Bij de professie … Turnhout

1939

Sermon

 


Bij de Professie van vier Zusters Reguliere Kanunnikessen van het H. Graf te Turnhout

Zaterdag 22 April 1939[1]


Fecit Angelos suos spiritus et ministros suos flammam ignis. Hij heeft gewild, dat zijn Engelen een geestelijk leven zouden leiden en zijn dienaren zouden zijn als een vuurvlam.


Hoogeerwaarde en Zeereerwaarde Heeren, Feestvierende Zusters, Gelukkige Ouders en Familie-leden, Dierbare Geloovigen.


Nu wij op dezen blijden dag in grooten getale van verre gekomen zijn naar het H. Graf van Turnhout, nu komt als vanzelf in ons geheugen en onze verbeelding op, hoe eens de Apostelen en de vrome vrouwen van Jeruzalem op den blijden Paaschdag gingen naar het H. Graf te Jeruzalem.

Wat zij zagen, zien ook wij: Engelen als wachters bij het Graf, Engelen in witte kleederen gehuld, door God tot een verheven taak geroepen en gezonden, een drievoudige taak, een teeken van goddelijke uitverkiezing.

Er waren ook andere wachters bij het Graf, door donkere machten gezonden, om Christus’ Verrijzenis te beletten en nadat Hij was verrezen, die Verrijzenis te loochenen en tegen te spreken. Maar van deze wachters spreken wij hier niet meer, nadat God ze met zijn bliksem heeft neergeworpen.

Wij begroeten met de Apostelen en de vrouwen de Engelen Gods en verheugen ons er over, dat Hij de wonderen zijner liefde wil doen voortduren en wij nu nog mogen aanschouwen, wat eenmaal de Apostelen en de vrome vrouwen met zoo groote vreugde vervulde. Ook hier zien wij vier Engelen neergeknield voor het altaar om zich aan God toe te wijden om heel haar leven trouwe wachteressen te zijn van zijn H. Graf en bij dit H. Graf de taak te vervullen, welke Hij eens zijn Engelen opdroeg op den dag van zijn Verrijzenis.

Ja, Eerwaarde Zusters, de taak aan die Engelen opgedragen is een beeld van de roeping, door God U geschonken. En daarom willen wij een oogenblik stilstaan en die Engelen beschouwen om te zien, wat Onze Lieve Heer heden van U vraagt, wat Hij tot U zegt in antwoord op uw bede, tot de H. Geloften te worden toegelaten.

De groote moeilijkheid der vrouwen, die in de vroegte opgingen naar het H. Graf was: Wie zal ons den steen afwentelen, die het H. Graf voor ons afsluit? Ziet, de Engel des Heeren daalde neder en wentelde den steen weg en zette zich daarop neder. De vrouwen zagen, toen zij kwamen, hoe voor haar [2] de steen reeds afgewenteld was en zij vrij het Graf des Heeren konden binnengaan. Zusters, gij wilt Uwe geloften afleggen in een Orde, die op zoo heerlijke wijze de taak vervult, voor duizenden den steen af te wentelen, die hen verhindert tot God te gaan. Door de opvoeding, welke uw Instituut zoo roemvol aan zulk een groot aantal kinderen geeft, ruimt gij voor hen de beletselen weg, welke hen van God verwijderd houden en doet gij hen naderen tot Onzen Lieven Heer. Het is een heerlijk Apostolaat, waartoe God U roept door U toe te staan, Uwe Geloften af te leggen in deze H. Orde.

Maar wij hooren ook, hoe de Engelen aan de Apostelen en de vrome vrouwen de blijde boodschap brengen, dat Christus is verrezen, hun de bevestiging geven van Christus’ goddelijke zending, door zijn Verrijzenis, gelijk St. Paulus zegt, zoo krachtig mogelijk voor ons gewaarborgd. Zij veranderen hun droefheid in vreugde, hun duisternis in licht, hun onzekerheid in een oprecht geloof. Dit is een beeld van een andere werkzaamheid aan Uwe Orde toevertrouwd, door voorbeeld, woord en geschrift mede te werken aan de uitbreiding van het Rijk Gods op aarde, op tal van wijzen de wonderen des Heeren te verhalen en te doen kennen en geestdrift daarvoor op te wekken. Tot in de verre Missie-landen toe, tot in het verwijderde gebied van den Congo moogt gij werken aan de uitbreiding van het Rijk van Christus op aarde en wordt uw werk gezegend.

Zusters, ik kan mij voorstellen, hoe uw hart popelt, hoe gij van geestdrift zijt vervuld om uw jonge krachten in te schakelen in dit heerlijk Apostolaat, hoe gij uw frissche werkkracht in dienst zoudt willen stellen van degenen, die zich wijden aan de opvoeding van de jeugd of aan het missiewerk. Hetzij het negatief wordt gezien in het wegnemen van de beletselen, die de menschen van God verwijderd houden, of positief in het ontwikkelen van het goede in het menschelijk hart en het doen kennen van de waarheid, ik kan me begrijpen, hoe het werk U aanlokt en hoe gij U ten offer brengen wilt om deze heerlijke taak te vervullen.

Maar dan zie ik weer de Engelen bij het Graf van den Heer.

Revolvit lapidem et sedebat super eum. Eén oogenblik slechts besteedde hij aan het afwentelen van den steen om er zich op neer te zetten en de wonderen Gods te beschouwen. De Apostelen en de vrouwen, zij vonden ziende in het Graf, hoe te rechter en te linker zijde de Engelen gezeten waren in stille beschouwing van het Lijden en de Verrijzenis van den Heer. Enkele [3] oogenblikken slechts werd hun beschouwing, hun rustige rust onderbroken door de komst der vrouwen en der Apostelen en werden zij geroepen om de blijde boodschap der Verrijzenis aan hen te brengen om daarna weder tot hun beschouwing terug te keeren. Hoe wonderbaar is dit en hoe zegt dit ons, dat wij eerst en vooral moeten nederzitten om te luisteren naar het woord des Heeren en zijn wonderwerken te beschouwen. Wat stellen wij vaak te groot vertrouwen in ons eigen werk en meenen wij ons oordeel te moeten uitspreken, hoe dit of dat zou kunnen en moeten gebeuren. Wat zouden wij dit of dat willen doen en kunnen niet wachten, tot de Oversten er toe besluiten, het ons op te dragen.

Eens maakte ook Martha zich druk voor den dienst des Heeren en moest zij van Onzen Lieven Heer hooren: Martha, Martha, turbaris ergo plurima; porro unum est necessarium. Maria optimam partem elegit: Martha, Martha, gij maakt u druk over vele dingen; en toch is maar één ding noodzakelijk. Maria heeft het beste deel verkoren. Het werd haar niet ontnomen. Het zal ook U niet ontnomen worden, indien gij het weet te kiezen. Het eerste in uw leven moet altijd zijn, luisteren naar de stem des Heeren, U zoo innig mogelijk met Hem vereenigen om dan volgens de roepstem der liefde en der gehoorzaamheid de overweging te onderbreken en U aan de werken van het Apostolaat te wijden. Er is natuurlijk geen sprake van, dat wij het werkzame leven zouden kunnen nalaten. Onze Lieve Heer roept er toe door den nood der tijden en wij moeten ons gelukkig rekenen, dat Hij ons gebruiken wil voor de uitbreiding van zijn Rijk of om allerlei dingen te doen, die noodig zijn in de groote organisatie van zijn Kerk en ook van de Orde. Maar wij moeten niet vertrouwen op eigen kracht en talenten, niet involgen eigen zin en aandrift, maar altijd ons oor te luisteren leggen naar hetgeen Onze Lieve Heer ons door de Oversten, door onze vereeniging met Hem vraagt. Telkens weer, Zusters, moet gij in deze kerk of in een ander huis naar de kapel van dat huis gaan om U te verbergen in het H. Graf des Heeren en als de Engelen eens in dat Graf van Jeruzalem u scharen te rechter en te linker zijde, volgens de regelen van den Koordienst, en daar stil overwegen, hoe wonderbaar God is, die uit het Graf opstond, het doode levend maakte, en te begrijpen, hoe al uw kracht gelegen is in uwe vereeniging met dezen sterken God, van Wien niets u moge scheiden.

In uw kapel toch is ook dat H. Graf en wil Onze Lieve Heer ook zijn Engelen, die zich er in het verborgen nederzetten om zijn macht en liefde te beschouwen. [4] Of eigenlijk is het geen Graf, zoo min als het te Jeruzalem een Graf was. Riepen de Engelen het de Apostelen en vrome vrouwen niet toe: Hij leeft, Hij is verrezen. Dit H. Graf is een beeld van het Graf, dat Christus ons in het H. Tabernakel heeft willen geven. De medelijdende en barmhartige God heeft een gedachtenis ingesteld aan zijne wonderwerken. Memoriam fecit mirabilium suorum misericors et miserator Dominus. In de H. Mis heeft Hij het H. Kruisoffer willen doen voortduren en hernieuwd worden. Rondom dit H. Misoffer groepeert zich uw Koordienst, rondom Misoffer en Koordienst uw leven. Telkens moet gij gaan naar dit H. Graf, maar ook daaruit klinkt u het blijde woord tegen: Hij leeft. En Hij wil, dat wij met Hem leven. Met Paulus moeten wij zeggen, wij, die dagelijks dit H. Kruisoffer en zijn H. Graflegging bijwonen, ons in de H. Communie met dit Offer vereenigen en de vruchten er van trachten te plukken: Ik leef, neen, niet ik, Christus leeft in mij. Het H. Graf van het Tabernakel is ook voor ons geen Graf, maar de Openbaring van Jezus’ leven en de voortdurende opwekking, dat wij met Hem uit het graf moeten opstaan om in en door en met Hem te leven. Maar dan moeten ook wij eerst met Christus het graf binnengaan, met de Engelen ons er nederzetten te rechter en te linker zijde om de diepte der goddelijke vernedering te beseffen en ons daarin te spiegelen, ons daarin met Jezus zooveel mogelijk gelijkvormig te maken. Dan eerst zullen we met de Engelen uit het Graf te voorschijn mogen treden om de blijde boodschap zijner Verrijzenis aan anderen te brengen.

O Zusters, dit is uw heerlijke roeping, maar ik erken, het is niet gemakkelijk, aan die roepstem te beantwoorden, die verheven taak te vervullen. Maar dan roep ik in uw herinnering terug de woorden, welke ik allereerst tot U richtte. Als gij Engelen wilt zijn aan het H. Graf des Heeren; Hij heeft gewild, dat zijn Engelen geesten zouden zijn, d.i. een geestelijk leven zouden leiden, dat gij als zijn dienaressen zoudt zijn als een vuurvlam. Fecit Angelos suos spiritus et ministros suos flammam ignis. Dan moet gij leeren, alles in het leven geestelijk te zien en in een hooger licht te beschouwen, dan moet gij uw menschelijke wijsheid afleggen en uw oordeel weten te regelen naar de oordeelen Gods, die anders zijn. Wij worden zoo gemakkelijk door onze aarsche en wereldsche neigingen en driften meegenomen en bezien alles zoo menschelijk en zoo naar aardsche wijsheid. Maar geesten moeten wij trachten te wezen en ons hooger weten in te stellen.[5]

Nu brandt uw hart van liefde en offervaardigheid. Nu gloeit in u de hoogste geestdrift. Maar het vuur, dat nu op dezen mooien blijden dag in uw harten brandt, neen, dat Onze Lieve Heer door zijn genade heden – door u toe te laten tot de H. Geloften – in uw hart ontstoken heeft, dat vuur moet gij onderhouden, dat vuur moet blijven branden. En daarvoor is noodig, dat gij telkens weer de wonderwerken van Gods liefde in u overweegt, dat gij neerzit met de Engelen in het Graf der zelfvernietiging, der zelfverloochening om te beseffen, wat groote dingen de Heer aan U heeft gedaan en hoe gij tot groote en innige wederliefde verplicht zijt. Als dat vuur niet brandt en niet brandend wordt gehouden, dan kunt gij de taak, die gij vandaag op uwe schouders neemt, niet vervullen.

Maar als ik u schilder, dat uw taak geen gemakkelijke is, dat gij een leven van offer zijt aangegaan, dan is dit noch voor u noch voor mij een reden, daarover ongerust te zijn of zich zorgen te maken. Integendeel, uit heel mijn hart wensch ik u geluk met uwe uitverkiezing tot dit offer. God is met u. Hij, de sterke God, die den dood verwon, Hij zal u helpen en over alle moeilijkheden doen zegevieren, als gij u slechts met Hem verbonden houdt, als gij slechts op Hem vertrouwt. Ik feliciteer u, omdat gij in de liefde u heden door God betoond een waarborg moogt zien, dat Hij u tot de eeuwige glorie roept en u uit het Graf, waarin gij u verbergt, wil doen verrijzen tot een leven met Hem en tot een eeuwig leven in zijn glorie.

En als ik u geluk wensch, dan ook U, Ouders en Familie-leden, omdat ondanks het offer, dat gij brengt – Ja, gij brengt een offer, ik erken het een zwaar offer, gij kunt, die zich hier aan God toewijden, gij kunt ze eigenlijk niet missen – gij u gelukkig voelt, omdat zij gelukkig zijn. Gij verheugt u, omdat gij weet, dat zij door haar offer en haar toewijding aan den Heer den weg gaan naar den Hemel, den weg volgen, door God haar afgebakend om haar tot de heerlijkheid des Hemels te brengen als zijn teer en boven anderen geliefde Bruiden. Ik deel in uw aller vreugde en ik ben blij, heden enkele woorden te hebben mogen spreken om [aan] die vreugde uiting te geven en daardoor ook uiting te geven aan de vreugde, die uw aller hart vervult.

En tot slot, op dezen Zaterdag onder het Octaaf van het feest van het H. Graf, op dezen dag aan Maria toegewijd, mag ik mijn woorden niet besluiten zonder allereerst Maria, de Koningin der Engelen, dank te zeggen voor de genade, welke door de bemiddeling van haar, die toch de Middelares van alle genaden is, aan deze vier Zusters heden is geschonken, en vervolgens om haar [6] machtige voorspraak in te roepen over deze vier Zusters, opdat zij, Engelen geworden bij het H. Graf van Christus haren Zoon, onder aanvoering van de Koningin der Engelen, door haar voorbeeld geleid, door haar machtige voorspraak geholpen, de verheven taak vervullen, die Jezus haar vandaag gegeven heeft. Gelijk Maria eens aanschouwen mocht de glorierijke Verrijzenis van haar Goddelijken Zoon, zoo moge zij aanschouwen de Verrijzenis met Hem van deze zijne Bruiden, opdat zij met Haar, de Koningin des Hemels deelen in eeuwigheid in de onsterfelijke glorie, die ik U allen moge toewenschen. Amen.

p. Titus Brandsma O.Carm.


  1. Typescript, (NCI OP 91.31), 6 numbered pages on Carmel Nijmegen stationery (Carmel Nijmegen, Doddendaal 8, tel. 26113, giro 197823). The archives also preserve a transcript of the text (NCI OP 124.16). According to the information in the archives, the sermon is held at the celebration of the temporary profession of a.o. Sr. Laetitia Zwetsloot.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021