Ons Hooger Onderwijs

1936

Article

 

Ons Hooger Onderwijs

1

In het nummer van 3 Oct.2, dat ik door afwezigheid en bezigheden eerst deze week las, ontmoette ik een artikeltje onder bovenstaanden titel, waarin naar aanleiding van allerlei cijfers over ons Hooger Onderwijs gesloten werd met de volgende beschouwing: “Te Nijmegen zijn dus 529 roomsche studenten, dat is op het totaal van 11246 studenten slechts 4,72 nog geen 5 percent. De roomsche bevolking van ons land bedraagt ongeveer 35 percent, zoodat globaal genomen nog niet 1/7 van de roomsche studenten de eigen universiteit bezoekt. Dit lijkt ons een merkwaardig verschijnsel.’’

Mij lijkt het meer een eenigszins onjuiste voorstelling en ik zou het zeer op prijs stellen, indien een hier te vreezen misverstand zou worden weggenomen. Daar ik veronderstel, dat dit ook de Redactie van de Oud-Katholiek aangenaam is, ben ik zoo vrij, een paar bemerkingen te maken, die dit misverstand zullen voorkomen of wegnemen.

Er wordt verondersteld, dat, wijl de Roomsch Katholieken ongeveer 35 percent van de Nederlandsche bevolking uitmaken, ook 35 percent van de studenten bij het Hooger Onderwijs aan de Nederlandsche Universiteiten en Hoogescholen Katholiek is. Dit is echter niet juist. Dit heeft vooral twee redenen. De eerste is, wijl van de Roomsch-Katholieken een zeer groot aantal Hooger-Onderwijsstudenten niet aan de Universiteiten of Hoogeschoelen, maar aan eigen Seminaria en Kloosterscholen Wijsbegeerte en Godgeleerdheid studeert. Dit aantal bedraagt niet minder dan 3500.

Dit aantal wordt echter niet meegerekend, wanneer een statistiek wordt gegeven van de studenten aan Universiteiten en Hoogescholen in Nederland met het noodzakelijk gevolg, dat daardoor het percentage Katholieken aan deze laatste Inrichtingen van Hooger Onderwijs aanmerkelijk lager is dan 35 percent. Wel is er aan de Roomsch Katholieke Universiteit een Theologische Faculteit, maar deze is slechts voor een zeer klein aantal studenten, die na aan andere Inrichtingen reeds Godgeleerdheid te hebben gestudeerd, te Nijmegen een hoogeren leergang volgen, een cursus major van drie tot vier jaar.

Is het aantal Katholieken, dat aldus, zij het niet aan Universiteit of Hoogeschool, Godgeleerdheid en Wijsbegeerte studeert zeer groot, het valt niet te ontkennen, dat door het gemis van een Roomsch-Katholieke Universiteit [59] die volledig is uitgebouwd, vele Katholieken – dit is de tweede reden – nog altijd weerhouden worden, hun kinderen naar de Universiteit te zenden. Dit geldt natuurlijk vooral voor de wis- en natuurkundige en medische wetenschappen.

Door deze beide factoren bedraagt het percentage der Roomsch Katholieke studenten aan de Nederlandsche Universiteiten en Hoogescholen niet 35 percent, doch volgens de statistiek van het Hooger Onderwijs – ik gebruik hier de uitgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek van September 1932 – 17,4 percent.

Omdat de Roomsch Katholieke Universiteit van Nijmegen geen Wis- en Natuurkundige, en geen Medische Faculteit bezit en wat de Theologische Faculteit betreft, een heel eigen plaats inneemt, moet men, wil men vergelijkingen tusschen het bezoek aan Nijmegen en aan de andere Universiteiten en Hoogescholen maken, het aantal studenten, dat aan deze laatste Rechten of Letteren en Wijsbegeerte studeert stellen tegenover het aantal, dat in deze beide Faculteiten te Nijmegen studeert. Wij geven hier de cijfers van Meededeling no 48/ Nov. ’35 van ’t Centraal Bureau v.d. Statistiek over 1934/1935. Rechten studeerden in het studiejaar 1934/35 te Leiden 441, te Amsterdam aan de Gemeentelijke Universiteit 304, te Utrecht 252, te Amsterdam aan de Vrije Universiteit 131, te Groningen 115, terwijl er te Nijmegen waren 170. De cijfers voor Nijmegen zijn in deze Statistieken te laag, doch laten we ze voor de vergelijking maar overnemen.

Letteren en Wijsbegeerte studeerden in Amsterdam aan de Gemeentelijke Universiteit 471, te Leiden 252, te Utrecht 185, te Amsterdam aan de Vrije Universiteit 118, te Groningen 112, terwijl hiervoor te Nijmegen waren 254. In het geheel waren er dus voor deze beide Faculteiten aan alle Universiteiten samen 2381 studenten. Te Nijmegen waren er 424. Nemen we ook voor dit jaar in Nijmegen 43 niet-Katholieken, die wel allen in deze beide Faculteiten moeten worden geplaatst, dan waren er te Nijmegen in deze beide Faculteiten 381 Roomsch-Katholieke studenten. Dit is juist 16 percent. Volgens het boven gegeven verhoudingscijfer is voor de Katholieken het cijfer over alle Universiteiten en Hoogescholen 17,4 percent. Op grond van deze cijfers moet men dus besluiten, dat van de Roomsch-Katholieken, die Rechten en Letteren en Wijsbegeerte studeeren 16 van de 17,4 percent, of meer dan 90 percent, aan de Katholieke Universiteit studeeren. Dit klinkt toch wel heel anders dan “nog niet 1/7”. [60]

Nu geef ik toe, dat deze conclusie weer iets te gunstig is, omdat juist wijl er voor deze beide Faculteiten aan een Roomsch-Katholieke Universiteit gelegenheid tot verdere studie is, naar verhouding meer Katholieken deze beide richtingen kiezen, maar dit is toch niet een cijfer, dat van bijzonder sterken invloed is.

Uit de 3 October gegeven cijfers werd de conclusie gesuggereerd, dat “merkwaardig” weinig Katholieken gebruik maken van hun eigen Universiteit. Uit de hier gegeven cijfers spreekt duidelijk het tegendeel. De Roomsch Katholieken waardeeren hun Universiteit ten zeerste. Als een betrekkelijk klein aantal, ook voor Rechten of Letteren en Wijsbegeerte, de eigen Universiteit niet bezoekt, dan geldt daarvoor in den regel een zeer ernstige reden. Een zeer sterke factor is hier, dat een aantal ouders wonend in de nabijheid van een der andere Universiteiten hun kinderen liever daarheen stuurt omdat zij dan een ander groot goed, het ouderlijk huis, bewaren, een verschijnsel, dat zich ook in Nijmegen voordoet, waar van de 572 studenten 43 niet-Katholiek zijn, een percentage niet ongelijk aan dat, dat volgens boven gegeven cijfers van de Katholieken in de twee genoemde Faculteiten aan andere Universiteiten studeert.

Nijmegen, 31 October 1936. Prof. Dr. Titus Brandsma.

 

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2022


 

  1. Typescript (NCI OP113.6), 3 pages. To be published in De Oud-Katholiek, 1 November 1936.
  2. Referring to a publication of De Oud Katholiek, 1936.