Het karakter van de Friese kloosters

Dutch translation of It Aerd fen de Fryske Kleasters

by Jan K.H. van der Meer

 

Het karakter van de Friese kloosters in de Middeleeuwen

[1]

Friesland staat van ouds bekend als een landstreek waar heel wat kloosters waren. Men spreekt vaak van over de honderd. Zo groot was het aantal wel niet, maar ruim vijftig zijn er toch geweest. Ze nemen in de Friese geschiedenis een belangrijke plaats in, met name doordat menig klooster grote invloed had en zij mannen opgeleverd en werk hebben verricht die voor Friesland betekenis hadden. We kunnen de geschiedenis van Friesland in de Middeleeuwen niet schrijven wanneer wij in het overzicht de kloosters [er] niet bijhalen.

(Daar is iedereen het wel over eens. Al kent men die kloosters niet allemaal bij naam en weet men niet precies wat ze deden en betekenden, zoveel is er wel van bekend dat men begrijpt dat men daar rekening mee te houden heeft. Niettemin is er veel misverstand en heeft menigeen die verder wel aardig thuis is in de Friese geschiedenis over het karakter en het werk van die kloosters vaak geen juist begrip.

Bij een eerdere lezing die ik voor de Fryske Akademy mocht houden over de bekende pater Brugman in Friesland, kwam in het nagesprek daarover naar voren dat verschillende leden van de Akademy daarover wel eens een aparte lezing wilden horen en vroeg de voorzitter mij er bij gelegenheid nog eens op terug te komen. Die gelegenheid was daar nu en graag heb ik die aangegrepen, om niet zozeer over de namen en de plaats, de stichting en de eigen geschiedenis van de kloosters te spreken, maar om in het algemeen iets te zeggen over het karakter van die kloosters.

Hier gaat niet op dat een klooster een klooster is er daarmee uit. Er is een heel groot onderscheid tussen de diverse kloosters die wij in Friesland hebben gehad. Alleen in de middeleeuwen al; want daartoe willen we ons in deze lezing maar bepalen.

Er is een ontwikkeling, een overgang van de ene vorm in de andere en al kan ik in de korte tijd van een lezing niet alles daarover kwijt, ik hoop toch te laten zien dat het kloosterleven in de Roomse Kerk verschillende aspecten heeft waaronder men het kan bekijken.

Dit kan ik wel meteen zeggen, dat ze te veel zijn beschouwd onder een opzicht dat eigenlijk niet op de eerste plaats komt, maar ik wil er graag bij zeggen dat de kloosters er zelf de nodige aanleiding toe hebben gegeven. Men ziet de kloosters in het algemeen te veel als instellingen die voor de sociale en economische ontwikkeling van Friesland betekenis hadden, brandpunten zijn geweest van wetenschap en cultuur, terwijl men de eerste roeping van de kloosters over het hoofd ziet die vooral ten tijde van de middeleeuwen was: de verheerlijking van Onze Lieve Heer en het persoonlijke beleven van de evangelische raden van gehoorzaamheid aan een hogere leiding; van zuiverheid door afzien van een huwelijk en leven zonder vrouw en kinderen; van armoede door gemeenschappelijk alles onderling te gebruiken zonder eigen bezit of aanspraak op bezit.)

Kloosters zijn in hoofdzaak plaatsen waar mannen of vrouwen bij elkaar wonen juist om zich verre te houden van de wereld en van al wat deze aan verleiding meebrengt, om daarvan los te komen en zo inniger met God te verkeren. Daarin slaagt niet iedereen evengoed, dat is wel te begrijpen, maar het is toch het doel. Daar wil men naar toe. Dat is het ideaal waarmee men intreedt.

(En daarom doet men de kloosterlijke instellingen een wezenlijk onrecht, wanneer men hun roem zoekt in groot maatschappelijk werk en sociale invloed. Die vormen ook wel een roem van de kloosters, dat zal ik niet betwisten, maar die komt niet op de eerste plaats.)

Ik ken een geschiedenis van de Orde van de Franciscanen, de zonen van de Heilige Franciscus van Assisi, die wij nu in Friesland nog hebben voor de bediening van de parochiekerken van Bolsward en Franeker en in het kleine kloostertje van Drachten met een uitloper naar Sint Jacobiparochie. In die geschiedenis wordt hoog opgegeven over hetgeen die Orde in de loop van de eeuwen heeft gedaan op het terrein van de missie, van de wetenschap, van sociaal werk. Menig groot man wordt er genoemd, maar het boek zegt vrijwel niets over de heiligen, de stille bidders en vrome beoefenaars van het eenvoudige kloosterlijke leven, verscholen voor de wereld en hun onbekend. Kijk, dat is niet de geschiedenis van een kloosterorde. Daarin moeten de heiligen, die geleefd hebben naar de geest van de Stichter en van de instelling, een ereplaats te hebben.

De kloosters vormen een tegenstelling met de wereld en hun roem moet niet worden gezocht met ogen die alleen maar zien wat groot is in de ogen van de mensen, maar door geesten die proberen te zien wat Onze Lieve Heer, die in het verborgene ziet, in de mensen het hoogst waardeert.

Kloosters zijn Godshuizen, willen dat althans zijn. Wie er wonen, moeten dichter bij God staan en daardoor andere mensen ook weer nader tot God brengen.

Kloosters zijn plaatsen van geestelijk leven, waar men althans probeert geestelijk te leven, onder Gods ogen, met God. Geen mens zal betwisten dat in het geploeter van de wereld en om het dagelijkse brood, het aandacht geven aan God die bij en in ons is, die alles schiep en in stand houdt, het met Hem in de geest verkeren, niet meevalt. Men kent God wel, men begrijpt dat hij de Schepper moet zijn van alles wat bestaat en daardoor ook alles in handen heeft, dat hij op ons neerziet, om het menselijk uit te drukken, en van ons als schepselen met verstand ook vraagt dat wij daar oog voor hebben, daar dankbaar voor zijn, Hem daarvoor eren en prijzen, maar door de drukte van het bestaan is het denken daarover en het daarnaar handelen vaak niet meer dan een flits, dan een straaltje dat af en toe even de duisternis van ons geestelijk leven verlicht, maar dan is het ook weer weg.

De meesten vinden er ook geen tijd voor om er lang over na te denken, zich ermee bezig te houden, al zullen ze moeten zeggen dat God toch wel verdient dat men er wat meer oog voor heeft en Hem daarvoor eer brengt.

Nu zijn de kloosters in het algemeen allereerst huizen waar eer brengen aan God, het geestelijke verkeer met God voorrang heeft boven al het andere en dat wel in tweeërlei opzicht. De kloosterling voelt zich er zelf toe geroepen. Hij wil zich er meer aan geven. Hij wil er een grotere plaats in zijn leven voor inruimen. Hij wil leven met God om daardoor zekerder met God verenigd te blijven en zo ook in de eeuwigheid met God gelukkig te zijn. Maar hij leeft niet voor zichzelf alleen. Hij begrijpt dat hij een van de schepselen uit Gods hand is en dat alle schepselen geroepen zijn, Hem eer te geven. Hij begrijpt dat anderen daar niet toe komen. Hij wil het mede voor de anderen doen. Hij zal hun plaats innemen en door misschien meer te doen dan wat God van iedereen vraagt, in gemeenschapsbesef goed te maken wat anderen te weinig doen.

Het gemeenschapsbesef leeft sterk in de kloosterinstelling. Ze verbinden zich met elkaar om in een grote gemeenschap nog weer gemakkelijker hun hoge roeping na te leven en in elkaars verdiensten op dit gebied te delen. Is het geestelijke leven zelf zeer persoonlijk, daarnaast staat ook weer, dat het een geestelijke gemeenschap bevordert. Zij verenigen zich met elkaar om als Orde, als klooster, in een organisatie, onder vaste leiding, beter en redelijker, meerzijdiger en vollediger, God te dienen en te verheerlijken. De organisatie van de dienst van God is op die manier een heel voornaam punt in het kloosterleven en daarom staat de gehoorzaamheid aan een hogere leiding ook zo hoog.

Wordt nu, naast de gelofte van gehoorzaamheid, ook gelofte gedaan van zuiverheid en van armoede, in oude tijden lag alles in de gelofte van gehoorzaamheid besloten en ingesloten.

Men begrijpt niettemin dat die organisatie heel verschillend kan zijn en dat daardoor niet alleen heel wat vormen van kloosterleven mogelijk zijn, maar ook bestaan. Ik zou niet weten hoeveel vormen er wel zijn. Het kloosterleven mag in Friesland rijk zijn geweest, het aantal verschillende Orden is niet groot en er zijn in de Roomse Kerk heel wat vormen die in Friesland nimmer zijn aangenomen. Niettemin hebben wij wel de hoofdvormen van het Roomse kloosterleven vertegenwoordigd.

Ik kom nog even terug op het sociale en wetenschappelijke goed dat van veel kloosters is uitgegaan. Zuiver alleen voor de eer en verheerlijking van God zijn maar enkele kloosters gesticht. Het zuivere contemplatieve leven, het zoeken van geen ander verkeer dan alleen met God, zoals nu weer is begonnen in het kleine kloostertje van de Karmelietessen in Drachten, is ook in de middeleeuwen in Friesland niet onbekend, maar de meeste kloosters zochten toch daarnaast wel werk dat hen niet alleen in verkeer bracht met de wereld om hen heen, maar hun ook invloed gaf in het maatschappelijke leven. (Dat kon nog tweeërlei zijn. Het werk dat ze zochten kon nog weer een geestelijk karakter hebben zoals het werken in de zielzorg, het beoefenen van de wetenschap al dan niet verbonden met lesgeven, het schrijven van boeken, enz., maar het kon ook meer lichamelijk zijn, zoals het bewerken van het land, het inpolderen van verdronken land, het bouwen van boerderijen, van kerken en kerkbuurten, het leggen van dijken, het graven van sloten en kanalen, het aanleggen van sluizen en het bouwen van bruggen en molens, enz..

Daarbij moet men niet vergeten dat voor het dagelijkse brood allerhande werk noodzakelijk was en dat dit vele handen vergde. Dat ging soms zo ver dat er voor het eigenlijke werk in kerk en koor, voor het innige verkeer met God, bijna geen tijd overbleef. Dat kon natuurlijk niet, dan liep het verkeerd. Dat was in strijd met het wezen van de instelling, maar hoe gaat het vaak. We zullen zien, dat er toch tijden zijn geweest waarin het werk naar buiten het werk naar binnen, de stoffelijke arbeid de geestelijke terugdrong zodat er naar middelen moest worden uitgezien om daarin verandering te brengen of te krijgen.)

Ik zal niet zeggen dat het mooie sociale werk in Friesland, van de kloosters uitgegaan, de kloosterlijke roeping in gevaar heeft gebracht, het hoorde erbij; maar wel zeg ik, dat we ervoor moeten oppassen daarop als op het voornaamste in de kloostergeschiedenis te wijzen. Het sproot eruit voort, het is er de vrucht van, het laat er andere kanten van zien, maar het komt op de tweede plaats. Zelfs nog in die kloosterinstellingen die meer dan andere het werk naar buiten in hun programma opgenomen hebben.

Wij zullen ons best doen in het kort een overzicht te geven van de ontwikkeling van het kloosterleven in Friesland om aan de hand daarvan de onderscheiden vormen te laten zien.

De eerste kloosterinstellingen in Friesland zijn wel die van de zogenaamde Reguliere Kanunniken. Men zal zeggen dat het bekeringswerk hier allereerst is verricht door Benedictijnen en dat met hen de eerste kloosterlingen hier in Friesland zijn gekomen. (Dat is wel zo, maar ze hadden hier niet meteen een klooster. Bonifatius, die hier de grote man is van de eerste organisatie van de Kerk, wenste wel kloosters voor zijn Ordebroeders, maar hij begreep dat die maar hier en daar konden zijn. Hij stichtte het eerste klooster in Fulda, Willibrord had zijn klooster in Echternach. Dat waren voor hen oasen in de woestijn. Daar moesten de missionarissen af en toe naartoe vluchten om weer tot zichzelf te komen. Daar was een centrum van opleiding en vorming. In Utrecht zijn de Benedictijnen later ook zo’n klooster begonnen, maar dat kon niet meteen, al kwam het tamelijk snel. b>) Maar de geestelijken die zij aannamen om hun helpers te zijn in het Apostolaat, waren door hun geest beïnvloed, leefden wel naar Benedictijnse trant. Maar het was niet de stugge, strakke en strenge Benedictijnse regel die zij hier de eerste meer geestelijk voelende geestelijken konden opleggen. Het was in het begin al heel wat wanneer ze de mildere regel van Sint Augustinus en van het gemeenschappelijke leven van de geestelijken, het vita communis, aannamen. Dat was al een grote stap. Zo kregen wij hier in Friesland als eerste kloosters, wel eerst te Dokkum dan te Stavoren, twee centra van canoniek leven; het eerste op de plaats waar Bonifatius werd vermoord, het tweede waar Sint Odulphus zich vestigde om een centrum voor Geloofsverdediging en een leerschool voor het orthodoxe Geloof te stichten.

(Twee dingen moeten we hier goed in het oog houden. Het zijn beginvormen die zich later ontwikkeld hebben. We kunnen in de geschiedenis van de Reguliere Kanunniken drie tijdvakken onderscheiden: het begin tot aan omstreeks 1100, een verstrenging rond 1100 en een vernieuwing in de vijftiende eeuw.)

Drie dingen lopen bij deze eerste stichting het meest in het oog. Hun eerste werk was het bidden van de Getijden. Daarmee begon de dag al vroeg en op tijd mee, naar de regel van Chrodegang van Metz (755), al ’s nachts om twee uur, met de Metten en de Lauden in het koor in wisselzang te reciteren, terwijl in de morgenstond om een uur of zes de Priemen werden gezongen of gebeden. Later in de morgen kwamen de andere Kleine Uren met de Mis. ’s Middags om twee of drie uur waren de Vespers, terwijl de dag werd besloten met de Completen. Daar kwamen na verloop van tijd nog de Kleine Getijden ter ere van Maria en vaak ook nog de Getijden voor de Gestorvenen bij. Het moet ons verbazen hoeveel tijd aan het bidden van de Getijden, met alles wat daarbij kwam, besteed werd. Daar gingen uren mee heen. Het was hun eretaak, de dienst van God met bidden en zingen waar te nemen en steeds weer God te prijzen en te eren.

Daarnaast stond een heel sober leven en een heel groot aantal vastendagen, onthouding van vlees op weer andere dagen. Ook het drinken van wijn en dergelijke was aan beperkende bepalingen gebonden.

Daarbij bleven zij priesters met eigen bezit of tenminste vrij vruchtgebruik van hun bezit, dat als bezit aan de gemeenschap verviel, maar eigenlijk pas bij hun overlijden. Ze deden, m.a.w., geen gelofte van armoede. Ook wat ze kregen voor het opdragen van missen en ander werk in de zielzorg, konden ze voor zichzelf houden. Ze woonden wel bij elkaar maar ieder had toch zijn eigen woning in het claustrum. (Er waren gemeenschappelijke plaatsen van bidden, conferentie of kapittel, eten enzovoort, er stond aan het hoofd van het klooster een abt of een prior die dagelijks zijn puntjes gaf en alles regeerde; aan hem was men gehoorzaamheid verschuldigd, maar er was niettemin een vrij grote vrijheid in dit Instituut dat niet te streng moet worden gezien, maar toch met een hoge geestelijke instelling. Daarin kwamen de priesters bij elkaar voor een meer geestelijk leven, maar ze blijven priesters die zich wijden aan de zielzorg, erop uitgaan om te preken, biecht te horen, niet alleen in de kerk van het klooster maar vooral in die eerste tijden ver in de omtrek. Van hun dienstreizen kwamen ze op vaste tijden in het klooster terug, terwijl ook wel enkelen die daar meer voor in aanmerking kwamen in het klooster bleven. Het klooster was een centrum van geestelijk leven, maar wie het bewoonden waren er niet zo opgesloten dat ze er niet uit kwamen. Ze behielden – en dat is een heel belangrijk punt – zij behielden het gebruik van hun geld en van hun inkomsten. Deze stichting van de eerste kloosters van Reguliere Kanunniken heeft vanzelf met zich meegebracht dat er vanuit die kloosters een hele hoop parochies zijn gesticht en geleid. Van Stavoren waren wel een vijftigtal kerken afhankelijk. Zo werden deze kloosters groot en rijk. Boven de prior kwam een abt die het aanzien van het klooster verhoogde, die de liturgische plechtigheden met pontificale praal kon opdragen en leiden, een groot man was in de maatschappij.

Deze instelling is vooral gestruikeld over het geld.

Al was het gebruik dat het geld bij overlijden aan de abdij kwam, het vrije gebruik door ieder van zijn eigen geld en inkomen was niet bevorderlijk voor de gemeenschappelijke geest en bracht tegenstellingen in het klooster die er niet moesten zijn. Bovendien was het vooruitzicht van de kanunniken dat zij na kortere of langere tijd op een van de parochies die van de abdij afhankelijk waren pastoor konden worden en dat mettertijd ook werden, niet bevorderlijk voor het stipt onderhouden van de kloosterregel. Er was ook geen sterk verband van de abdijen onder elkaar, zodat een abt of prior zich niet kon beroepen op tradities in andere kloosters. Persoonlijk waren ze vaak niet stevig genoeg om de tucht hoog te houden en gaven ze geleidelijk aan te veel toe.)

Omstreeks 1100 heeft men de gebreken van het Instituut van Reguliere Kanunniken ingezien en geprobeerd die weg te nemen. Het voornaamste van deze hervorming was, dat de Kanunniken van toen af aan de gelofte van armoede aflegden, d.w.z., van gemeenschappelijk bezit zonder eigen inkomen.

Dit is de hervorming door de Synode van 1059 in het Lateraan te Rome. Van toen af waren de Consuetudines Augustinianae de leidende omschrijving van doel en werk van de Kanunniken. Toen waren de Friese abdijen overigens niet meer stevig of krachtig genoeg om die hervorming in hun kloosters door te zetten. De abdij van Dokkum ging over naar de Premonstratenzers of Norbertijnen, die van Stavoren naar de Benedictijnen. Maar het Instituut ging toch niet voor Friesland verloren. Voor de twee oude abdijen kwamen weer twee andere tot stand: Ludingakerke en Bergum. Met deze twee begint in de elfde eeuw een nieuw tijdperk voor de geschiedenis van het kloosterleven.

De geschiedenis van Dokkum ligt nog erg in het duister. Men noemt die bijna altijd een abdij van de Premonstratenzers en dat was ze later ook, maar zo begon ze niet. Dat is uitgesloten omdat die van veel latere tijd zijn dan de oude Dokkumer abdij, waarvan al eerder sporen aan te wijzen zijn als centrum van het kerkelijk leven in het Noordoosten van Friesland. Of we ooit klaar inzicht zullen krijgen in de eerste geschiedenis van het Dokkumer klooster, is een vraag, maar dit mogen wij wel vaststellen, dat het begon als een klooster van Reguliere Kanunniken. Men stelt het stichtingsjaar in het begin van de negende eeuw. Wij kunnen daar nu niet verder op ingaan.

De geschiedenis van Stavoren is iets helderder, maar niet heel veel. Daar wordt het begin in verband gebracht met de zending van Sint Odulphus naar Friesland en wij willen dat voorlopig aanhouden. Dat ligt ook in de negende eeuw.

(Er waren in de instelling van de Reguliere Kanunniken twee tegenstrijdige zaken. De eerste was, dat ze gezamenlijk leefden, maar ieder eigen geld had en geld houden mocht, wat de eenheid brak; en ten tweede – en dat was misschien nog ernstiger – [dat] de meest begaafden werden aangesteld als parochiegeestelijken en anderen ook in de parochies van de abdij werk hadden en dat werk niet best te verenigen viel met het leven in het klooster. Daar was in het parochiewerk geen tijd voor het urenlange bidden, daar moest ander werk worden verricht, preken, biechthoren, zieken bezoeken, catechismus geven; in één woord, daar moest meegeleefd te worden met de mensen.

Ook dat gaf grote tegenstellingen in het klooster. Het koorgebed werd daardoor verwaarloosd omdat de besten er niet aan meededen, vooral als het getal kanunniken niet zo groot was.

Gaandeweg werd het bedienen van de parochies hoofdzaak en raakte het hoofddoel van het huis in de knel.) Wanneer we zien hoeveel kerken van Dokkum en hoeveel bij de overgang van Stavoren naar de Benedictijnen van Stavoren afhankelijk waren, dan blijkt de abdij van Stavoren meer betekenis gehad te hebben dan die in Dokkum.

Maar dan zien we ook wat de voornaamste betekenis van deze twee abdijen voor een groot deel van Friesland is geweest, dat ze, behalve het prijzen en verheerlijken van God in uren van bidden en zingen, het als hun taak beschouwden om op zoveel mogelijk plekken kerken te bouwen en te bedienen en de zielzorg over een groot deel van Friesland te bezorgen. Hoever dat precies gegaan is, valt niet te zeggen. Aannemelijk is, dat vanuit die twee centra het Geloof gestaag verder is gepreekt en dat deze twee abdijen naar elkaar toe hebben gewerkt om Friesland te kerstenen.

(Daarnaast stond het instituut van eigen kerken, zelfstandig, niet van een klooster of kapittel afhankelijk, vaak gesticht door een adellijk heer op of bij zijn stins of state. Prof. Post heeft daarover een proefschrift afgeleverd, maar daaruit blijkt dat voor de eerste eeuwen in Friesland over die tijd ook meer licht te wensen blijft.)

Hoe verdienstelijk deze twee abdijen in dit opzicht zijn geweest, (zoals ik al zei), het eigenlijke kloosterlijke leven kwam er nog niet in al zijn fleur mee naar voren. Er moest eerst vaster grondslag zijn, voordat [het] hier opbloeien kon. Maar ook die tijd kwam. Het is alweer een beetje ongewis, maar het lijkt er toch op dat in de laatste helft van de negende eeuw Friesland zijn eerste monnikenklooster heeft gekregen en dat toen de Benedictijnen ertoe overgegaan zijn in het Friese land een klooster voor hun Orde op de richten. Die zochten veel groter tegenstelling met de wereld, strenger afzondering, meer volledig kloosterleven met geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid. Ze zochten een stille plek, mooi in de natuur, maar niet zo toegankelijk voor de mensen. Dat eerste Benedictijnenklooster moeten wij zoeken op Ameland, te Hollum. Dat was ineens een hele stap verder. Daar was een andere levensopvatting, niet alleen door de drie geloften, maar nog meer door de strengere band die de leden van het klooster verbond. Daar geen eigen geld, geen eigen inkomsten meer; daar veel meer eerbied voor het handwerk in de tijden tussen het bidden; daar nog strenger vasten en onthouding, maar vooral daar veel en veel meer afzondering van de mensen. Die konden bij hun komen, maar het moest een uitzondering blijven dat zij bij de mensen kwamen. Daar stond het omgaan met God nog meer op de voorgrond. Daarom ook hun plek op een uithoek van Friesland, op een eiland en dan nog op de uiterste hoek daarvan. Het was een prachtige plek voor de monniken zelf, het zicht op de zee, rondom in de bossen. Spijtig genoeg hebben wij over dit eerste klooster zo goed als geen berichten. Wij weten zo goed als niets over de opvatting van de regel van Sint Benedictus, of die meer nadruk legt op het handwerk of naar de uitleg van Benedictus van Aniane daarvoor ook de studie laat meetellen en die zodoende een grotere plaats geeft. De verbinding van Ameland met Fulda, waar het van afhankelijk was, naar het lijkt, geeft steun aan de veronderstelling dat het handwerk er een vrij grote plaats innam, terwijl de plek van de abdij in een land waar het geloof nog moest worden gepredikt en het Christendom nog nadere bevestiging behoefde, de abdij toch ook nog zielzorgwerk oplegde en de bediening van parochies tot haar taak liet beschouwen. Dat werd nog versterkt door de traditie die de Benedictijnen hier hadden als eerste geloofszendelingen. We zien hen dan ook in latere tijd met allerhande parochies verbonden. Hoever dit ging, is evenwel niet te zeggen. Of het klooster op Ameland ooit is uitgegroeid tot een grote abdij, is een grote vraag. De overbrenging naar Foswerd in de twaalfde eeuw lijkt erop te wijzen dat het op Ameland niet zo bijster wilde. Maar het kan ook samenhangen met andere oorzaken, zoals de scherpere afscheiding van Ameland van het andere Friesland door het dieper zinken van het laagland tussen Friesland en Ameland in, of het in nieuwe geest opleven van de Benedictijner Orde waarbij de kloosters minder zelfstandig bleven en meer verband met elkaar zochten in Congregationes, verenigingen van abdijen, en daardoor hun isolement minder wenselijk was.

We kunnen de geschiedenis van de Friese kloosters in verschillende tijdvakken zien. Het eerste is wel van de achtste of negende eeuw tot het begin van de twaalfde eeuw. In dat tijdvak hebben wij, naar het lijkt, maar drie kloosters, drie abdijen waarvan twee van de Reguliere Kanunniken, een in Dokkum en een in Stavoren; en het derde van de Benedictijnen op Ameland.

Een tijdvak van veel grotere ontplooiing van het kloosterleven in Friesland begint met de twaalfde eeuw. Dat is eindelijk de tijd waarin het kloosterleven in Friesland een voorname plaats krijgt. We mogen, geloof ik, wel zeggen dat de vernieuwing is uitgegaan van de Benedictijnen, maar de diepere oorzaak moet wel zijn geweest dat er in Friesland in die tijd een geestelijke opleving is geweest onder het volk. We zien dat niet in Friesland alleen. Het is de tijd van de Begijnenbeweging in het Zuiden van ons land, van Hadewych en Beatrijs, van Maerlant en van Boendale, een besef bij de opkomende en sterk oplevende derde stand dat zij ook tot geestelijk leven geroepen zijn.

Er komen nieuwe mensen in de kloosters, het volk spreekt mee in de kerkelijke zaken en uit zich over wat hun daar niet aanstaat. De kruistochten brengen idealen naar voren waar grote offers voor moeten worden gebracht. De ridders moeten mannen zijn, willen de lieden uit het opkomende volk hun niet de baas worden, de mannen uit het volk willen voor de ridders niet onderdoen. Er komt weer wedijver en leven.

Dat krijgt zijn weerslag in het kloosterleven. Wij zien in deze tijd in de Roomse Kerk een vernieuwing van de kloosters door de opkomst van twee nieuwe Orden en daardoor hervorming in de bestaande. De nieuwe Orden zijn de Cisterciënzers en de Premonstratenzers. We mogen wel zeggen dat de eerste het oude ideaal van de Benedictijnen, de tweede dat van de Reguliere Kanunniken op nieuwe paden nastreven. Ze kregen al spoedig een grote verspreiding maar door hun opbloei kwamen ook de oude kloosters van Benedictijnen en Regulieren tot nieuwe fleur. We kunnen niet zeggen, dat de Cisterciënzers naar Friesland moesten komen om de Benedictijnen nieuw leven in te blazen. Al lang voordat de Cisterciënzers hier kwamen blijkt al van een opleven van de Benedictijnen. Het klooster van Stavoren van de Reguliere Kanunniken wordt door de Benedictijnen overgenomen, het klooster van Ameland wordt overgebracht naar Foswerd, terwijl in Smalle Ee in Smallingerland later – naar het schijnt, men weet niet in welke tijd, maar het vindt plaats onder de oudere kloosters – daar nog een derde klooster of abdij bijkomt. Van deze kloosters worden twee als zogenaamde dubbelkloosters genoemd, d.w.z., dat er naast de Benedictijnen ook Benedictinessen waren. Dat was goed bedoeld en ze leefden streng gescheiden, maar op den duur heeft dat zo – niet in Friesland, daar bestaan geen aanwijzingen voor – maar op andere plekken hier en daar tot misbruik geleid en is er verandering in gebracht en is voor de vrouwen een geheel afzonderlijk klooster ingeruimd, wel bediend door enkele Paters, maar die woonden erbuiten. In Friesland is het klooster Foswerd later een mannenklooster, terwijl het klooster Smelne[2] een vrouwenklooster werd. Dit laatste had de bediening van een Abt, vaak ook slechts een prior die met enkele Paters in Vlierbos woonde, een paar kilometer meer westelijk. Deze abt was dus niet Abt over Benedictijnen, maar over Benedictinessen. Hun klooster was wel een abdij, maar ze hadden geen abdis, wél een priorin voor het dagelijks bestuur van het huis. Daarmee is de invloedssfeer van de Benedictijnen in Friesland niet volledig bepaald. Enkele buitenlandse abdijen hadden hier ook zeggenschap. Zo was in Leeuwarden Oldehove zowel als Nijehove in handen van de Benedictijner abdij van Corbey in Westfalen, terwijl Achlum, Arum, Witmarsum, Kimswerd en Pingjum onder de Benedictijner abdij Sint Paulus te Utrecht stonden. Schoengen vermoedt – hij zegt niet op welke gronden – dat de abt van Prüm patronaatsrecht had over Schingen en Tzum. Maar Schingen staat al in 1132 op de lijst van Stavoren en later weer in 1243. Mogelijk is er een relatie tussen Prüm en Stavoren en heeft Prüm, dat zo ver weg lag, zijn rechten op Stavoren overgedragen. De abdij van Stavoren had, zoals we al hebben gezegd, wel twintig kerken te verzorgen en was de hoofdkerk voor heel Zuidergo, met kerken en kapellen ook in het verdronken, nu weer vrij te maken, land bezuiden Frieslands zuidkust in Ruthne, Nagele, Emeloord en andere plaatsjes. Wij willen hopen dat daar nu weer wat van aan het licht komt, als de Noordoostpolder droog is en bij Friesland is gekomen.

De abdij van Stavoren had bovendien nog een proosdij in Hemelum. Wat moeten we daaronder verstaan? Het komt mij voor, dat Stavoren daar zijn Benedictinessen had met enkele Paters die de bediening van de zusters waarnamen. In 1495, toen de abdij van Stavoren al te veel van het water te lijden kreeg, is de abdij met al zijn titels en rechten overgebracht naar Hemelum en hebben de zusters, als die er nog waren, plaatsgemaakt voor de Paters. Dan resideert de abt van Stavoren te Hemelum en is de abt van Hemelum geen ander dan de Abt van Stavoren. De Friesche Volksalmanak van 1898 schrijft, maar ik weet niet op welke grond, dat Hemelum aanvankelijk een nonnenklooster was. De benaming ‘proosdij’ wijst daar evenwel ook op. Daar was een pater geen Abt of prior, maar praepositus. Was het een mannenklooster geweest, dan was het een prioraat of abdij geworden.

Dat de kloosters van Friesland bij de Congregatio van Cluny gekomen zijn, blijkt niet, maar de invloed van de hervorming van Cluny is er duidelijk te zien. Zoals bekend is, werd de hervorming van Cluny voor de Duitse kloosters vooral bevorderd door de zogenaamde Constitutiones van Hirsau, door de zalige Wilhelm von Hirsau naar die van Cluny opgesteld, met inachtneming van de Duitse gebruiken. De voor deze regionen leidende abdij van Fulda nam deze gebruiken van Hirsau over en, al vormde het niet precies een Congregatio, in 986 werd aan Fulda al de titel gegeven van Primas van de Benedictijnen in Duitsland en Gallië gegeven en kon hij de Abten bijeenroepen om onder zijn leiding de belangen te bespreken. En wij weten, dat regelmatig de abten van deze streken in de twaalfde en dertiende eeuw onder zijn leiding bijeenkwamen.

Een heel bijzondere nieuwe bepaling bij de hervorming in de Benedictijner orde moet hier nog besproken worden: de instelling van het instituut van de lekenbroeders of conversi.

Vóór die tijd kende men die niet bij de Benedictijnen en had men wel knechten voor het werk, maar waren de Paters of ‘geestelijken’ overal verantwoordelijk voor. Om zich meer van de omgang met de wereld af te sluiten ging men over tot het opnemen van ‘lekenbroeders’, volwassen mannen die zich aan de abdij schonken om daar als voor zichzelf werk te verrichten en tegelijkertijd kloosterlijk te leven. Het gaf aan het kloosterlijk leven meer eenheid. Het werk moest toch gedaan worden. Men had daarvoor dan geen vreemden meer in huis, maar eigen volk; geen ‘geestelijken’ in de gewone betekenis, maar toch mannen die met het klooster meevoelden, eenzelfde ideaal hadden van omgang en leven met God. Dat kon, toen er onder het volk meer roeping tot een geestelijk leven kwam. En zover was het een bewijs dat de volkskracht groter was geworden. Mannen die toch in arbeid een bestaan zochten, wilden dat werk heiligen door het te doen in dienst van God zonder zucht naar geld of bezit, zonder vrouw of kinderen, in onderlinge afhankelijkheid. De Constitutiones van Hirsau kennen, naast de conversi die de geloften afleggen, ook nog oblati en wel in vorm van pueri oblati – jongens die aan het klooster werden toevertrouwd om hen op te voeden, vaak ook tot kloosterling, al was dat niet vanzelfsprekend – maar ook in de vorm van ‘huisknechten’ zonder geloften en zonder Ordekleding. Deze laatsten hoorden eigenlijk niet bij het klooster en woonden niet bij de kloosterlingen, al verbleven ze ook in hetzelfde huis. Ze stonden afgezonderd. Naast zulke ‘inwonende oblaten’ die het beste huisknechten kunnen noemen, waren er ook ‘uitwonende oblaten’ die in hun huizen bleven en daar voor de Orde werkzaamheden deden of een deel van hun inkomen afdroegen aan het klooster of alleen maar geestelijke leiding kregen.

Vooral door het instituut van de ‘conversen’ kreeg het werk op het land in de Friese abdijen veel meer betekenis en mogelijkheid. Dat werd nog sterker doordat de Cisterciënzers hen in de eerste plaats voor dat werk aannamen, maar daarover later. Door de instelling van het instituut van de conversen kwam er voor de priesters meer tijd vrij en werden ze door de vernieuwde statuten ook meer aangewezen voor studie en wetenschappelijk werk.

Als wij nu de Benedictijnen in Friesland overzien, dan hebben wij twee abdijen van mannen, Stavoren en Foswerd, een abdij en een proosdij voor vrouwen, waarbij vanzelfsprekend ook enkele Paters verbleven voor de geestelijke bediening, verder een goede dertig parochies die onder hun leiding stonden. De abdijen van Stavoren en Foswerd hebben in dit verband de sterkste invloed, maar wij mogen de andere centra van hun werkzaamheden toch niet onderschatten. Van Smelne weten wij dat het niet zonder invloed was in het Leppaverbond[3].

Naast de Benedictijnen komen evenwel in de twaalfde eeuw hun grote navolgers en halfbroers, de Cisterciënzers, van wie het oudste klooster in heel Nederland rond 1186 bij Rinsumageest als ‘Claerkamp’ is gesticht. Deze orde heeft wel heel bijzondere betekenis voor Friesland. Hun abdijen Claercamp bij Rinsumageest, Bloemkamp bij Bolsward en Gerkesklooster op de grens met Groningen, zijn door hun macht en invloed bekend.

Dat komt misschien ook wel omdat de Cisterciënzers het leven het sterkst op het eigen klooster centraliseerden. Ze wilden geen kerken om die te bedienen, de monniken dienden in het klooster te blijven. Dat ze op hun bezittingen hier en daar een kapel of misschien ook kerk hebben bediend, kunnen de omstandigheden hebben meegebracht, het was geen doel of regel.

Hun kloosters streefden feller naar afscheiding van de wereld. Ze bleven thuis en deden daar hun werk en het kon zo wel niet anders, waar zij bovendien weer sterk de nadruk legden op het lichamelijk werk, dat zij in landbouw en veehouderij hun kracht zochten en heel wat land omgezet en vruchtbaar gemaakt hebben. Zij waren de grote mannen die relaties hadden in het buitenland en daarvandaan plannen en werkwijzen kenden die hier minder bekend waren. Zij brachten hier het boerenbedrijf vooruit en gaven de toon aan. In hun regels was voorzien dat de grond die ze te bewerken hadden zover van huis lag dat zij niet regelmatig allemaal alle dagen konden thuiskomen. Ze hadden grangiae of ‘uithoven’ waar de conversen konden overblijven om vaak alleen maar zondags en soms niet eens alle zondagen in het klooster te komen. Die organisatie van het landbouwbedrijf heeft gemaakt dat wij hun veel dank te brengen hebben voor het voor Friesland zo gunstige werk van grondontginning en grondaanwinning, maar men begrijpt dat die uitbreiding van het klooster over een stuk of wat uithoven ook gevaren had voor het geestelijk leven. Zij hoorden wel bij het klooster. Die lekenbroeders hadden ook eerst een halfjaar proeftijd, dan een jaar noviciaten deden, dan de gelofte van gehoorzaamheid aan de abt – en in die gelofte lagen de andere twee besloten – maar de geschiedenis heeft laten zien dat op den duur dat instituut van Conversen, zoals de Cisterciënzers dat toepasten, deze lekenbroeders te veel buiten het kloosterlijke leven hield en tot een verwijdering daarvan leidde. Dat zegt evenwel niet dat het niet lange tijd voortreffelijk werk heeft gedaan en wij daaraan niet veel te danken hebben. In het begin van de vijftiende eeuw is het weer afgeschaft maar toen had het, voordat misbruiken het aantastten, al veel goeds gedaan.

Voor de orde van de Cisterciënzers heb ik grote eerbied. De grijze monniken leefden streng en eenvoudig, het werk werd er geëerd. Ook de priesters moesten uren werken, bijna alle uren die het lange bidden in het koor daarvoor vrijliet. Wij moeten bij hun niet de beoefening van de wetenschap, van de kunst, zoeken; ze zijn te vergelijken met de Trappisten van heden ten dage. Dat wil niet zeggen dat hun kloosters geen forse bouwwerken zijn geweest; ze bouwden zelf en hadden vaak de beste vaklieden, maar het leven en het huis: alles moest sober en eenvoudig zijn. Door de sterke centralisatie van alles op het eigen huis groeiden de Cisterciënzerabdijen mede uit tot de grootste en meest uitgebreide. Het werd een heel complex van gebouwen waarvan de kerk het centrum en steeds het voornaamste en hoogste bouwwerk was. Men denkt, dat ze ons de zadeldaktorens hebben gebracht die in hun eenvoud zo goed de geest van de Cisterciënzers weergeven, maar zeker is men daarover niet. Dat zij zich lieten inspireren door buitenlandse motieven, weten we van Klaarkamp, waarvan de monniken naar Cîteaux togen om daar een model voor het bouwen van hun kerk te halen. Het is bekend hoe hoog het ascetische leven bij de Cisterciënzers stond. Hier bloeide de geest van de heilige Bernardus. Wij hebben geen geschriften of levensverhalen van de Friese Cisterciënzers, maar wel van die uit de Zuidelijke Nederlanden en daaruit zien we welk een heerlijke, innige geest daar vooral in de dertiende eeuw leefde in de Cisterciënzer kloosters en mogelijk nog meer in die van de Cisterciënzerinnen. Want naast de mannelijke kloosters kennen we ook vrouwelijke die, met wat vrouwelijk handwerk, al helemaal op bidden en zingen in de koordienst waren aangewezen. Klaarkamp stichtte al spoedig zo’n nonnenklooster en wel te Niawier, Onze Lieve Vrouw ten Dale: Vallis Beatae Mariae Virginis. Men stelt de stichting vóór het jaar 1191.

Een paar jaar later stichtte het een tweede nonnenklooster, Nazareth te Gernawert[4] onder Hallum. Bloemkamp had zijn nonnenklooster in Nijeklooster, ook Aula Dei genoemd, gesticht naar men meent in 1228. Er was ook nog een Cisterciënzer nonnenklooster in Nes, waarvan de Duitse Ridders, die daar hun Commanderij hadden, de bediening hadden totdat die in 1510 aan abdij Bloemkamp kwam. Mogelijk is het gesticht door een andere Cisterciënzer abdij van elders die de bediening daarvan niet zo best zelf kon waarnemen en het daarom overliet aan de plaatselijke geestelijken, te meer omdat het toch ook kloosterlingen waren. Jeruzalem of Gerkesklooster bij Sint Augustinusga stichtte een nonnenklooster onder de naam ‘Galilea’ te Burum. Daar was uiteindelijk nog een Cisterciënzerinnen-klooster onder Harich met de naam ‘hospitael’ dat evenwel niet lang bestaan schijnt te hebben. Het wordt in de veertiende eeuw genoemd, maar komt in de vijftiende eeuw op de lijsten niet voor. Drie grote abdijen en zes nonnenkloosters in het kleine Friesland zeggen ons dat de Cisterciënzers hier hoog in aanzien hebben gestaan. Vooral dat er zes nonnenkloosters konden worden gesticht voor geheel contemplatief leven, geheel ingesteld op de omgang met God, zegt wel dat er een innige, diepe geest van godsdienstigheid leefde. Men moet deze nonnenkloosters ook niet onderschatten voor het geestelijke leven van de mannenkloosters die weer de leiding hadden over de nonnenkloosters en zich daarop moesten instellen. Ze hielden elkaar in de geest van de Orde omhoog en spiegelden zich aan elkaar. Er mag later een tijd gekomen zijn van verval, men moet [dat] niet te hoog aanslaan. Wanneer het verkeerd gaat, praat men erover. Wanneer het goed gaat, vindt men het gewoon en zwijgen de documenten daarvan. Zo blijft het verkeerde vaak beter in de geschiedenis vastgelegd dan het goede, maar de organisatie van de Orde, de regelmatige visitaties, staan ons eeuwenlang borg dat het ascetisch leven in Friesland hoog stond, dat het zoveel contemplatieve kloosters in stand gehouden heeft, alleen al van de Cisterciënzerorde.

Overigens niet alleen omdat ze ons zes nonnenkloosters hebben geschonken prijzen wij de Cisterciënzers in Friesland, wij prijzen hen ook omdat ze zelf meer dan vier eeuwen een mooi geestelijk leven hebben verbonden met het in cultuur brengen van een groot deel van Friesland en met hun spreuk van bidden en werken, ora et labora, een voorbeeld zijn dat nog altijd aanspreekt. Jeruzalem of Gerkesklooster wordt geroemd om het dijkwerk rond de Lauwers, waar de monniken de zee bedwongen en een groot stuk land aan de zee ontworstelden. ‘Klaarkamp’ in de ‘Geest’[5] zegt al, dat het vooral aan dit klooster toe te schrijven is dat de geestgronden eromheen vruchtbaar land zijn geworden. Van Bloemkamp is ook werk op landbouwgebied en bruggenbouw bekend. Wij kunnen er hier niet op ingaan. Wij moeten nog wel meedelen dat, al waren de Cisterciënzers niet ingesteld op het stichten van kerken en parochies, er toch enkele kerken van hun afhankelijk waren, gewoonlijk in de directe omgeving; en slechts enkele. Bloemkamp had de meeste: het dorp Hartwerd, waar het klooster lag, verder Scharnegoutum, Waaxens, Jorwerd, Tzum en Schingen. Het had nog een kapel in Ogo– of Ugoklooster, één van de uithoven, later overgegaan naar de Tertarissen. Van Klaarkamp vinden wij slechts twee kerken opgegeven, een in het dorp Rauwerd, een tweede op het eiland Schiermonnikoog waar ze een uithof hadden en de kerk wel mede moesten bedienen. Hun uithof op dit eiland zegt voldoende dat ze daar ook een gevecht tegen het water hebben gevoerd en er heel wat land vruchtbaar hebben gemaakt. De huidige Schierstins was ook een uithof van Klaarkamp. Op het oudste kloosterlijstje wordt ook nog gesproken van Cisterciënzers in Schraard of Scadawert, terwijl men er later niet meer over spreekt. Het is mogelijk dat men hier met de stichting van een klooster begonnen is, maar het meest waarschijnlijke is, dat hier ook een uithof bedoeld is die wat meer was dan gewoonlijk maar dat die later in verval is geraakt.

Op één omstandigheid menen wij nog te moeten wijzen en dat is, dat de stichters van Klaarkamp en Bloemkamp – en van beide kloosters ook nog één van de kloosterlingen – in de geschiedenis van de Orde waarvan ze lid zijn, aangeschreven staan als zaligen, d.w.z., als mannen die meer dan gewoon, ja, op buitengewone wijze in omgang met God en in dienst van God hebben geleefd. Van de stichter van Klaarkamp wordt nadrukkelijk gezegd, dat vele jongemannen vanwege de roep van zijn heiligheid naar Klaarkamp of Bloemkamp gingen, zozeer trok zijn heilig leven hen.

Tot slot moeten wij nog meedelen dat, net als bij de Benedictijnen, ook bij de Cisterciënzers veel werk werd gemaakt van de gastvriendelijkheid. Voor zichzelf uiterst sober, wilden zij dat de gast die bij hen kwam het aan niets ontbrak. Het was spreekwoordelijk dat aan de kloosterpoort iedereen welkom was en dat zij daarmee een heerlijke traditie in Friesland ingang hebben laten vinden. Er was een aparte gastenmeester en voor de gasten werd afzonderlijk gebouwd.

Na de Cisterciënzers komt als vierde grote Orde naar Friesland de Premonstratenzers of Norbertijnen, ook Witheren genoemd, Albi. Hun komt ook een voorname plaats toe.

Wat de Cisterciënzers voor de Benedictijnen zijn geweest, waren de Premonstratenzers voor de Reguliere Kanunniken. Met hen komt weer een geheel nieuwe kloosterlijke omgeving in Friesland. Het doel van de heilige Norbertus was aanvankelijk in het geheel niet een nieuwe Orde te stichten, maar deze is gaandeweg aan zijn werk ontsproten. Zijn doel was de heiliging van de zielszorg en van de geestelijken die daaraan verbonden waren. Zijn instituut maakte geweldige opgang en in verschillende landen heeft het tot vernieuwing van de geestelijke zielszorg geleid. Het was een beweging van vernieuwing en hervorming die in de kloosters van de Premonstratenzers haar centra had doordat vandaaruit grote invloed op het leven van de priesters in de wereld uitging, maar ook doordat mannen van die kloosters de zielszorg in verschillende parochies overnamen of [doordat] de abdij benoemingsrecht kreeg bij de aanstelling van nieuwe pastoors. De Premonstratenzers hadden een heel andere opvatting van het kloosterleven als tot dan gebruikelijk was. Hun opzet was, de heiliging van de zielszorg, terwijl tot nu toe de eigen heiliging voorop stond en de zielszorg door de monniken meer werd beschouwd als niet te mijden waar ze hun bezittingen hadden. Het was voor de oude kloosters steeds min of meer als een gevaar beschouwd en ook wel een gevaar geweest, omdat ze er niet op berekend waren. De Premonstratenzers zoeken de zielszorg en het preken en het biechthoren buiten het klooster. Ze vormen een overgang naar de latere bedelorden die dat nog sterker op hun programma hadden. Hun werk buiten het klooster in eigen of andere parochies maakte dat ze hoog in aanzien kwamen en hun kloosters zeer gezocht werden. Geen orde kwam tot zoveel en tot zo grote kloosters in Friesland. Al stonden de Cisterciënzers mogelijk hoger in rijkdom van land en daardoor in invloed in het bestuur, de Premonstratenzers winnen het, lijkt mij toe, in menigte van roepingen tot het kloosterleven. De Premonstratenzers hadden, evenals de Cisterciënzers, drie grote abdijen in Friesland. De eerste was Mariëngaard, in 1160 door de Heilige Fredericus – of, op zijn Fries: Feike – bij Hallum gesticht. Het ging uit van de bekende Rijnlandse abdij van Steinfeld, waarmee het ook verder betrekking onderhield. Was de stichter een heilige, in de wijde omtrek als zodanig bekend, onder de latere abten vinden wij een heilige Siardus, aan het eind van de vijftiende eeuw een Jacob van Zeeland die weliswaar niet als heilige in de kerk wordt vereerd, maar bij het volk de roep van een heilige had.

Hun tweede abdij was Dokkum die ze overnamen van de Reguliere Kanunniken, die daar in verval waren geraakt, en onder hun leiding tot nieuwe bloei kwam, zodat er later, evenals in Mariëngaard, zelfs meer dan vierhonderd tot de kloosterfamilie gerekend werden. Een derde abdij, ook overgenomen van de Reguliere Kanunniken die er een klein kloostertje hadden dat geen opgang maakte, stond te Lidlum bij Tzummarum. Deze abdij die, naar het schijnt, de grootste werd, is vooral bekend door de zalige Eelco Liauckama, die er vermoord werd toen hij bij een van de zes uithoven die dit grote klooster had, orde op zaken stellen wilde. Een paar conversen, die niet wilden luisteren en door hem waren bestraft, lieten dat niet op zich zitten en maakten hem uit wraak dood. Is dat een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Lidlum, het laat ons zien, dat de abt voor misbruiken niet aan de kant ging en er zijn leven voor over had om regel en statuten hoog te houden. De verering waarin Eelco stond laat ons bovendien zien dat men daar eerbied voor had.

Naast de drie abdijen voor mannen waren er ook verschillende kloosters van vrouwen. Mariëngaard had al in de dertiende eeuw een vrouwenklooster op ‘Bartlehiem’, of Bethlehem, bij Âldtsjerk of Oudkerk.

Dokkum had wel twee vrouwenkloosters, een vlakbij Dokkum onder de naam ‘Sion’ – volgens de laatste hypothese van Theunissen het klooster dat gebouwd is op de plek waar Bonifatius vermoord werd – en ‘Veenklooster’, ook Olijfberg of Berg van Onze Lieve Vrouw genoemd, onder Oudwoude.

Van Lidlum stamt het ‘Buweklooster’, gesticht door een broer van de stichter van Gerkesklooster, terwijl het ook nog een proosdij had te Pingjum die later naar Bolsward overgebracht werd, waar de Begijnenstraat de herinnering nog van bewaart. Het hield in Bolsward de naam die het in Pingjum al had van Vinea Domini, of Wijngaard des Heren. Als derde komt nog Michielsberg bij Winsum.

We zeiden al dat Lidlum zes uithoven had. Ook de andere abdijen hadden uithoven. Onder die van Mariëngaard is vooral die van Bakkeveen, onder de naam ‘Mariënhof’, of Curia Beatae Mariae Virginis bekend, terwijl onder die van Lidlum nog een bijzondere plaats wordt ingenomen door Tzum, waar Lidlum een uithof maakte van het vervallen klooster van Magdalenazusters dat daar stond.

Zo zien wij bij de Premonstratenzers, naast drie abdijen, ook zes vrouwenkloosters.

Dat de Premonstratenzers ook nogal wat kerken bedienden of over de bezetting van hun bediening zeggenschap hadden, kan men wel afleiden uit hun bijzondere roeping daarin beter te voorzien. Wij zien dan ook dat hun abdijen over heel wat kerken institutierecht hadden en in veel parochies de bediening van de kerk aanhielden. Over Mariëngaard hebben we daarover niet veel bericht. De kerken van Bakkeveen en Rijpskerk waren ervan afhankelijk en zij kreeg in 1300 ook het patronaat over Oldehove van Leeuwarden; van Dokkum waren de kerken van Dokkum zelf, van Roodkerk, Westergeest [en] Engwierum afhankelijk, terwijl haar de helft van de inkomsten van Holwerd toekwamen. Maar van Lidlum is het een hele lijst: Tzummarum, waarbinnen de abdij lag, het hele dekenaat Winsum, Hoorn op Terschelling, Sexbierum, Spannum, Berlikum, Menaldum, Bozum, Lutkewierum, Tuutgum, Welsrijp, Baijum, Huins, Baard, Oosterlittens, Britswerd, Wieuwerd en in Holland de kerken van Zandwijk.

Alhoewel de Premonstratenzers niet, zoals de Cisterciënzers, zich erop toelegden land te ontginnen, hebben ze in Friesland door de uitbreiding van hun bezittingen toch grote verdiensten op dit gebied en hebben ze vooral in het Noorden van Friesland, met name in het Bildt, daarvoor heel wat gedaan.

Hun leven in het klooster was nog streng liturgisch en lijkt daarin nog veel op dat van de oude monnikenorden voor wie de koordienst bovenaan stond. De studie was in Mariëngaard zo goed dat de jonge Premonstratenzers van Steinfeld daarnaartoe kwamen voor opleiding. Dat heeft de in de legende zo bekende zalige Herman Joseph van Steinfeld naar Mariëngaard gebracht. De werken van Emo en Menco, weliswaar niet in Friesland maar in Bloemhof in Wittewierum in Groningerland, zeggen ook dat deze abdijen de studie hooghielden.

De grote opbloei van de Premonstratenzers schonk ook nieuw leven aan de Reguliere Kanunniken in Friesland. Al gingen de abdijen van Dokkum en Stavoren en later ook nog het prioraat van Lidlum voor hen verloren, op twee plaatsen kregen ze weer abdijen van betekenis, eerst Lúntsjerk of Ludingakerke onder Harlingen en Bergum in Oostergo. Het oude instituut had een grote hervorming ondergaan. Wat in oude tijden tot verval en ontbinding aanleiding had gegeven, werd veranderd. Ze deden nu ook de gelofte van armoede, d.w.z., ze zagen af van eigen geld en inkomsten, terwijl het leven door de verandering van de toestand van de kerk in Friesland ook veel meer op de abdij gecentraliseerd kon worden en de koordienst meer algemeen gehouden kon worden. Het waren nu centra van liturgisch leven waar de koordienst en de kerk de glorie werden van het huis. Minder streng dan de Benedictijnen, leek hun leven in het klooster daar toch veel op, maar ze hadden grotere vrijheid van beweging naar buiten, waren meer ‘heren’-kanunniken. Onder hen zullen bijna vast en zeker meer adelijken zijn geweest. Ze waren voornamer, wat niet zegt dat ze rijker waren. Niettemin verkregen beide abdijen rijke bezittingen. Al moeten wij in het begin van de vijftiende eeuw vooral in Ludingakerke vaststellen – het is weer een eer voor de abdij – dat zij onder invloed van de Windesheimers weer tot nieuw leven kwamen en zich bij het kapittel van Windesheim hebben aangesloten en daarvan de strengere observantie overnamen. Dit gebeurde toen Thomas van Kempen en zijn broeders van de Sint Agnietenberg bij Zwolle in Ludingakerke een onderkomen vonden, toen zij uit hun klooster moesten vanwege het Utrechtse Schisma bij de niet-bevestiging van Rudolf van Diepholt die daar tot bisschop gekozen was.[6]

Behalve Ludingakerke en Bergum, zijn er ook beginnende kloosters van Reguliere Kanunniken en Kanunnikessen geweest in Lidlum en Smalle Ee, maar het eerste is al spoedig door de Premonstratenzers, het tweede door de Benedictijnen overgenomen.

Naast Ludingakerke en Bergum komt als derde klooster Haskerdijken. Dit was in het begin wel een dubbelklooster, maar zó dat de mannen in het oude huis, dat in Westergo lag, en de vrouwen in het nieuwe huis in Oostergo woonden. Hoe de verhouding precies is geweest, is nog een vraag. Later zijn de vrouwen, naar het schijnt, naar Anjum gegaan en hebben de mannen het nieuwe klooster Haskerdijken gekregen. Zo staat het in de vijftiende eeuw bekend.

In de vijftiende eeuw kwam er na de vernieuwing door Windesheim nog een vierde klooster bij, en wel het klooster Thabor te Tirns bij Sneek, bekend door enkele schrijvers over de Friese geschiedenis, Worp en Peter van Thabor.

De vrouwelijke tak van deze Orde, die eerst wel in afzonderlijke afdelingen bij de mannenkloosters ingewoond schijnt te hebben, kreeg later een eigen klooster in Anjum, dat afhankelijk was van de Martinusabdij in Ludingakerke.

De Ludingakerker abdij raakte aan het eind van de vijftiende eeuw in verval en werd overgebracht naar Achlum, dat onder de abdij hoorde. Het oude klooster werd in 1516 verwoest. Het was op het laatst eindelijk geen abdij meer. Bij de overgang naar het kapittel van Windesheim en het aannemen van de hervorming had de Abt zijn titel afgelegd en was het klooster verder een prioraat. Toch leefde de naam van het klooster verder als abdij. Haskerdijken en Thabor zijn nimmer abdijen geworden. Bergum hield evenwel zijn Abt aan.

Een heel ander gezicht heeft een andere groep van kloosters, die van de Ridderorden. Wij moeten daar in Friesland twee van onderscheiden: de Duitse Ridders en de Johannieters.

Het zijn kruistochtinstellingen en zullen wel door kruisvaarders uit Friesland naar Friesland zijn overgebracht. Hun eerste doel is wel geweest steun te verlenen aan het werk ter herwinning van het heilige land voor de Kerk, maar verder hier in Friesland voort te zetten wat ze in het heilige Land begonnen waren. Zo werd de verzorging van zieken een voornaam punt van hun programma en richtten zij hospitalen op. Maar ze ondersteunden ook kerken en de Duitse Ridders namen later, door het steunen van zendelingen en kolonisten, ook een groot aandeel in het missiewerk in Litouwen en Pommeren. Die missiegeest stond in de Orde voorop. De Johannieters, later de Maltezer Ridders, hadden al in 1206 hun hospitaal in Sneek, waarin ook zusters werkzaam waren. Door hun bezittingen te Sneek en te Bolsward, en ook in Oppenhuizen, hadden zij daar ook de bediening van de kerken en zo zien wij deze Orde een vrij grote invloed hebben in dit hart van Friesland. Hun Commanderij, de Sint Jansberg bij Sneek, was niet alleen als hospitaal van betekenis, het had ook heel wat te zeggen op kerkelijk en maatschappelijk gebied.

De Duitse Ridders hadden hier twee huizen, een te Nes en een te Oudeschoot of Âldskoat. Bij hen wordt in de oude stukken niet over zusters gesproken. Ze hoorden bij de zogenoemde Balije van Utrecht. In hoeverre zij deel hebben gehad aan het werk van deze Balije voor de bekering van Litouwen, enz., kunnen wij niet vaststellen. De Commanderij van Nes en het hospitaal van Oudeschoot hadden ook uitgebreide bezittingen die hun ook weer recht gaven op de bediening van kerken en de benoeming van pastoors. Ook hier weer grote invloed zowel op kerkelijk als op maatschappelijk gebied.

Wij moeten ons evenwel niet voorstellen dat met deze instellingen van twee ridderorden Friesland ook geestelijke ridders had. Wij horen daar niet van. De bewoners zijn priesters en zogenoemde sergeant[s] of sergeant-broeders, lagere broeders die in de regel niet van adel waren. De nadruk lag hier helemaal op de verzorgen van zieken en het geestelijke werk van de Orden. Ze zijn hier meer kloosters dan ridderhuizen. Maar in deze instellingen neemt het klooster alweer een meer maatschappelijke plaats in. Hoe langer hoe meer zoekt het kloosterleven naast de dienst van God de dienst van de mensen. Bij de Reguliere Kanunniken en de Benedictijnen het minst, bij de Cisterciënzers wat meer, maar in de eerste plaats stoffelijk door hun werk ten dienste van de maatschappij, de Premonstratenzers weer wat meer maar meer in het geestelijke, in de zielzorg, de beide Ridderorden veel meer, stoffelijk door verzorgen van zieken, geestelijk door priesterarbeid; en niet alleen hier, maar ook in den vreemde.

In de dertiende eeuw komt weer een geheel nieuw kloostertype op. Het is de eeuw van de opkomst van de zogenoemde bedelorden, de mendicantes. Tegenover de grote, rijke abdijen waar het volk heen kon gaan, maar waar de monniken niet uit kwamen, althans niet als regel, kwamen er nu kleine kloostertjes met mannen die van alle bezit afstand deden en van giften en gaven van het volk leefden. Ze bleven niet thuis, maar hun roeping was juist de wereld in te trekken, te preken, catechismus te geven, biecht te horen, overal waar de pastoors er geen tijd voor hadden of het aan hen over wilden laten. Ze kenden geen stabilitas loci, d.w.z., ze bleven niet op de plek waar ze in het klooster traden, de kloosters stonden met elkaar in verbinding en de kloosterlingen zaten dan hier, dan daar. De oversten waren dat niet voor het leven, maar voor een paar jaar. Dan moest weer een ander het klooster besturen, alles om veel vrijer in het werk, veel losser van de wereld, veel beweeglijker en ten dienste van het volk te zijn. Hun instituut heeft een ongelooflijke opgang gemaakt. In korte tijd had elke streek zijn klooster van deze priesters voor het volk, van wie het volk niet afhankelijk was, maar die door hun armoede van het volk afhankelijk waren of wilden zijn. Waar ze werkten, mochten ze ook gaven inzamelen. Elk klooster had zijn eigen ‘termijn’. De terminarii preekten en deden daar hun priesterlijke werk en hielden hun rondgang voor hun onderhoud.

De heilige Franciscus van Assisi heeft hiertoe de belangrijkste aanzet gegeven. Zijn Ordebroeders zien wij omstreeks 1260 tot 1270 al in Bolsward. Later komt er ook in dit instituut verval en verflauwen de mooie beginselen, maar dan komt er ook weer nieuw leven. In de vijftiende eeuw haalt Pater Brugman in deze streken de oude geest weer terug. Hij doet zijn mooie werk ook in Bolsward en door heel Friesland. Hij krijgt te Leeuwarden een tweede klooster van die Orde. Wij weten dat Brugman niet alleen als priester geloofs– en zedepreken hield, maar dat hij ook veel heeft gedaan om hier vrede te brengen tussen de partijen die elkaar op het felst bevochten en [dat] hij, door het stadsrecht van Bolsward te regelen, ook betere maatschappelijke omstandigheden wist te brengen. Men heeft wel eens gevraagd, of zulks wel op de weg lag van een kloosterling, maar wij moeten de tijden begrijpen en inzien dat in die tijd het optreden van een man als Brugman, juist als arme kloosterling die zich aan geld en bezit niets gelegen liet liggen, buitengewoon geschikt was om onpartijdig in te grijpen.

De tweede bedelorde die naar Friesland kwam, was die van de Predikbroeders, Dominicanen, naar hun hoofdklooster in Parijs ook vaak Jacobijnen genoemd. Zij vatten de armoede niet zo streng op als de Franciscanen, maar hun standpunt als kloosterlingen was niettemin hetzelfde. Ze waren ook meer de geleerde geloofsverdedigers die vooraan stonden in de theologische wetenschap. Onder hen heeft vooral Cornelius van Sneek een grote naam. Hij was lange tijd Professor in Rostock en onder zijn bestuur heeft vooral in de vijftiende eeuw, die in het begin wel een eeuw van verval was, een Hollandse hervorming grote invloed gehad. Hij geldt als een van de hoofdpersonen van de Congregatio Hollandica in die Orde. Het Dominicanenklooster is in Friesland het oudste van de bedelorden. De stichting schijnt al in 1228 ingeleid te zijn, maar toch eerst in 1245 haar beslag te hebben gekregen. Men heeft hen daar naar hun kleding ‘de bonte papen’ genoemd, een naam in een van de straten van Leeuwarden nabij hun oude kerk, nu de Grote Kerk van Leeuwarden, bewaard. In 1509, dus veel later, kwam er een klooster van de zusters Dominicanessen bij. De derde bedelorde die in Friesland kwam, was die van de Karmelieten of Lievevrouwebroeders omdat zij vooraan stonden in de verering van Maria. In 1336-1339 kwamen ze naar Woudsend en vijftig jaar later kregen ze er de bediening bij van de parochie van IJlst. Daar kwam toen hun tweede klooster. Het klooster van Woudsend heeft in Prior Joannes a Leidis niet alleen een bekende historicus aan het hoofd gehad, maar deze is ook bekend omdat hij erin slaagde het klooster omstreeks 1460 weer in de observantie te bevestigen en tot nieuwe bloei te brengen. In het klooster van IJlst leefde de Friese historicus Martinus van IJlst.

Wij kunnen in de leden van deze bedelorden de mannen zien die in de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw vooral onder de Friese volk gewerkt hebben, veel meer dan de leden van de oude Orde van monniken voor wie het klooster de vrijwel uitsluitende plaats van werkzaamheid was. Het volk moest daar bij hen komen en kwam er ook, maar de rondtrekkende mannen van de bedelorden kwamen overal, nu in deze, dan weer in die parochie. Ze waren, hoewel veel geringer in getal, met veel meer krachten onder het volk werkzaam en daardoor van grote invloed. Het spreekt vanzelf, dat hun levensopvatting het liturgische leven niet meer zo tot zijn recht liet komen. Het koor[gebed] werd wel gehouden, maar veel eenvoudiger en korter, de uren meer samengevoegd. Zo bleef er meer tijd over voor het buitenwerk.

Behalve de bedelorden kwamen in de vijftiende eeuw ook nog de zogenoemde ‘Kruisbroeders’, Kanunniken van het Heilig Kruis, een stichting uit de tijden van de kruistochten en in sommige opzichten wel wat overeenkomend met de Premonstratenzers, in andere weer meer met de bedelorden. Ze vertegenwoordigen een tussenvorm, maar in de tijd dat ze hier kwamen, stonden ze vrijwel op één hoogte met de bedelorden en gingen ze op dezelfde wijze te werk. Hun godsvrucht voor het Heilig Kruis zal hen bij de Johannieters van Sneek in de gratie hebben gebracht; daar kwamen ze het eerst, in 1462, een paar jaar later, in 1468, te Franeker.

Aan te tekenen is, dat aan het begin van de zestiende eeuw hun klooster in Franeker werd uitgekozen om er een Katholieke Universiteit te beginnen, ook al omdat ze zelf goede leerkrachten hadden die door de Universiteit van Leuven wat aangevuld konden worden; en dat vijftig jaar later de Franeker Academie, toen met hulp van Leiden, alsnog in hun klooster kwam. Ook in de andere kloosters van de bedelorden waren regelmatig goede leraren. De studie tot opleiding van jonge kloosterlingen in het eigen huis was vrij hoogstaand.

Het laatste woord moeten we nog wijden aan kloosters, vooral van vrouwen, maar ook enkele van de mannen, die – vaak wel bij een klooster, zij het ook niet steeds, maar in ieder geval zonder naar de regel van die kloosters te leven – meer naar vrije bepaling een kloosterlijk leven wilden leiden. In de eerste tijden treffen wij zo de zogenaamde Magdalenazusters, later Begijnen, vaak zonder een bepaalde regel, soms evenwel ook met een regel die dan vaak die van de derde orde van Sint Franciscus was [aan]. In 1450 verplichtte Kardinaal Nicolaas van Kues al deze kloosters een vaste regel aan te nemen, maar vóór die tijd was er grote vrijheid. Een heel grote groep nam de derde Orde van Franciscus aan, d.w.z., hadden een regel die wel veel lichter was dan de Regel van de eerste of tweede Orde, maar er toch mee samenhing en degenen die die regel volgden verbond met de Franciscanen of Minderbroeders. Deze kloosters, die over het algemeen maar klein waren, allemaal op te noemen zou niet goed mogelijk zijn. Hun bestaan is vaak al onzeker, meer nog hun regel en levenswijze, maar we mogen hen toch niet verzwijgen, vooral de Tertiarissen niet, omdat ze toch een bepaalde groep vormen en met elkaar te vergelijken zijn. Deze kloosters zijn over het algemeen minder streng van levenswijze, maar ze zijn niettemin een bewijs dat er buiten de genoemde Orden nog vrome zielen waren die in verbinding met de geestelijkheid godsvruchtiger leven wilden en daarom in een plaatselijk, eenvoudig kloostertje bijeenkwamen. Een enkele van die kloosters groeide uit tot een groter geheel, zoals het Aalsumer klooster bij Akkrum, het Ursulaklooster bij Workum, enz., maar we kunnen er hier niet verder op ingaan en moeten ons tevreden tellen met ze te noemen, (het Ugoklooster bij Bolsward).

Om samen te vatten hebben wij dus in Friesland acht groepen van kloosters te onderscheiden: 1. De Reguliere Kanunniken (vóór en na 1100) en Kanunnikessen 2. De Benedictijnen en Benedictinessen 3. De Cisterciënzers en de Cisterciënzerinnen 4. De Premonstratenzers en Premonstratenzerinnen 5. De Ridderorden (Duitse Ridders en Johannieters) 6. De Bedelorden (Franciscanen, Dominicanen, Karmelieten) 7. De Kruisbroeders 8. De Tertiarissen en kloosters zonder regel

Zonderen wij de laatste een ogenblik uit en tellen we Stavoren, eerst van de Reguliere Kanunniken, later van de Benedictijnen; Dokkum en Lidlum, eerst van de Reguliere Kanunniken, later van de Premonstratenzers, telkens maar voor één klooster, dan komen we op 36 grotere kloosters. Rekenen wij tien kloosters van Tertiarissen en Kloosters zonder bepaalde regel, dan komen we voor Friesland op 46 kloosters. Men kan in ronde cijfers zeggen: vijftig, omdat er ook kloosters alleen van naam bekend zijn zonder dat wij die kunnen plaatsen. Zo is er sprake van Kartuizers in Workum, van Augustijnen in Sloten en Franeker, maar heel veel kan dat onmogelijk betekenen en wij kunnen er beter over zwijgen omdat de betekenis ervan niet groot geweest kan zijn. Over deze 36 kloosters zou heel wat meer te zeggen zijn, maar de tijd laat niet toe verder te gaan dat dit algemene overzicht en eerste inleiding, om daarna de kloosters groep voor groep nader te beschouwen. Laten we hopen dat dit spoedig kan gebeuren. De grote lijn ligt er nu.

 


  1. Vertaling uit het Fries van een lezing door Titus Brandsma gehouden op de jaarvergadering van de Fryske Akademy te Leeuwarden op 1 september 1941 (Typoscript: NCI OP 128). In een bewerking verschenen in: Titus Brandsma, Slechts oog voor God. Kloosters in Friesland: brandpunten van innige en verborgen omgang met God, (red. en vert. H. Blommestijn, J. Huls en J. van der Meer), Leeuwarden 2018, 96-126. Op een aantal plaatsen zijn in het typoscript passages met de hand tussen haken, of vergelijkbare aanduidingen, geplaatst. Waar dat het geval is, wordt het in de vertaalde tekst als zodanig overgenomen. Ook in het hoofdlettergebruik wordt de Friese tekst gevolgd.
  2. Smelne is de Friese naam voor Smalle Ee.
  3. Het Leppaverbond was een overeenkomst tussen een aantal grietenijen over de waterbeheersing in Midden-Friesland. De naam was ontleend aan de Leppedijk die het wassend water van het riviertje de Boorn moest intomen. Zie: [Acht eeuwen Leeuwarderadeel, onder ‘De Leppa’]
  4. ‘Gernawert’ is een Friese verbastering van ‘Genezareth’; ook genoemd: ‘Gennaard’.
  5. Rinsumageest.
  6. In 1424 werd de door de paus benoemde bisschop van Utrecht niet erkend door het Kapittel dat zijn voorkeur had uitgesproken voor Rudolf van Diepholt. Het schisma eindigde na vele strubbelingen toen Rudolf in 1433 uiteindelijk toch door de paus werd bevestigd. Zie: H. Selderhuis (red), Handboek Nederlandse kerkgeschiedenis, Kampen 2006 ([2.3 Utrechts schisma].

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2022