Arabische mystiek en wijsbegeerte

1933 

Encyclopedic entry


Arabische mystiek en wijsbegeerte

1933[1]


Arabische mystiek en wijsbegeerte. De Arabische wijsbegeerte draagt een sterk mystisch karakter, terwijl ook de invloed der Arabische wijsbegeerte zich bijzonder in de mystiek doet kennen. Toch zijn zij niet met elkander te verwarren en neemt de Arabische wijsbegeerte een eigen plaats in, zóó echter, dat de mystiek daarin een voornaam onderdeel is en zij daarop gericht mag worden gezien. Het is een sterke eenheidswijsbegeerte, volgens welke alwat is, beschouwd moet worden als een uitvloeiing (→ Emanatie) uit God, het hoogste Goed, dat zich de bron van alle goed weet. Uit God uitvloeiend blijft het toch met God verbonden en één en wordt het ook door de Goddelijke kracht, zij het trapsgewijze beheerscht. Zoo is er eigenlijk ook maar één denkende, alles leidende kracht, welke echter in de steeds lager vormen volgens den aard dier vormen werkzaam is. De laagste intelligentie is die der maandsfeer, welke alle zijn en worden in het ondermaansche beheerscht. Ook de mensch wordt door dit in hem werkend verstand beheerscht en geleid, zoodat alle menschelijke kennis en verstand tenslotte tot dit ééne verstand is te herleiden en daarmee samenvalt. In overeenstemming hiermee leeft er een overdreven sterke gemeenschapsgeest en gaat de enkeling geheel in de gemeenschap op en is zelfs de voorstelling van een individueele onsterfelijkheid vaag en overweegt het voortleven van het geheel, waarin de enkeling deelt, omdat hij er in opgaat. Met deze emanatie-leer verbinden zij de leer van de eeuwige materie, van eeuwigheid uit God voortgesproten. De materie draagt aldus een Goddelijk karakter en de geheimen der materie hebben voor de Arabische wijsbegeerte bijzondere aantrekkingskracht als openbaring van de geheime eeuwige werking Gods. Zoo verbinden zij een sterk Platoonsch en neo-Platoonsch ontwikkeld Aristotelisch gericht natuur-philosophisch realisme. De beoefening der wijsbegeerte in den Islam is in overeenstemming hiermede, vooral in haar bloeitijd in de middeleeuwen allernauwst verbonden geweest met die der geneeskunde en der sterrenkunde. In de vroege middeleeuwen overheerschte het Platoonsch gerichte rationalisme, totdat geleidelijk de zin voor de werkelijkheid en de ervaring toenam en de meer reëele opvattingen, in het bijzonder in de geneeskunde, de werken van Aristoteles op den voorgrond brachten, vooral zijn Cosmologie en Psychologie, welke echter in hooge mate werden vergeestelijkt door de Platoonsche voorstelling van God in het middelpunt van alle zijn. De eerste bloei van de Arabische wijsbegeerte ligt meer in het Oosten, uiteraard meer tot de beschouwing geneigd, de tweede bloei ligt meer in het Westen en bracht de Arabische wijsbegeerte in nauw contact met de West-Europeesche Katholieke wijsbegeerte, waarin zich een soortgelijke ontwikkeling naar het Aristotelisme voltrok. De Arabieren, die vooral in Noord-Afrika en Spanje tot een hooge cultuur opklommen, waren in deze ontwikkeling in menig opzicht de → Scholastiek voor en oefenden aldus grooten invloed op de verdere ontwikkeling der Scholastiek uit. Hun Aristotelisme was echter geheel getemperd door Platoonsche opvattingen. De Theologia Aristotelis was niets dan een uittreksel uit Plotinos, het aan Aristoteles nog lang toegeschreven Liber de Causis was een vertaling van Proklos. Met dezer beiden neo-Platoonsche elementen vermengd vond het Arabisch Aristotelisme gemakkerlijker ingang in Europa en drong daar in de 13e eeuw tot nadere studie hiervan, tenslotte tot een juistere opvatting van zijn leer. Zoo heeft de Arabische wijsbegeerte zeer veel bijgedragen tot ontwikkeling der Scholastiek, eerstens door grooter waardeering op te eischen voor Aristoteles, tweedens doordat haar Commentaren tenslotte niet bevredigden, tot vele twistgeschriften aanleiding gaven en aldus de geschriften van Aristoteles nauwkeuriger deden vertalen en verklaren in een nieuwen aan het Christendom aangepasten zin.

In ethisch opzicht leidde de Arabische opvatting van de emanatie van alwat is uit God en Gods leven in alwat uit Hem is voortgevloeid, verbonden met hun opvatting van de eeuwige materie, tot een sterke voorstelling van de voorbestemming van alwat geschiedt door God. In den tijd van de meer Aristotelische richting, waarbij aan de natuur meer aandacht werd geschonken, werd deze sterke voorstelling wel eenigszins getemperd, doordat aan den mensch vrijheid van den wil en verantwoordelijkheidsgevoel werd toegekend, maar toch bleef de voorbestemmingsgedachte steeds heel sterk leven. Dit openbaart zich ook in hun fanatieke doodsverachting in den Heiligen Oorlog ter eere Gods en ter uitbreiding van zijn Rijk. Dit doet hen vooral in den beginne al het andere ter zijde stellen om als strijders voor de eer van God de wereld te veroveren. Zoodra het door hen gestichte Rijk Gods echter een geregeld bestaan had, ontwikkelde zich ook meer de leidende gedachte en vormde zich een Godgeleerdheid, om het ‘Woord Gods’ dat door den Profeet tot hen gesproken had, nader te verklaren. Het zijn de ‘leeraars over het Woord’ of de Motekalemin, welke eerst de leiding hebben. Volgens deze opvatting wordt heel het leven door God geleid. In den Koran heeft Hij dit leven omschreven. Dit boek is een wonder Gods, evenals Mohammed, wiens prediking het samenvat, daarin optreedt als de groote Profeet, sprekend in de kracht Gods. De groote eerbied voor den Koran en de vele verklaringen , waartoe deze aanleiding gaf, hebben zeer veel bijgedragen om eenheid te brengen in de Arabische gedachtenwereld en daardoor wijsbegeerte en literatuur in betrekkelijk korten tijd tot vrij hoogen bloei te brengen. Het godsdienstig ethisch element heeft daarin een groote plaats, al kan niet ontkend worden, dat het zien van het Goddelijke in de natuur aan zeer veel uitingen van godsdienstig leven een zeer menschelijken en op de bevrediging van de natuur gerichten kant heeft gelaten. In den eersten bloeitijd der Arabische cultuur drukt intusschen het bewustzijn van de vereeniging met God en het door Hem geleid en bestuurd zijn daarop een sterk mystisch stempel. In deze bloeiperiode werd echter geleidelijk naast den Koran ook aandacht geschonken aan de voortbrengselen van de literatuur der omringende landen. Zoo werden vertalingen ondernomen niet slechts uit de Grieksche, maar niet minder uit de Syrische, Perzische en Indische literatuur. Al leidde dit bij enkele groepen tot een nog meer mystische opvatting van het leven en gaf dit aan de Arabische mystiek een zekere verwantschap met de Syrische, Perzische en Indische mystiek, over het algemeen werkte het een meer rationalistische richting in de hand en ontstonden er naast de scholen der Motekalemin de Motazalen, die weliswaar een verlichting door God aannamen, maar op grond daarvan de bespiegeling van de rede een allervoornaamste plaats inruimden. Deze richting, de meer wijsgeerige, ontwikkelde zich vooral onder het bestuur der Abassieden in de achtste en negende eeuw, vooral onder den kalief Almanoen (813-833). In de elfde eeuw ontstond daartegen een sterke reactie en werd de orthodoxe richting weer de overheerschende. Deze legde eenerzijds weer meer den nadruk op de letterlijke beleving van den Koran en de blinde aanvaarding der Goddelijke openbaring, anderzijds echter ook op de studie van de realiteit der stoffelijke wereld en de verhoudingen, welke deze den mensch doet kennen. De eerste verklaringen van den Koran waren reeds in de 10e eeuw in zes officieel erkende canonieke boeken samengebracht in de zgn. → Hadith-literatuur. Deze vonden op hun beurt weer een uitgebreide verklaring in de zgn. Heilige Wet, die als plichtenleer, de → Figh genoemd, heel het persoonlijk en maatschappelijk leven regelt en omschrijft. Deze meer practische en zakelijke opvatting van het Mohammedanisme voerde in de 12e eeuw tot een nieuwen opbloei ook van de Arabische mystiek, waarbij vooral Algazel een grooten invloed uitoefende en den nadruk legde op de vereeniging met God en de Goddelijke verlichting, waartegenover de menschelijke wijsbegeerte nauwelijks waarde heeft. Deze meer mystieke richting belette echter niet, dat ook aan de wijsbegeerte een groote plaats bleef ingeruimd en vooral het contact met het Westen hield de wijsgeerige vraagstukken levendig, te meer omdat de Aristotelisch gerichte Arabische wijsbegeerte in het Westen groote belangstelling vond en daardoor ook tot nieuwe bespiegeling prikkelde. In het Oosten was vooral de school van Bagdad, in Spanje de school van Cordova beroemd. De strijd tusschen de wijsgeerige en theologische opvattingen werd vooral in de 11e eeuw zooveel mogelijk bijgelegd door de prediking eener dubbele waarheid, één in het kleed der beelden en gelijkenissen, voor het volk, de waarheid der openbaring, een andere van dit kleed ontdaan en gezuiverd, voor de wijsbegeerte, voor de mannen van verstand en inzicht. De mensch erkent godsdienstig de eerste waarheid, is zich echter bewust, dat hij daarvan voor zichzelf een andere voorstelling heeft en volgens zijn natuur ook hebben moet. Men vindt dit standpunt bij Avicenna en Averroës, de beide grootmeesters der Arabische wijsbegeerte. Zij beschouwen de wijsgeerige ontwikkeling als een verder voortschrijden op den weg der waarheid, waarbij vele dingen een ander aspect verkrijgen. De orthodoxen konden zich hiermede niet vereenigen en bestreden de ‘wijsgeeren’ als ketters. Dit heeft er toe geleid dat zij tegenover deze ‘ketters’ de orthodoxe leer meer wijsgeerig hebben verdedigd en aldus hebben verdiept.

Deze verdieping heeft weer het mystiek karakter der leer versterkt, zoodat wij ook in den tijd van den bloei der Arabische wijsbegeerte, door de reactie, welke zij wekte, uitingen van mystiek leven vinden en in de Arabische wijsbegeerte in dien tijd ook aan de mystieke elementen bijzondere aandacht heefzient gewijd. Vooral bij Avicenna is dit het geval.

De Arabische mystiek heeft wellicht haar hoogtepunt bereikt in de naar Perzich model gestichte kloosters of → soefi’s. Hoewel geheel van Perzischen oorsprong, hebben deze in Arabië grooten opgang gemaakt. In eenzaamheid, gebed en vasten moet de mensch zich oefenen om aan zichzelf te sterven en in God zijn ware leven weder te beleven. Dit geschiedt in de extase, in de opslorping door de Godheid, waarbij het eigen bewustzijn verloren gaat, de geest geheel opgaat in God. De Arabische mystiek is wat de uitbeelding betreft, vooral een bruidsmystiek waarin vereeniging met God geschilderd wordt als een geestelijk huwelijk, waarin de liefde tot God alles is en naar niets anders wordt gevraagd of gezien. Bij de myst. vereeniging houden geloof en zedewet op van kracht te zijn, verdwijnt elke pos. vorm van godsdienst.

Wat de afzonderlijke Arabische wijsgeeren en mystieke schrijvers betreft, het zij voldoende hier te verwijzen naar de artikelen, aan de voornaamsten gewijd. Wij noemen hier hun namen ter verdere oriënteering: Alkindi † 873, Ibn Masarrah † 931, Alfarabi † 950, Avicenna † 1037, Algazel † 1111, Avempace (Ibn Bâggah) † 1138, Aboe Bacer (Ibn Tophail) † 1185, en vooral als den grootsten en bekend als dé Commentator van Aristoteles: Averroës (Ibn Roschd) † 1198.

Brandsma.


  1. Published in: De Katholieke Encyclopaedie, Vol. II. c. 631-634. The NCI preserves the printer’s proof.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019