friese land geleidelijk aan hebben ontworsteld aan de zee, althans leiding gaven aan dat werk. Op het vruchtbaar gemaakte, voorheen verdronken land ontstond gaandeweg meer gelegenheid voor honderden kleine bedrijven onder het algemeen toezicht van de Abdij of van het klooster. In de scholen die bij die kloosters hoorden, leerden Friezen kunst en wetenschap te beoefenen en bij de oudste gedenktekens van onze taal zijn de hooggeroemde Rechtsboeken, ingegeven door de geest van het Christendom, de erfenis die Bonifatius ons heeft nagelaten. Maar laten we er het zwijgen toe doen. Vandaag richten wij het oog op het onschatbare voorrecht door Bonifatius de schat van het Roomse Geloof gekregen te hebben. Venerunt mihi omnia bona pariter cum illa: Daarmee is al het andere goede ons deel geworden. Zegt Onze Lieve Heer niet zelf: Zoek eerst het Rijk Gods, al het andere wordt u toegeworpen.[6] Friesland heeft dat ook weer ondervonden. Zijn opkomst dankt het aan het Christendom, dankt het daarmee aan Bonifatius.

Hulde aan die grote man die ons die schatten heeft gegeven met opoffering van zijn leven. Hulde aan die man die ons het leven gaf door zijn dood. Hulde aan hem die zijn levenslicht liet uitblazen opdat wij het ware levenslicht niet alleen zouden zien maar altijd voor ogen houden.

Op die vroege Pinkster-woensdagmorgen ging met de zon over Bonifatius’ bleek en bloederig lijk de zon op boven Frieslands gouwen. Keek de zon daar neer op tonelen van dood en rouw, de warme stralen van dezelfde zon vielen hier op leven en bloei. Wat moet de grote Martelaar een onuitsprekelijke blijdschap hebben ervaren na het korte lijden van zijn marteldood, toen hij vanuit het hoogste van de Hemel neerzien mocht op wat zijn dood voor Friesland aan schatten voor het volksleven bijna op hetzelfde uur gebracht had. Nog steeds ziet hij op ons neer. En vandaag, nu wij intussen beter weten wat wij te danken hebben aan zijn liefde voor het Friese land, is het of hij nu van dezelfde liefde ook weer dezelfde vruchten wil zien als eens van onze zo wilde voorvaderen. Als dezen door het zien van zijn grote liefde de waarheid van het Rooms Geloof zagen, verzaakten aan hun goden, hem op het rechte pad volgden dat naar de Hemel voert, wat mag hij dan van ons verwachten?

Wij staan hier op het veld dat eens doordrenkt was van het bloed van onze grote Apostel. Hier op ditzelfde veld zijn onze voorvaderen, ook de moordenaars van de heilige, ook de meest schuldigen, samengekomen om hun schuld te belijden, aan hun verkeerde levenswijze te verzaken, om hardop te getuigen dat zij het Geloof van Bonifatius aannamen, doen wilden wat hij hun had voorgehouden.

Mag hij datzelfde van ons verwachten?

Moeten wij Friezen ons hier vandaag niet uitspreken en beloven te veranderen wat er veranderen moet in ons leven als het op dat van Bonifatius wil gelijken. Moeten wij niet allemaal betuigen dat wij te weinig deden en beloven dat wij ons meer zullen inspannen om zijn werk in Friesland weer de vruchten te laten dragen die het daar eertijds had. De heidense moordenaars hebben na hem doodgeslagen te hebben zijn boeken uit de kisten gehaald. Daar was zijn Catechismusboek bij. Ze wisten toen nog niet welke schatten van wijsheid en waarheid in die vragenlijsten waren opgeslagen. Ze scheurden de bladzijden eruit en strooiden ze over de velden. Wij hebben daarvan nog één blaadje. Laten we eens zien wat op dat ene blaadje staat, wat hij ons daar vraagt en laten wij hem vandaag het antwoord geven. Het betreft zijn formulier van afzwering en belijdenis. Hoor wat hij daar vraagt en welk antwoord hijzelf jullie in de mond legt. Dat antwoord zal ik uitspreken in jullie naam. Zeg het in stilte na.

“Verzaken Jullie aan de duivel, aan zijn handlangers, aan zijn werk en zijn leer?” Jullie weten wat dat betekent. Er is maar één antwoord opgeschreven op al die vragen: “Wij verzaken”. Zeg het mij na: “Wij verzaken aan alles waarvan wij weten dat het door de duivel is ingegeven.” En om het in één woord, het ene woord van de Catechismus te zeggen: “Wij verzaken”.

Dan komt de volgende vraag. “Geloven Jullie.” Eigenlijk zegt hij het tot ieder in het bijzonder in de oude vorm: “Forsakesthou” [verzaakt gij] en nu: “Leausthou” [gelooft gij] “in God, de Almachtige Vader, in Christus, Gods Zoon en in de Heilige Geest.” Daar is maar één antwoord op mogelijk: “Ik geloof: Wij geloven.” Dat ene antwoord geven wij vandaag allemaal te samen: “Wij geloven.”

O heilige Bonifatius, zie op ons neer. Zie, hoe wij hier op de plek waar U de dood voor ons inging, al het verkeerde afzweren, ons Geloof belijden, hoe wij van deze plek weggaan met het vaste voornemen dat de woorden, hier vandaag op dit martelveld gesproken, geen dode woorden zullen blijven maar [dat] vanaf vandaag ons een nieuw leven zal opgaan als vrucht van Uw dood.

Zegen en bewaar ons, dat wij het mogen volbrengen.

Amen.


Prof. Dr. Titus Brandsma O. Carm.



  1. This speech is published in: St. Bonifatiusboek, Nijmegen-Utrecht 1927, p. 148-157. Published by St. Bonifatiusbroederschap, Dokkum. The original speech is written in three languages. Titus Brandsma starts in Dutch and then he speaks shortly in German and finally extensively in Frisian.
  2. In this paragraph, Titus Brandsma speaks German.
  3. From this paragraph onwards, Titus Brandsma speaks Frisian.
  4. Titus Brandsma follows the tradition that St Boniface was killed in 755. Another strong tradition says that it was 754.
  5. See: Philipp Veit, ‘Die Einführung der Künste in Deutschland durch das Christentum’, 1834-1836: [1].
  6. See: Mat 6:33.


Translation: Jan K.H. van der Meer

Published: Titus Brandsma Instituut 2020