Van Sint Egbert

1939

Article

 

Van Sint Egbert

[1]

In het jubeljaar van Sint Willibrord mag niet vergeten worden, welk een voorname plaats in diens leven wordt ingenomen door den H. Egbert.

Sint Egbert was de Abt van het Klooster, waar Sint Willibrord zijn opleiding tot het priesterschap ontving, waar hem de liefde, de geestdrift voor het missiewerk werd ingeprent, vanwaar hij met zijn gezellen uittrok om in ons vaderland het Evangelie te verkondigen.

Willibrord is een Engelsman en werd door zijn vader op zesjarige leeftijd aan de Benedictijnen van de Engelse abdij Ripon ter opvoeding toevertrouwd. Hij werd, gelijk het toen meermalen gebeurde, aan God opgedragen in de verwachting, dat, als hij meerderjarig zou worden, hij die opdracht welbewust zou vernieuwen en bekrachtigen en heel zijn leven een Godgewijde zou blijven.

Sint Willibrord beantwoordde volkomen aan die verwachting.

Toen hij 15 jaar geworden was, vernieuwde hij blij en vol geestdrift de opdracht aan God door zijn vader gedaan en nog vijf jaar bleef hij in de Engelse abdij Ripon om dan over te gaan naar de Ierse Benedictijnerabdij van Rathmelsigi, nu Melfont genoemd.

Op 20-jarige leeftijd kwam hij aldus onder leiding van den H. Egbert in een klooster, dat wijd en zijd bekend was om de heiligheid zijner bewoners om de trouw aan de kloosterregels. Het tekent de ernst van Sint Willibrord, dat hij daarom juist naar dit klooster ging.

Hij bleef er tot het jaar 690, het jaar, waarin hij priester werd. 12 jaar bracht hij er door in voorbereiding daartoe.

Van die lange zorgvuldige voorbereiding heeft ons vaderland later de vruchten mogen plukken. Aan dengene, die de leiding gaf, die de voorbereiding in handen had, mogen we een dankbare hulde niet onthouden.

Telkens wees de H. Egbert, als hij met zijn jonge monniken samen was, op de heerlijke kansen, welke er waren voor de uitbreiding van de Kerk in de lage landen aan de overzijde van de zee. Frans Loots heeft het weergegeven in een mooie plaat. In een zaal zijn de monniken samengekomen. Een grote kaart hangt aan de muur. Sint Egbert, de Abt, wijst zijn jonge monniken op het land, waar nog de Friezen zo goed als onbekend zijn met het Evangelie en waar ze zouden kunnen werken aan de prediking van het Evangelie onder schutse van de Frankische vorsten. Hun gebied zou de uitvalspoort moeten zijn om naar het land der Friezen te gaan en telkens weer het toevluchtsoord, als er gevaar dreigde. Gretig werd zijn woord door de jonge monniken aangenomen.

In 688 ging eerst Wigbert naar ons land om te beproeven er vaste voet te krijgen. Het lukte niet en teleurgesteld kwam hij na twee jaar in de abdij terug, echter niet om daar de geestdrift te doven, maar om er te laten zien, dat er meer heen moesten gaan, dat men het van alle zijden moest beproeven en geleidelijk veld zou winnen.

Hij is als een andere Josue, die het H. Land moest verkennen.

Met zijn terugkeer vlamde eerst voorgoed de geestdrift op.

Een kwam terug, twaalf gingen er voor hem heen.

Aan hun hoofd plaatste Egbert Willibrord.

Het zijn de twaalf Apostelen van Friesland en van de Nederlanden.

Verschillenden zijn tot de eer der altaren verheven, van anderen leeft de gedachtenis voort, van enkelen is de naam onbekend gebleven.

Of ze allen tegelijk of met korte tussenpozen kort na elkander naar deze streken trokken, is niet geheel duidelijk. Zij worden in elk geval als een groep beschouwd, die onder aanvoering van Sint Willibrord in of omstreeks 690 het klooster in Rathmelsigi verlieten om in ons land missionaris te zijn. Sint Egbert is hun geestelijke vader. Ofschoon hij zelf in Ierland achterblijft en zijn abdij blijft besturen, is zijn betekenis voor ons vaderland niet geringer.

Het was allerminst gebrek aan moed of offervaardigheid, dat hem weerhield. Hij was allen eigenlijk voorgegaan. In 686 had hij van zijn abt verlof ontvangen, missionaris te worden. Hij was gesproten uit een adellijk Angelsaksisch geslacht. Tijdens een besmettelijke ziekte, welke ook hem had aangetast, had hij zijn leven aan God gewijd en beloofd, missionaris te worden, als God hem het leven liet. Toen God hem spaarde, voelde hij zich meer in het bijzonder getrokken tot de Friezen en de Saksen, aan wie hij zich verwant gevoelde en die hij daarom tot het Christendom wilde brengen. Tot tweemaal toe werd hij in een droomgezicht vermaand, van zijn voornemen af te zien en tot Abt verkozen, veeleer zijn kracht te zoeken in de opleiding van anderen tot het missiewerk. Maar hij meende, zijn belofte gestand te moeten doen, en vertrok.

De mens wikt, God beschikt.

Nauwelijks enige dagen in zee wordt hij door een hevige storm op de Engelse kust teruggeworpen en wordt het hem onmogelijk gemaakt voorlopig nog te vertrekken. Dit is een laatste vingerwijzing Gods. Hij onderwerpt zich aan de beschikking der Voorzienigheid, die door hem als Abt grote invloed te schenken op de uitzending van telkens nieuwe missionarissen, hem op die wijze nuttiger maakt voor de uitbreiding van het Rijk Gods, dan wanneer hij er zelf was heengetogen. Hij begrijpt zijn plaats en zijn roeping een heeft er schitterend aan beantwoord.

Zeker, zijn deugd en heiligheid laten geen twijfel, of hij zou een verdienstelijk missionaris zijn geweest, maar wij loven toch de Goddelijke Voorzienigheid, dat zij in deze tijd Sint Egbert aan het hoofd heeft willen stellen van een der vruchtbaarste abdijen van Groot Brittannië en daardoor aan het missiewerk in deze streken steeds weder nieuwe toevoer van missionarissen heeft willen waarborgen.

Sint Egbert zien we als den groten voorganger van degenen, die zelf niet persoonlijk en door eigen werkzaamheid aan de uitbreiding van het Rijk van Christus kunnen werken, maar anderen in staat stellen en helpen, dit te doen. Hij bleef in het groene Erin achter, terwijl zijn monniken de zee overstaken, en maakte door het steeds weer wekken van geestdrift voor de missie, dat de missie niet alleen steeds nieuwe krachten kreeg toegevoerd, maar ook dat er voor de missie werd gebeden en geofferd, twee dingen, die onontbeerlijk zijn voor het missiewerk.

Paus Pius XI zeide eens, niet aan de missie te kunnen denken zonder aan Nederland te denken, niet op de eerste plaats om de vele bisschoppen, priesters, zusters, broeders en leken, welke Nederland uitzond naar de gebieden der missie, maar veel meer nog omdat zij, die achterblijven, met de missie meeleven en haar door gebed en offer ondersteunen, mogelijk en vruchtbaar maken.

Die plaats in het bekeringswerk van Friesland neemt Sint Egbert in.

Meer dan veertig jaar heeft hij aldus voor Friesland kunnen werken. Eerst in 729, tien jaar vóór Sint Willibrord werd hij door God opgeroepen. Het was op de 24ste April op de blijde Paasdag na de plechtige H. Mis.

Die dag had voor Sint Egbert een heel bijzondere betekenis.

Het was een triomfdag en werd tegelijk zijn overgang naar een beter leven. Geheel vervuld van de geest der Benedictijner-orde had Sint Egbert heel zijn leven geijverd voor de liturgie der Kerk. Nu was er in Schotland en Ierland verschil in de viering van het Paasfeest. Een gedeelte der Schotse monniken volgde in die viering gebruiken, die afweken van die van Rome, wat de algemene luisterrijke viering in de weg stond. Het was hinderlijk, dat in de ene abdij het Paasfeest met de Goede Week, die er aan voorafging, op een andere tijd viel dan in de andere. Sint Egbert voelde dat en hij als Abt van een der grootste en invloedrijkste abdijen achtte zich geroepen, te beproeven, eenheid in de viering van het Paasfeest te brengen.

Niet gemakkelijk laat een grote abdij en de haar omringende bevolking zich afbrengen van oude ingewortelde gewoonten en gebruiken. Maar de oude eerbiedwaardige abt zag er niet tegen op, van abdij tot abdij te gaan, de bevolking toe te spreken en zag uiteindelijk zijn pogingen met gunstige uitslag bekroond.

In 729 zou in alle abdijen het Paasfeest vallen op dezelfde dag, de 24ste April. Die viering zou een einde maken aan de jarenlange strijd over de Paasviering in de Ierse en Schotse kerk.

Het was Sint Egberts gloriedag.

Onze Lieve Heer heeft de blijdschap, welke daarover zeker Sint Egberts hart vervuld heeft, tot de hoogste hoogte willen opvoeren door hem op die eigen dag de glorie van de hemel te schenken.

T.B.

 


  1. Published in: Ons Noorden, 23 September 1939 [Frisia Catholica].

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2024