Video verba tua esse sicut et opera

1939

Sermon

 


Video verba tua esse sicut et opera

[Sermon][1]


Video verba tua esse sicut et opera

“Ik zie, dat uw woorden en daden overeenkomen”; woorden van de Friese koning Redbad tot St. Willibrord.


Op de vooravond van de Nationale Bedevaart naar het heiligdom van Sint Bonifatius in dit jubeljaar van St. Willibrord, voor 1200 jaar naar de hemel geroepen, kan ik niet anders, dan hun beiden, die de Goddelijke Voorzienigheid reeds als Apostelen ven Friesland in het Apostolaat zelf heeft verenigd, ook hier samen hulde en eer te brengen.

Verplaatsen wij ons ruim 1200 jaar terug in de tijd, dat hier nog de heidense koning Redbad regeerde en op enkele uitzonderingen na bijna allen nog de heidense godsdienst beleden, hoe toen mannen als St. Willibrord en Bonifatius de moed en de liefde hebben gehad, om aan onze voorvaderen van God en Zijn liefde te spreken, hier het Kruis te planten.

Zij staan niet alleen, deze twee grote helden. Vóór Willibrord kwam reeds Wigbertus; mét Bonifatius stierven 52 gezellen. Ook St. Ludger vereren wij als een der vele apostelen van Friesland. Maar de Voorzienigheid, die alles leidt en aan elkeen zijn eigen plaats in de geschiedenis wijst, heeft Willibrord en Bonifatius de leiding gegeven, hen gestempeld tot aanvoerders en helden van groter formaat, mannen, toegerust met bijzondere gaven, meer dan anderen begenadigd, omdat ze tot hogere dingen geroepen waren.

Wij kennen het leven van St. Willibrord niet zo heel nauwkeurig, maar het is toch zeker, dat hij, in het begin van de achtste eeuw in Friesland predikend – wij weten wáár precies – teleurstelling op teleurstelling ondervond, naar Denemarken trok om daar wellicht gelukkiger te zijn maar ook vandaar teleurgesteld wegtrok weer naar Friesland, en toen op waarlijk heldhaftige wijze heeft gepredikt en gedoopt. Het juiste jaar is niet bekend, het zal omstreeks 710 geweest zijn. In 714 stierf zijn grote beschermer Pippijn; voor koning Redbad werd dit de gelegenheid de Franken weer terug te dringen. Al het werk van Willibrord werd verwoest, hij moest vluchten. Terwijl hij was weggevlucht naar het zuiden, kwam uit Engeland St. Bonifatius. Al vond hij alles, wat St. Willibrord opbouwde, verwoest en deze zelf gevlucht, hij versaagde niet en ging naar Redbad. Hij werd door deze niet afgestoten: hij mocht vrij prediken, want Redbad was er zeker van, dat het nutteloos zou zijn. Bonifatius wilde het niettemin beproeven, maar na een half jaar zien we ook hem moedeloos en teleurgesteld weer heengaan. Het vroor nog te hard om het zaad van het Christendom uit te strooien. Redbads invloed was nog te groot.

Maar niet zodra was deze in 719 gestorven, of én Willibrord én Bonifatius komen terug en werken nu samen aan de bekering der Friezen. Drie jaar kan Bonifatius hier vertoeven; dan roept zijn veel uitgestrekter zending hem naar andere gebieden, maar hij blijft de vader en beschermer der Friese kerk. Als St. Willibrord in 739 sterft, komt hij op voor de rechten der Utrechtse kerk en wijdt zijn zorgen aan de voortzetting van het werk van St. Willibrord als Apostel der Friezen, totdat [2] hij in 754 ook voor de tweede maal naar Friesland gaat, om ervoor te sterven en het zo het leven te geven. Zo zien we én St. Willibrord én St. Bonifatius driemaal naar Friesland gaan, onversaagd, trouw aan hun roeping, bereid daarvoor hun leven te geven.

Wat hebben zij ervoor over gehad, opdat wij, onze vaderen en in en door hen wij die nu leven, het leven der genade deelachtig zouden zijn.

Het is ondoenlijk, in deze korte spanne tijds heel het levenswerk dezer twee helden te schilderen en ten voorbeeld te stellen. Ik kan slechts een greep doen uit beider rijk leven, en wil dan twee feiten kiezen, die op de Friese grond van hun moed en van hun liefde getuigen en waaraan wij meer dan aan andere feiten van hun leven de herinnering bewaren, omdat zij hier in onze onmiddellijke nabijheid zijn gebeurd en de herinnering nog de plaats aanwijst, waar zij doopten en predikten.

Ik kan hier geen uitvoerige historische beschouwingen houden, maar meen, dat, gelijk wij morgen naar Dokkum gaan om er de plaats te vereren, waar eens Bonifatius de bron heiligde door erin te dopen en bij die bron stierf, er weinig minder grond is, om aan te nemen, dat de Willibrordusdobbe op Ameland ons de plek aanwijst, waar deze doopte en wel niet stierf, maar wel zijn leven in de waagschaal stelde. Maar ook al zou het niet op Ameland zijn geweest, zeker is, dat het op een der toen tot Friesland behorende eilanden moet zijn geschied, waar koning Redbad macht had over leven en dood. De oudste levensbeschrijver van St. Willibrord, die zijn gegevens nog kreeg van oor- en ooggetuigen, schildert ons die ontmoeting tussen Redbad en Willibrord. En zijn verhaal is leerzaam.

Het zegt ons, dat St. Willibrord, terugkomend van Denemarken, door een storm uit de koers geslagen, op een der Friese eilanden aankwam en daar de verering vond van de ouden rechtsgod Forseti. Er was een bron, aan Forseti gewijd, er waren andere heiligdommen; er graasde vee, dat voor heilig werd gehouden, omdat het aan die god was toegewijd; aan de die god gewijde bron mocht slechts in het diepste stilzwijgen water worden geschept.

Gelijk later te Goslar St. Bonifatius de bijl zal slaan in de heilige eik, zo brandt ook in Willibrords geest het verlangen, door een daad van moed aan de afgodendienaars het ijdele en bedrieglijke van hun godsdienst te laten zien.

Onze Lieve Heer heeft eens gezegd: “Misereor super turbam”: Ik heb medelijden met de schare. Deze woorden zou ik hier St. Willibrord in de mond willen leggen. Hij had medelijden met het Friese volk, dat zulke bedrieglijke goden aanbad en vereerde. Hij was gekomen om het van God te spreken en het door het te dopen, gelukkig te maken, deelgenoot aan de zegeningen en genaden, door het Christelijk geloof aan de mens geschonken. Zijn liefde tot het Friese volk gaf hem in, een daad te stellen, die met één slag de bevolking moest overtuigen, dat de macht van hun goden niet was, zoals zij zich die voorstelden.

Onder zijn gezelschap waren er drie, welke het H. Doopsel wensten te ontvangen, misschien drie van de dertig Deense knapen, door St. Willibrord uit Denemarken meegebracht. Deze drie doopte hij in de heilige bron van Forseti en luide sprak hij op die plaats van stilte de doopwoorden uit. Bovendien liet hij van het heilige vee, dat daar graasde, enkele slachten tot voedsel van zijn gezelschap.

Hij begreep, dat hij veel op het spel zette, dat zijn leven erdoor in gevaar kwam, maar van de andere kant begreep hij ook, dat als hij niet zoiets deed, hij de overtuiging der bevolking niet zou breken. [3]

En hij waagde zijn leven; hij aanvaardde een bijna zekere dood, opdat wij het leven zouden hebben. Hij werd voor Redbad gevoerd. Hevig voer de stoere Friese koning uit tegen de schenner van zijn heiligdom. Door een godsoordeel trachtte hij hem ter dood te brengen en als God Zijn dienaar Willibrord niet op merkwaardige wijze had beschermd, zou hij moeilijk aan dit oordeel zijn ontkomen. God leidde het zo, dat het lot hem vrijliet.

Dit gaf Willibrord meer moed, om Redbad toe te spreken over de ijdelheid van zijn god, hem te spreken over de hemel van de ware God, de hel van de duivel in wiens dienst hij hem verklaarde. Had hij de koning, en wel in het bijzonder déze koning, kunnen winnen, de grootste tegenstand zou zijn weggenomen. Hij slaagde niet, maar wel liet hij de koning achter vol bewondering voor zijn moed en liefde. Wel verwierf hij zich door zijn karaktervolle daad, dat de koning hem met ere liet vertrekken naar het land der Franken. Hoogstwaarschijnlijk nam Willibrord daarbij de weg door de Middelzee, aan welks uiteinde wij weder in het hart van Friesland in de oudheid een St. Willibrordusfontein vinden.

Maar al slaagde hij toen niet, er was een daad gesteld, die bleef voortleven en indruk had gemaakt. Geleidelijk, stap voor stap slechts kon dit moeilijk bekeringswerk voortgang vinden. St. Willibrord moest het enkele jaren later aanzien, dat Redbad bij de dood van Pippijn de gelegenheid waarnam, om alles, wat hij had opgebouwd, weer te verwoesten en hij, Willibrord, die toch wel moed bezat, zich verplicht zag te vluchten. Maar hij kwam weer terug. Zijn liefde tot het Friese volk was te groot, dan dat hij het zou opgeven, het te kerstenen. En God schonk hem bij die derde en laatste poging een metgezel, die op zijn beurt tot driemaal toe naar Friesland zou komen, om er te prediken: Sint Bonifatius.

Twee mannen, groot en sterk, twee helden, die alles trotseren, die hun leven wagen om ons gelukkig te maken. En die tenslotte door hun onversaagde moed en doorzetten ons land gekerstend hebben. Wat moeten wij in die twee mannen het meest bewonderen? Twee dingen vooral spreken in hun leven, twee dingen, die wij van hun kunnen, neen moeten leren: de moed van hun getuigenis en de grote liefde tot het Friese volk, waarvoor zij hun leven waagden.

Wat moeten wij in deze slappe tijd niet opzien naar die beide mannen, die, wetend dat het hun waarschijnlijk het leven kost, toch spreken van God, toch de andere mensen met God trachten te verenigen, omdat zij weten, dat hun dit gelukkig zal maken. Hoe laf is daartegenover ons getuigen! Hoevelen durven nog niet de hoed afnemen, als zij een kerk voorbijgaan? Zij willen zich niet als katholiek doen kennen. Hoevelen menen zich ervan te moeten onthouden, om in het openbaar voor het eten te bidden om God eer en dank te brengen! Ja veel erger, hoevelen hebben niet de moed, voor hun overtuiging uit te komen, terwijl zij toch weten, dat zij, door dit niet te doen, grote en strenge geboden overtreden. Ik vind het heerlijk, dat de felle Redbad zich ontwapenen liet door de moed van Willibrord, hem bewonderde om zijn moed en dit openlijk erkende. En hoewel hij het geloof van Willibrord niet aannam, toch toonde hij eerbied voor zulke heldhaftige verkondiging van het woord Gods. Hij liet Willibrord met ere gaan en zegde hem de volgende levende woorden na: “Ik zie, dat uw woorden en uw daden met elkaar overeenkomen.” Redbad staat daar voor zovelen, ook in de huidige maatschappij, die nog eerbied hebben voor een moedige en konsekwente overtuiging. Al kunnen zij ons nog niet volgen op de weg, die wij gaan, toch hebben zij bewondering en geven daaraan ook uiting, wanneer zij katholieken zien, die het meer zijn dan alleen in naam, katholieken, die voor hun geloof [4] uitkomen en het fier belijden, die trachten, er hun leven mee in overeenstemming te brengen. Onze tijd is geen tijd van halve mensen. Men vraagt nu vooral niet op de eerste plaats woorden, maar daden, die ermee overeenkomen, die ze doen leven. De geleerden spreken in dit verband van pragmatisme en pragmatisch Christendom. Wij Friezen herinneren ons de oude spreuk, die hetzelfde zegt: Sizzen is neat, mar dwaen is in ding.[2] En wij spiegelen ons in Willibrord en Bonifatius, die al kostte het hun het leven, al voorzagen zij er de grootste moeilijkheden door, uit liefde tot het Friese volk en uit liefde tot God getuigenis aflegden van hun geloof.

Maar al spreekt dit heldhaftig getuigenis ons sterk toe, er is nog een tweede eigenschap, die mij eigenlijk nog meer imponeert: hun liefde tot de medemens, hun drang deze gelukkig te maken.

Wat leeft er bij velen van onze tijd een andere geest! “Wat zal men zich druk maken voor een ander?” “Laat elk voor zichzelf zorgen.” “Het is zijn eigen schuld, als hij in de wereld niet vooruitkomt, als hij geen geluk heeft.” Wij leven in een wereld, waarin men zelfs de liefde veroordeelt en een zwakheid noemt die moet worden opgeruimd, waar de mens overheen moet. “Geen liefde, maar eigen krachtsontwikkeling.” “Laat elk zo sterk mogelijk zijn, laat de zwakken ondergaan.”[3] Het Christendom met zijn liefdeprediking heet uit de tijd en moet vervangen worden door de oude Germaanse kracht! (Noot v.d. redaktie: men herinnere zich hier het jaar 1939, waarin deze preek gehouden werd!)[4]

O ja, zij komen tot U met die leerstellingen en er zijn er, die er heel ontvankelijk voor zijn. De liefde wordt miskend, “Amor non amatur”, riep in zijn tijd reeds St. Franciscus van Assisië en enige eeuwen later een H. Maria Magdalena de Pazzi, die in ekstaze de klok van het Carmelitessenklooster luidde, om de mensen te zeggen, hoe schoon de liefde is.

Och, ik zou ook de klokken willen doen beieren, om aan de wereld te zeggen, hoe schoon de liefde is. Al wíl het nieuwe heidendom de liefde niet meer, wij zullen, de geschiedenis indachtig, toch met de liefde dat heidendom overwinnen en onze liefde niet prijsgeven. De liefde zal ons weer het hart der heidenen doen winnen. De natuur gaat boven de leer. Laat de theorie de liefde verwerpen en veroordelen, haar een zwakheid noemen, de praktijk van het leven zal haar altijd weer een kracht doen zijn, die de harten der mensen overwint en gevangen houdt. “Zie, hoe zij elkaar liefhebben”. Dit woord der eerste Christenen moeten de nieuwe heidenen weer van ons kunnen zeggen. Dan zullen wij de wereld overwinnen. En daarom stel ik U deze beide helden zo graag voor als apostelen van liefde, die ons prediken, ons wél druk te maken over het geluk van andere mensen. Deze helden, die ons een leven te zien geven, geheel gedragen door de liefde en daarom zo sterk en zo heldhaftig, omdat er zulk een liefde gloeide in hun harten. “Geen heeft groter liefde voor zijn vrienden, dan die voor hen zijn leven geeft”. Zij hebben het hunne gegeven en het voor niets geteld, waar het opofferen ervan hun de weg scheen om onze voorvaderen tot het Christendom te brengen, dat is tot het eeuwig geluk. Eerst St. Willibrordus alleen, toen St. Bonifatius alleen, toen gedurende bijna drie jaren beiden tezamen hebben hier in Friesland bewijs gegeven, dat zij zich het woord des Heren herinnerden, het woord, dat ons allen oproept uit liefde tot God en tot de evenmens alles, zelfs het leven te offeren.

Ach, leefde hun liefde nog onder ons. Gloeide het vuur, dat hen verteerde, ook nog in ons hart. Zeker, er zijn nog velen, die hun leven in dienst stellen van de ongelukkige mensheid. Er zijn er nog velen, die heel hun leven willen wijden aan het mooie en het goede en er op uit zijn, andere mensen gelukkig te maken, hen te dienen en te helpen. Zij zijn de wegbereiders voor de Heer, maar hun getal is niet groot genoeg. O, hadden wij weer in ons midden apostelen van liefde. Al het andere is daaraan ondergeschikt. De liefde is vindingrijk genoeg om de weg te vinden en alle moeilijkheden te overwinnen.



  1. Sermon during the vigil of the National Pilgrimage to Dokkum, in 1939; the centenary of St. Willibrord, in the church of St. Boniface, Leeuwarden. The NCI preserves a notarized typescript of the sermon (NCI OP 91-001, 4 pages).
  2. Frisian saying, literally: ‘Speaking means nothing, but acting is something’.
  3. Titus Brandsma quotes opinions of many in his time, opinions that are in contrast to his own. Therefore, we add some quotation marks that are not in the notarized typescript.
  4. This note confirms that this text is typed by an editor, not by Titus Brandsma himself.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020