In triduo Beati Roberti Bellarmini

1923

Solemn speech

 


MR

In triduo Beati Roberti Bellarmini e Societate Jesu

Oratio panegyrica

Mirabilis Deus in Sanctis suis: Bewonderenswaardig in zijn Heiligen is God.[1]


Door de geheele geschiedenis maar wel zeer in het bijzonder door de geschiedenis der kerk loopt een gouden draad, de leiding der Goddelijke Voorzienigheid.

Zeker, de mensch treedt in de geschiedenis op als handelende oorzaak en wij bewonderen het werk zijner handen, de scheppingen van zijn geest, wij gevoelen er behoefte aan, aan de mannen en vrouwen, die wij groot noemen in de geschiedenis, hulde te brengen en erkennen hun verdiensten. Als wij terugzien naar het verleden, dan rijzen ze voor ons op de heldenfiguren, hoog uitstekend boven de menigte als Saul bij zijn verkiezing tot koning boven alle zonen van Benjamin en als hij waardig met koninklijke eer te worden gehuldigd. Maar gelijk de Israelieten God loofden, toen zij de wondermacht van Jezus aanschouwden en hem nog niet erkenden als God, maar toch als een profeet hun door God geschonken, zoo dringt ook ons een woord van lof en dank tot God gericht naar de keel, als wij zien, welke mannen en vrouwen Hij opwekt om in den nood der tijden zijn inzichten te verwezenlijken. Neen, het is geen postulaat der geschiedeniswetenschap, maar een waarheid kIaar en duidelijk gezien en door de rede afgeleid, dat God den loop der geschiedenis beheerscht en wel het goddelijke schuil gaat achter het menschelijke, maar toch niet zoo, dat het goddelijke zich daarin niet weerspiegelt.

O ja, in spiegelbeelden en raadselen zien wij God, maar soms is dat spiegelbeeld zoo duidelijk, dat raadsel zoo doorschijnend, dat wij duidelijk den vinger Gods zien in het wereldgebeuren en ons dankbaar en blijde gestemd voelen bij het aanschouwen, hoe Hij aan elken tijd de voorziening schenkt welke hij behoeft.

In het bijzonder, zoo zeide ik, geldt dit in de geschiedenis der kerk. Is zij niet de bruid des Heeren, het bewijs en de draagster der Goddelijke Liefde? Is in haar niet voor alle menschen van alle tijden de deur des Hemels opengesteld? Is zij den menschen niet gegeven opdat zij zijn macht en heerlijkheid, zijn liefde en ontferming zouden kennen en eeren en door haar geleid tot Hem komen?

O heerlijke kerk, o wonderbaar werk van Gods liefde en [2] goedheid. Als een regenboog staat gij na den zondvloed der zonde en schitterend is het licht van uw kleuren. Als een tuin zijt gij, die ons herinnert aan het aardsch paradijs en een voorsmaak biedt van het Eden des Hemels.

Wat was de wereld, o Christenen, zonder uw kerk.

Beseft gij het, weet gij wat het zeggen wil, kind der H. Kerk te zijn, ledemaat van dat mystieke lichaam, waarin wij een zijn met God, zijn genade, dat is zijn hulp en medewerking deelachtig zijn en een onderpand bezitten van onze eeuwige vereeniging met Hem in den Hemel tot ons eeuwig onverstoorbaar onbegrijpelijk geluk.

God is daar met ons en in Hem zijn wij met elkander vereenigd, wij allen die hier in deze kerk vereenigd zijn, wij allen, die in dezen tijd leven in deze stad, in dit land, in deze wereld, voorzoover Hij ze tot zijn kerk heeft geroepen, meer nog, in Hem en in zijn kerk zijn wij een met allen, die zijn kinderen waren in vervlogen eeuwen en het zullen zijn in de toekomst. Het is een kerk, de strijdende op aarde, de lijdende in het Vagevuur, de verheerlijkte in den Hemel. Op dagen als deze komt het besef van die eenheid, van de heerlijkheid van het genadeleven, van de gemeenschap der Heiligen weer levendiger over ons.

Zeg mij niet, dat dit verheven waarheden zijn, dat [ik] woorden spreek boven het bevattingsvermogen der menigte, geen woord, ik ben er ten diepste van overtuigd, is vandaag beter op zijn plaats dan dit eene: God is tot ons gekomen om ons te verlossen en zalig te maken. Het rijk Gods is tot ons gekomen en wij maken er deel van uit met de duizenden en duizenden anderen door Gods liefde uitverkoren en samengebracht in die zichtbare gemeenschap, welke wij de Heilige Roomsch Katholieke Kerk noemen.

Zij is het bewijs van Gods liefde, zij is de gemeenschap van God met ons en met het uitverkoren volk in de tijden zijner uitverkiezing en met nog veel meer recht dan zij omdat de mededeeling van Gods liefde aan ons grooter is mogen wij in blijdschap uitroepen: Waar is het volk, dat zijn God zoo nabij heeft als Gij onze God ons nabij zijt.

Gij zult mij vragen, wat deze beschouwing over de Kerk beteekent in een feestrede op den Zaligen Bellarminus, tot wiens verheerlijking dit triduum gevierd wordt.

O groot is Bellarminus, groot is de Orde der Jezuieten, de Societeit van Jezus, tot welke hij behoorde, maar laten wij toch zijn feest niet vieren, laten wij niet jubelen over hem en deelen in de vreugde zijner Ordebroeders zonder ons er [3] levendig van te doordringen, dat wij allen broeders en zusters van hem zijn of eigenlijk nog meer, een zijn met hem in Christus onzen Heer, zijn glorie is onze glorie, zijn feest ons feest, in zooverre wij allen samen, hij en wij, Gods goedheid loven, die ons allen met weldaden overlaadt.

In hem zien wij niet alleen, wat God den menschen schenkt en schenken kan, neen, wij moeten ons op een dag als dezen bewust worden, wat God ons schenkt, dat hij den Zaligen Bellarminus den hemel heeft geschonken, maar dat Hij ook ons den hemel opent, dat wij met den Zaligen geroepen zijn tot God en in den geest met hem, aan zijn hand den hemel ingaan.

Eens zal hij komen de blijde dag, waarop wij met hem staan voor Gods troon, waarop wij aan zijn hand den Hemel binnengaan.

Heerlijk heeft het ons de Zalige Angelico[2] in beeld gebracht, hoe Engelen en Heiligen in blijde heerlijkheid met de menschen dezer wereld rijen vormen, die dansen van vreugde en steeds nader komen tot den troon van God allen samen als een groote feeststoet.

Filii sanctorum sumus. Wij zijn kinderen der heiligen. Zij zijn ons naar het woord van den Apostel Paulus vader en moeder in het geestelijke leven.

Ik zal U niet als weezen achterlaten heeft God gezegd. Ik blijf met U tot het einde der tijden. Dat slaat niet slechts op het H. Sacrament des Altaars, dat slaat nog veel meer op de Kerk, al wordt die eenheid met God door dit H. Sacrament in de Kerk op de meest wonderbare wijze tot uitdrukking gebracht, gewaarborgd, en bezegeld. Een lichaam toch zijn wij allen, juist omdat wij allen deelen in het heilig brood der Engelen, allen daardoor deelachtig worden aan den zoendood des Heeren, allen daardoor leven, niet meer zelve, maar Jezus in ons allen.

In zijn Kerk leeft Jezus voort en hij is met haar tot het einde der eeuwen.

Stormen zullen het water der beproeving hoog tegen de rots opjagen, maar zij zullen haar niet overweldigen.

Op het oogenblik dat de stormen het scheepje dreigen met vergaan zal hij komen en winden en stormen gebieden en zij zullen niets vermogen.

Veel moeilijke tijden heeft de Kerk doorworsteld, vele stormen getrotseerd. Steeds was waar de nood het hoogst was de redding ook het meest nabij. Welke heerlijke voorbeelden van die vaak wonderbare redding biedt niet de geschiedenis. Wat was de Kerk steeds vruchtbaar en schonk zij steeds het aanzijn aan [4] de H. Bruid des Heeren aan haar Goddelijken Bruidegom, steeds de kinderen, die haar de ontrukte eerekroon weer om de slapen hingen, die haar weer kennen deden als de heilige bruid des Heeren en hare eer verdedigden tegen die ze belaagden.

Ik kan ze niet opsommen de heilige en geleerde personen, de werktuigen in Gods hand om de zending zijner Kerk te vervullen en haar aan haar roeping te doen beantwoorden. Waar zou ik eindigen, als ik ook wist waar te beginnen.

Maar onder de velen, onder de duizenden, welke God verwekte neemt toch de Zalige, dien wij heden verheerlijken mogen, een eereplaats in.

In de geschiedenis der kerk staat zijn naam met gulden letters. In zijn tijd had hij een roeping te vervullen en vervulde hij een roeping, van de grootste beteekenis voor het leven der Kerk. Nog leeft zijn gedachtenis voort en nog steeds moeten wij ons verheugen, omdat hij ons door God gegeven is, in Gods hand het werktuig is om ons nader tot God te brengen.

Maar als wij Bellarminus noemen, dan zien we meer dan een persoon. En als wij heden Bellarminus huldigen, dan brengen wij niet slechts hulde aan dezen eenen man.

In het H. Evangelie heeft Jezus aan zijn kerk behalve zijn geboden ook zijn evangelische raden gegeven en gelijk de H. Hieronymus zegt, dat goddelijk woord heeft de woestijn met kluizenaars, de kloosters met monniken vervuld. Zij zijn Gods uitverkorenen tot inniger vereeniging met Hem geroepen en het werktuig in zijn hand duizenden anderen met Hem vereenigd te houden.

Wat zou de wereld zijn zonder de religieuze orden zeide eens de Heer tot de H. Teresia om daarmede aan te duiden, dat Hij die aan de wereld gaf om haar met Hem nog vereenigd te houden.

Groot is dan ook in de geschiedenis de invloed van de religieuze orden. Zij zijn als de bloemperken in den tuin der kerk, die haar haar grootste schoonheid schenken en door wier glans en schittering al het levend groen der kerk nieuwe bekoring ontvangt.

Maar gelijk in den Hemel de heiligheid haar graden heeft als de sterren haar verschil van helderheid en kleur, zoo heeft ook hier op aarde de heiligheid en heerlijkheid haar rijkste schakeering en heeft ieder tijdperk wel zijn eigen bloemen.

Geleidelijk zien wij in deze Meimaand de knoppen der bloemen opengaan en telkens verrast ons de kleur en geur der nieuw ontloken bloemen. De eene is al schooner dan de andere. Zonder [5] een de schoonste te durven noemen, gaan aan onze verbeelding toch eenige voorbij als bijzonder schoon. Haar luister bekoort ons op bijzondere wijze.

Zoo is het ook in den tuin der kerk. Vele bloemen bloeien daar, vele instellingen zijn er als perken van ongekende schoonheid, waarop de mooiste bloemen zijn samengebracht.

Tegen den bruinen beuk willen wij andere bloemen zien dan voor een omlijsting van geelgroene heesters.

Zoo heeft ook de kerk op verschillende plaatsen en in verschillende tijden andere bloemen van heiligheid noodig om haar schoonheid alom te doen stralen.

In de middeleeuwen, bij de opkomst van den middenstand zien wij de bedelorden in korten tijd een wonderbare verspreiding vinden en nog steeds vervullen Franciscanen en Dominicanen naast Carmelieten en Augustijnen hun zegenrijke roeping.

In de zestiende eeuw, toen de kerk de zwaren storm der Hervorming doormaakte riepen nieuwe nooden nieuwe krachten op en schonk God aan zijn kerk zijn Societeit. Van haar was Bellarminus lid. Hij was een Jezuiet, en is de heiligheid ook een eigenschap, welke niet aan een bepaalden vorm van leven is gebonden, al leidt God zijn uitverkorenen langs zeer verscheiden wegen, toch moeten wij zeggen, dat Bellarminus heilig werd omdat hij, door God geroepen tot de Societeit van Jezus leefde als een Jezuiet en zijn heiligheid weer eens te meer in het licht stelt, hoe het leven naar de instellingen dezer orde een veilige en zekere weg is ten Hemel.

O neen , ik herhaal het, het is niet de eenige weg. Gods wegen zijn zoo menigvuldig, dat wij die niet tot een beperkt getal herleiden mogen. Naast de Orde der Jezuieten staan zoovele anderen en ook in de wereld schenkt God zijn genaden vaak op niet minder kwistige wijze aan degenen, die Hij daarin wil heilig maken.

Ik bemin mijn eigen Orde. Zij is mij lief als de weg, mij door God gewezen om naar den Hemel te gaan, zij is mij lief door haar geschiedenis en haar roeping, ik vereer en huldig een H. Teresia, een H. Joannes van het Kruis, een H. Maria Magdalena, een Z. Teresia van het Kindje Jezus, in wie het mystieke leven van den Camel zijn schoonsten uitbloei had, ik zegen de gedachtenis van een H. Simon Stock door wien de Orde verdiende het H. Scapulier te dragen ten bewijze en ten onderpand, dat zij de Orde is van de Broeders van Maria, onze Moeder, maar [6] ik zie, dat er in het huis mijns Vaders vele woningen zijn, dat naast het perk waar God mij plantte in den tuin der kerk andere zijn van niet minder schoonheid en als ik dien tuin overzie, o, ik erken het vooral hedenavond met vreugde, dan is de Societeit van Jezus wel een perk van bloemen en rozen zoo schoon, dat ons hart opengaat van blijdschap, omdat God aan zijn kerk zooveel heerlijkheid heeft geschonken.

Paters hier tegenwoordig, groot is onze vreugde op dezen dag, grooter nog veel grooter moet de uwe zijn. De luister van deze feestelijkheid straalt op U terug. En ik ben eigenlijk blij, dat hier vanavond niet een Jezuiet, maar een lid van een andere Orde op den preekstoel staat, omdat uw bescheidenheid een der Uwen wellicht weerhouden kon, uiting te geven aan de blijdschap, welke Gij als Orde, als leden van de Societeit geniet, nu een der uwen zalig is verklaard, uw Gezelschap zich weer kennen doet als een instelling van ware heiligheid.

Bellarminus, hij was zoo een der Uwen.

Heel zijn leven ging hij er groot op, Jezuiet te zijn. Hij wilde het zijn en blijven als Kardinaal en Bisschop, ja nog na zijn dood in zijn begrafenis. Als Jezuiet is hij heilig geworden, als Jezuiet is hij groot.

En als wij hem vandaag huldigen, dan eeren wij hem niet als den man, die uit de Jezuietenorde door den Paus verheven werd tot het Kardinalaat en het ambt van Aartsbisschop, maar als den man, die ook daarin nog het stempel droeg uit die Societeit te zijn voortgekomen en aan die roeping getrouw bleef, en door de getrouwheid aan die roeping tot zoo groote heiligheid opsteeg, dat hij thans door ons als Zalige mag worden vereerd.

Men kan zeggen, dat hij met de Societeit geboren werd en even oud was als zij. Hij zag als knaap haar zegenrijke werking, het voorbeeldig leven harer leden, zij beantwoordde geheel aan zijn ridderlijke idealen. Hij gloeide van liefde tot God en van ijver voor de eer zijner Kerk. Hij streefde ernstig naar eigen heiliging, maar voelde een onweerstaanbaren drang ook anderen tot eer en verheerlijking van God te brengen. Reeds als knaap wist hij zijn medescholieren mee te sleepen op de vroolijke wijsjes met vaak losse woorden maakte hij liederen van beteren zin. Ze zongen ze met hem. Voor zijn zusjes en broertjes preekte hij als kind reeds en trad hij op als een kleine apostel. Liefde tot de wetenschap paarde zich aan een buitengewonen aanleg en gelijk hem de kennis bracht tot steeds grooter [7] liefde, zoo wilde hij ook door de wetenschap te dienen uitbreiding zoeken van het Rijk Gods. De opkomende ketterij, den noodtoestand der kerk prikkelde zijn strijdlustige en ridderlijke natuur. En al was de Societeit van Jezus niet gesticht ter verdediging der kerk tegen het Protestantisme, al was haar opzet heel wat veelzijdiger en algemeener, toch trad zij in den strijd in de voorhoede op en muntte zij in die eerste tijden in dit deel harer roeping bijzonder uit. En hier is Bellarminus een harer schitterendste zonen.

Bellarminus was Jezuiet, maar het zou verkeerd zijn, in zijn leven het geheele ideaal dezer veelzijdige orde te zien verwezenlijkt of nagestreefd. Groot is Bellarminus, groot als Jezuiet, maar vol bewondering staan we voor deze schoone Orde, waarvan zelfs een Bellarminus slechts een deel harer verheven roeping kon nastreven.

Hoe veelzijdig hij ook was, hoeveel hij heeft bijgedragen tot eer en verheerlijking zijner Orde, zijn werkzaamheid is slechts een deel van hetgeen in zijn tijd de Orde deed in dienst der Kerk, een deel van een goed georganiseerd geheel, waaraan het geheel dus nog grooter waarde schenkt aan de deelen en de deelen eigenlijk pas goed worden begrepen, wanneer zij in verband met het geheel worden beschouwd.

O, wij moeten dan Bellarminus ook zien in het plan der Goddelijke Voorzienigheid als een der duizenden die in de Societeit werden geroepen en allen samen dat reuzenwerk van vernieuwing verrichtten, dat de geschiedenis ons doet zien. Tijdens zijn leven zag hij het aantal zijner medebroeders stijgen tot meer dan dertienduizend en was hij onder hen niet een der minsten, naast hem stonden zoovele andere geleerden en heiligen, allen verbonden met elkander door de schitterend onderhouden gehoorzaamheid aan de opperste leiding, dat wij waarlijk mogen zeggen, dat zijn arbeid gezien in het verband met den arbeid zijner broeders aan beteekenis wint, een onderdeel wordt van een grootsch geheel.

Dat mogen wij zeggen, dat hij stond voor zijn deel. Meer, hij was in de groote organisatie een factor van de grootste beteekenis en invloed en heeft zijn werklust zijn broeders tot medewerking geprikkeld, zijn wijs inzicht heeft ook de organisatie helpen voltooien. Een groot aandeel had hij in de eerste practische beleving der regelen, hij die in de eerste niet allereerste tientallen jaren de hoogste posten in de orde bekleedde. [8]

In alles bijna waarin de Jezuietenorde groot was, zien wij ook Bellarminus niet geringe verdiensten, maar vooral ligt zijn roem en de roem, dien hij zijn orde schonk, behalve in zijn heiligheid, waarover ik morgen nog hoop te mogen spreken, in zijn wetenschap en leer, in zijn verdediging van de kerk en den paus, in den zegenrijken invloed, dien hij door zijn wijsheid en liefde, vermocht uit te oefenen op priesters en leeken tot op de Opperherders der kerk en koningen toe.

Bewonderenswaardig was zijn wetenschap en de geschiktheid die te gebruiken ter verdediging van de alom aangevallen kerk, heerlijk zijn welsprekendheid, waardoor hij de harten zijner hoorders in gloed wist te zetten, klaar en scherp zijn taal om hetgeen het gesproken woord niet vermocht in geschrifte onder de menigte te brengen en te doen verstaan.

Zijn weken over de verschillende strijdvragen des geloofs vestigde zijn roem en bracht duizenden in den schoot der kerk terug, zoodat een der hoofdmannen der hervormingsbeweging Theodorus Beza met spijt verklaarde: Hic liber nos perdidit. Dit boek is onze ondergang.

Wij die hier in Nijmegen zijn feest vieren, wij denken zoo gaarne als wij ons verplaatsen naar de eerste eeuw van de Societeit van Jezus aan den zegenrijken arbeid van den Z. Petrus Canisius onzen stadgenoot. Hem hebben we lief. Maar als wij hem eeren, eeren wij het werk dat hij deed en als wij dat doen, dan eeren wij niet minder den Zalige wiens gedachtenis we heden vieren Robertus Bellarminus, in wien ik een bondgenoot zou willen zien, een door denzelfden geest bezield, een wiens werkzaamheid veel overeenkomst, zij het met niet miskenbaar verschil, openbaart. Raadsman van pausen en vorsten waren beiden, tegen de Centuriatoren die de nieuwe leer op een verkeerde kerkgeschiedenis trachtten op te bouwen traden beiden, ik weet niet wie het meest verdienstelijk, in nog heden gelezen en gewaardeerde werken in het krijt.

De Catechismus van Bellarminus was voor Italie, wat die van Canisius voor Duitschland was. In beiden zag men den geest der Societeit zoo levendig, dat men hen aan het hoofd stelde eener provincie en in de ontwikkeling der Orde hun oordeel op den hoogsten prijs stelde. Welk een groot aandeel had niet Bellarminus aan het tot stand komen der schoone studieregeling der Orde, een niet geringe, zoo niet hoogste waarborg van de kracht der Orde, omdat deze zoowel de godsdienstige als de wetenschappelijke vorming in hoofdlijnen omschrijft. [9]

Bekend is Canisius liefde voor het Duitsch College in Rome. Bellarminus ijverde niet minder voor deze nuttige, ja, voor Duitschland noodzakelijke instelling en was een tijdlang zelfs leeraar en rector van dat college, en toonde in die bediening zijn liefde daarvoor op de meest ondubbelzinnige wijze. Ik zou hem in het hoofdbestuur der Orde te Rome in het centrum der organisatie den trouwen medestander en bondgenoot willen noemen, misschien niet zoozeer door rechtsstreeks onderhouden verbinding als wel door rusteloos werken in denzelfden zin, waarvan het zegenrijk gevolg van den eenen dat van den anderen deed aanmoedigen en steunen.

Raadsman van paus en kardinalen bleven beiden toch steeds de gehoorzame en volgzame zonen der Orde. Hoe dikwijls zien we Bellarminus zelfs bij de meest eervolle en hem rechtsstreeks door den Paus opgedragen functies voeling houden met den Generaal der Orde en steeds in onderwerping aan dat gezag handelen.

Zijn felste geschrift is misschien wel, waarin hij den brief van den H. Ignatius over de gehoorzaamheid verdedigt tegen een slappere meening van enkele ordebroeders. Zij raakten zijn vleesch en bloed of liever zij bedreigden de sterke organisatie der Societeit met het verzwakken van haar sterksten band.

Zoo lief had hij de instellingen zijner Orde, dat hij al het mogelijke en geoorloofde deed om een harer vooral in dien tijd van zooveel beteekenis erkende bepaling te onderhouden, geen eerambten als die van bisschop en kardinaal te aanvaarden. De paus moest hem als het ware verrassen en voor hij gelegenheid had zich te verzetten op zonde dit verbieden. Ik weet wel, dat men uitingen heeft meenen te vinden van verlangen naar die waardigheden, evenals andere uitingen van zelfvoldoening en gekwetsten hoogmoed. Tot zelfs in het proces der Zaligverklaring is men daarmede komen aandragen en het heeft er vertraging gebracht, maar des te schitterender straalt zijn ootmoed en zijn ware liefde voor de Orde. Slechts zij en de liefde tot de kerk gaf hem zulke woorden of gedachten in, omdat hij het betreurde, dat de Orde werd belasterd, de kerk werd gehoond en zijn terugzetting niet anders zien kon dan ingegeven door een verkeerde beoordeeling en soms haat tegen zijn Orde of de kerk. Dat verdroeg hij niet, of althans niet zonder verdriet er over te gevoelen. [10]

Niet eerst als kardinaal deed hij zijn invloed gelden op het bestuur der kerk leidde hij haar als raadsman van den paus, reeds veel eerder was hij de erkende godgeleerde, wiens gezag in de meeste gevallen den doorslag gaf, was hij de wetenschappelijk geschoolde verdediger van de rechten der kerk en des Pausen, wiens gematigd standpunt ten slotte door allen werd ingenomen, werd hij de godgeleerde raadsman in zendingen naar den koning van Frankrijk en de republiek van Venetie, consultor van bijna alle toen bestaande congregaties, in een woord, onder de vele Jezuieten van zijn tijd, een van degenen, die het meest in aanzien stonden en het meest overeenkomstig de speciale roeping der Orde in die moeilijke tijdsomstandigheden door aanleg, ijver en positie werkzaam kon zijn.

Al bleef hem als allen grooten mannen miskenning en verkeerde beoordeeling niet gespaard, telkens kwam spoedig weder de erkenning van zijn onmiskenbare verdiensten en steeg zijn roem steeds hooger. Zijn benoeming tot Aartsbisschop van Capua heeft men soms voorgesteld als een daardoor gezochte en bereikte verwijdering van Rome. Die voorstelling is toch te eenzijdig. Wel staat het vast en het strekt hem tot eer, dat hij niet schroomde de waarheid te zeggen en zelfs den paus vrijmoedig zijn zienswijze over diens macht leerde als iemand, die de liefde tot het pausschap als de beste verdediging een gematigd standpunt doet kiezen. Zoo helder was zijn inzicht in deze moeilijke strijdvraag, dat velen zelfs protestanten in de uitspraken van het Vaticaansch Concilie een bevestiging zien van de door hem geformuleerde leer. Wat blijkt ook niet zijn liefde tot het pausschap uit zijn houding in de verbetering van de door Paus Sixtus V voorbereide uitgave van de H. Schrift, waarin een al te haastige voorbereiding al te veel fouten had gelaten. Hij noemde de fouten slechts drukfouten en wilde den naam des Pausen ook voor de verbeterde uitgave vasthouden. Niet minder bleek die liefde in zijn bestrijding van de gallicaansche vrijheden, waarmede de kerk van Frankrijk zich als het ware aan de pauselijke macht onttrok. Om dien strijd voor den Paus verboden later de politieke tijdsomstandigheden zijn bewonderaar en verdediger Paus Benedictus XIV hem zalig te verklaren. Het zou de Franschen geprikkeld hebben in dien tijd, toen de strijd om die vrijheden opnieuw aan de orde was. Gelukkig, dat thans zulke overwegingen niet meer golden en wij dezen kampioen voor de rechten der Pausen thans onder de Zaligen mogen eeren. [11]

Mag ik hier in deze parochiekerk zijn arbeid in de zielzorg vergeten. Heel zijn leven was het zijn liefste werk de zielen tot God te brengen, ook daarin het toonbeeld van een priester, later van een bisschop te zijn. Niet slechts de ootmoed, doch ook zijn liefde tot het rechtsstreeksch werk aan het heil der zielen, tot het apostolaat door woord en geschrift deed hem met weemoed daarnaar terugzien bij zijn benoeming tot de schoonste eerambten van meer administratieven aard.

Maar waar zal ik eindigen als ik alle trekken uit zijn leven zou willen naar voren brengen waarin wij hem zoo geheel doordrongen zien van de geest zijner Orde en deel zien nemen aan haar roeping in den tijd, waarin hij leefde. Ik wil sluiten met de vermelding, dat hij het als een gunst vroeg, niet als kardinaal of bisschop met praal en luister te worden begraven, maar als een der paters van het klooster en als plaats van zijn graf vroeg hij te worden neergelegd aan de voeten van den H. Aloysius, dien hij als geestelijk leidsman der jonge Jezuieten onder zijn leerlingen had geteld en aan wiens sterfbed hij had mogen zitten. Noch het eene noch het andre werd gedaan.

De Paus weigerde in een zoo eenvoudige begrafenis toe te stemmen en wilde zelf de kosten eener eervolle begrafenis dragen. In plaats van aan de voeten van den H. Aloysius begroef men hem op de plaats, waar eerst het lichaam van den H. Ignatius had gerust mede door zijn bemoeiingen was de H. Stichter zalig verklaard en zijn lichaam naar een altaar der kerk overgebracht. Kon eervoller begraafplaats aan den onvermoeiden strijder, aan den toegewijden navolger zijns vaders zijn gegeven. Hij verdiende wel diens rustplaats te deelen, nadat hij in zijn leven op zoo bewonderenswaardige wijze zijn voetstappen had gedrukt.

Thans deelt hij met hem in de Gesu en in alle kerken der Jezuietenorde de eer der altaren. Thans schittert hij in de aureool der zaligen en al omhangt hem het purper, wij eeren in hem den pater Jezuiet, door God geroepen tot de vervulling zijner inzichten in en door deze Orde.

In het gezelschap van zijn vader en zijn broers zien wij hem thans verheerlijkt en wij willen hem daarvan niet scheiden. Hij is hun glorie en hun roem, gelijk zij de zijne waren in zijn leven. Kinderen van de parochie van de Paters Jezuieten, verheugt U met hen. Hun aller arbeid is een, in de huldiging van Bellarminus huldigt gij ook uw zielzorgers. Te Deum laudamus.[12][3]




De levens der Heiligen goed en zorgvuldig geschreven zijn als voetsporen op den weg door de woestijn des levens welke voeren naar het beloofde land. Bellarminus. VI.

Vrome moeder in een groot gezin. Tien kinderen, van wie zij de helft in den kloosterlijken staat zag treden. Driemaal in de week ging zij te Communie. Mild voor de armen, streng voor zichzelve. Vasten, onthouding tot geeseling des lichaams. Gebed en overweging. Alle dagen kinderen naar de kerk.

Bellarminus in zijn jeugd priestertje spelen, vermaak in het godsdienstige, preeken voor broertjes en zusjes.

Wat hij worden moest: hij zeide het als klein kind reeds kardinaal kerkleeraar.

Hij kon mooi zingen en spelen en onder de kleinen wist hij geestelijke liederen in zwang te brengen. Op weg naar school even in de kerk.

Mooie muziekstukken speelde hij graag, mar hij kon niet verdragen, dat de tekst vaak zoo weinig zeggend was en hij maakte er andre woorden op en paste ze aan. De medeleerlingen bracht hij tot het zingen van geestelijke liederen in plaats van de gewone alledaagsche.

Ridderlijk strijdlustig verdediger van eer en goeden naam, student van het Jezuietencollege kamp tegen studenten van andere scholen, zegevierend uit den strijd.

1560 Jezuiet. Ik ben niet in de orde der Jezuieten gegaan om een geleerde maar om een heilige te worden.

Dat troostte hem, als hij door ziekte, zwakte, hoofdpijn, begin van tering gehinderd werd in zijn ziekte en zich geheel voegde naar de beschikking der voorzienigheid. Hij werd een heilige en een geleerde bovendien. Na de studie der wijsbegeerte naar Florence gestuurd om onderricht te geven, maar de doktoren verklaarden hem tot geen ander onderricht in staat dan te laten zien, hoe men heilig sterft. Hij bad om genezing en genas.

Sprak graag over God en preekte reeds als frater herhaaldelijk ook voor zijn medefraters, ja zelfs bij een bezoek aan de Camaldulensers voor de in de deugd vergrijsde monniken, die na zijn van liefde brandend woord herhaalden wat de leerlingen van Emmaus zeiden: Was ons hart niet brandend in ons, toen hij ons de schriften openbaarde?

Een zijner Ordebroeders wilde bij hem biechten en uit zijn hand de H. Communie ontvangen om door zijn bemiddeling de genezing van een wonde in zijn been te bekomen. En hij genas.

7 jaar te Leuven leeraar. De roem van deze beroemde universiteit en dat als man van dertig jaar in de jaren kort voor en na zijn Priesterwijding.

Vlucht voor het Hollandsche leger, voorbereid op den dood. [13]

Controversiae christianae fidei. Drie deelen. Innsbruck. Hic liber nos perdidit. Theodorus Beza. 50

Blijde, dat hij er duizenden door in den schoot der kerk terugbracht. Maar hij erkende er het werk Gods in, en zijn blijheid was daarin gelegen, dat hij zich gelukkig achtte door God tot zijn werktuig te zijn uitgekozen. 52

In moeilijke vragen, de beoordeeling van de mystieke Benincasa nam hij behalve tot aandachtige beschouwing zijn toevlucht tot het gebed. 58

Geestelike leidsman der fraters. Onder dezen de H. Aloysius. Pater Lancicius een der beste ascetische schrijvers der S.J. zeide van zijn onderrichtingen dat men er geheel door ontvlamd werd in de liefde Gods. 69

Aan de voeten van zijn leerling zou hij begraven willen worden. 73

Als overste dienaar van allen. Bijzondere zorg voor de zieken. Nam graag het nederigste werk op zich, speelde portier, wiesch het keukengerei, diende de zieken enz.

Grondstellingen: Algeheele overgeving aan den wil van God. Zelfs niet een bepaalden graad van heiligheid verlangen. Streven naar de volmaaktheid is streven naar gelijkvormigheid met den goddelijken wil. lederen morgen opnieuw zich voorstellen als een pelgrim op reis naar God. Daarvoor het gebed, de H. Mis. Bij het eten, het kleeden er aan denken, dat God in alles tegenwoordig is en daarin zijne gaven geeft. Innerlijk en uiterlijk met God verbonden. Alle werk met God overleggen en in vertrouwen op de hulp van God doen. Bewustzijn van eigen ongenoegzaamheid, toewijding en opoffering aan God met onthechting aan zichzelven. Daardoor veredeld en geheiligd. 86-88

Hij is werkelijk een groote Heilige. Z. Realino. S.J. 90

Moed, kind, van nu af is het goed. Onder die woorden maakte hij een kruis op het voorhoofd van een frater, door twijfel aan zijn roeping gekweld. 91

Streng leven. Driemaal in de week vastte hij en gebruikte hij eerst tegen den avond een karig maal. Hij was een uur voor de anderen op. De Generaal moest zijn ijver matigen. 93

Zijn geest is geheel van God vervuld en zijn hart bemint slechts Hem, daarom houden zijn tong en zijn pen niet op, Hem te verheerlijken. Woorden van een bisschop . 96

Zoozeer tegen verheffing tot de hooge waardigheid van bisschop en kardinaal, dat de paus hem bij zijn verheffing tot het purper verbood zich daaraan te onttrekken en uit kracht der gehoorzaamheid verplichtte die aan te nemen, zonder hem gelegenheid te geven zijn bezwaren te uiten. 109

In niets grooter rust en zekerheid dan in het volbrengen van den wil Gods met algeheele overgave der ziel. 111 [14]

Liefde kenmerkte hem in heel zijn leven. Aan de armen gaf hij het laatste weg, vaak, totdat hij met tranen in de oogen zelf naar hen toekwam en zeide, dat hij niets meer had om hen te geven en reeds het nog eenigszins misbare had beleend. 121

Als kardinaal twee dingen: geen verstrooiingen in het gebed, nog slechts een verlangen, in den hemel te komen. 124

Schijnheiligheid was hem een gruwel. Ontheffing van het kardinalaat, ofschoon daarop geen uitzicht was, te vragen scheen hem bedrog der wereld, schijnheiligheid.

Prees men hem om zijn vele verdiensten, dan zeide hij niet zelden, een drachme liefde is meer waard dan al mijn daden. Tot de hoogste waardigheid van prins der kerk gekomen, bleef hij de volgzame zoon der generaals, de armoedige kloosterling, de verstorven en matige kloosterling, wiens gevoel van verantwoordelijkheid verre het bewustzijn van heerlijkheid en eer overtrof. 140cc.

Alleen de faam zijner heiligheid bracht bij zijn benoeming tot aartsbisschop van Capua vele priesters en leeken tot een beter leven. 147

Godsdienstonderricht, kennis van God en de goddelijke dingen het eerste, dat hij nastreefde in zijn diocees. 148

In zijn bisdom geeerd als een heilige. Door de openbare personen gehuldigd als een dienaar Gods. 151

Door liefde tot God en de naasten verteerd moet hij hun spreken over de beoefening dier liefde en geschikt of niet geschikt graag of niet hen onderhouden over hun plichten. Toch zijn die vermaningen steeds in de treffendste en meest liefdevolle bewoordingen vervat. Leest men zijn tallooze brieven aan pausen, koningen, bisschoppen, hooge geestelijken en leeken en ook aan andere bekenden, dan voelt men dat er een geest spreekt die geheel en al doordrongen is van het groote belang van de kerk en het katholiek leven, die alles van ondergeschikt belang acht bij de eer en verheerlijking van God, het eenige levensdoel der menschen.

Als kardinaal ieder jaar een maand retraite. 199

Opstijging door de schepselen tot God. God oorzaak. Schepsel beeld van God. Beschouwing der natuur. 199

Klagen van de tortelduif.

De zaligheid der heiligen. Het geluk des hemels.

De zeven kruiswoorden.

Laatste werk: kunst goed te sterven.

Blijheid en rust, ernst en liefde. Leven met God.

Er bestaat voor mij niets zoeters, nu in mijn hoogen ouderdom, dan eenige uren nachtelijke rust, waarbij ik mij met God kan bezighouden en overwegen, dat hij zelf onze heer is. 206 [15]

Zoo van God vervuld, dat men slechts een paar woorden met hem behoefde te spreken om zijn zucht naar den hemel te ervaren en gelijk in het koorgebed het Gloria Patri telkens wederkeert zoo in Bellarminus gesprekken de verzuchting naar het verlangen naar den hemel.

God was zijn vader. Hij was vol vertrouwen. Hij zou niet om iets willen vragen, dat niet het beste was. God zou het geven. Levens der Heiligen. Aan Bisschoppen en vorsten ried hij de levens van heilige bisschoppen en vorsten te lezen, als leidsman zijner medebroeders drong hij steeds op het lezen van de levens der Heiligen aan. Hun leven afbakening van Gods weg. Met St. Martinus durfde hij niet zeggen: Als mijn werk nog noodig is dan weiger ik den arbeid niet. Hij was te diep doordrongen van de waarheid, dat God niemand behoeft. Met St. Paulus durfde hij niet zeggen ik wensch ontbonden te zijn omdat hij niet wist, of hij liefde dan haat verdiend had.

Zoo blijft mij niets anders over dan te verzuchten, dat Gods wil in mij vervuld worde. God wil den dood des zondaars niet, maar dat hij leve. 208v.



  1. Speech on the occasion of the canonization of Robert Bellarmine SJ, May 1923 in the Molenstraatkerk Nijmegen. See B. Meijer, p. 278-280. Typescript, 15 pages, NCI TBA OP92.001-015. The typescript has 11 pages solemn speech and 4 pages biographical notes, with references to the pages of a (not yet identified) hagiography.
  2. Titus Brandsma refers to Fra Angelico.
  3. Here the solemn speech ends. The typescript continues with biographical notes, with references to the pages of a (not yet identified) hagiography.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020