Carmelieten en Carmelitessen

1929

Radio speech

 


Carmelieten en Carmelitessen

[1]

Eenige oogenblikken spreken over de oude Orde van Onze Lieve Vrouw van den Carmel, ik mag niet ontkennen, ik doe het zeer gaarne. Zij heeft mijn liefde sinds mijn jeugd en ik acht het een voorrecht er lid van te zijn, intusschen al meer dan dertig jaren.

[[2] Voor hen, die met het kloosterwezen der Katholieke Kerk minder vertrouwd zijn, moge voorafgaan, dat de Orde is een vereeniging van mannen en daarnaast maar afzonderlijk georganiseerd ook van vrouwen, die zich uit de wereld terugtrekken, in gemeenschap, in grootere of kleinere gemeenschappen, kloosters of voorloopige kleinere nederzettingen leven, na een proeftijd geloften afleggen eerstens van zuiverheid, waardoor zij den ongehuwden staat voor het leven verkiezen, van armoede, waardoor zij het eigen bezit prijsgeven en allen slechts van het gemeenschappelijk bezetene genieten wat hun wordt toegewezen, doch [2] steeds in beperkte, met hun Orde in overeenstemming gehouden mate, eindelijk van gehoorzaamheid, waardoor zij zich voor het leven ter beschikking stellen van degenen, die in de Orde het tijdelijk bestuur voert, zoowel met betrekking tot de plaats waar en den werkkring waarin dit hen stelt. Het verband is internationaal. Hoewel in den regel elk land, in grootere landen vaak onderscheiden deelen van die landen eigen eenheden, ordesprovincies vormen en in den regel zij, die daarin in de Orde treden, tot die provincie blijven behooren, is toch, vooral met het oog op studie en missie verplaatsing van het eene land naar het andere geen uitzondering. Zoo heeft ook in de Orde der Carmelieten Nederland zijn eigen Ordesprovincie, de Nederlandsch-Duitsche genoemd, omdat er van ouds enkele Duitsche kloosters toe behoorden en ook nu, daartoe, hoewel er ook een Duitsche Ordesprovincie bestaat, het klooster te Mainz toe behoort. Hiertoe behooren de Carmelietenkloosters te Boxmeer, te [3] Zenderen bij Almelo, te Oss, Hoogeveen, Aalsmeer, Merkelbeek bij Sittard, Oldenzaal, Nijmegen, en het reeds genoemde klooster te Mainz, maar deze Nederlandsche provincie heeft sinds 1903 een missie in Brazilië met zes vaste kloosters en sinds 1923 een missie in Oost-Java met thans reeds vier vaste posten en meerdere vandaar uit bediende staties. Naast de Nederlandsche Ordesprovincies staat een Duitsche Provincie, een Engelsche, Amerikaansche, Italiaansche, Spaansche, Poolsche enz. Aan het hoofd der geheele Orde staat te Rome een internationaal gekozen Bestuur bestaande uit een Prior Generaal, een Procurator-Generaal en eenige Assistenten, in den regel allen van verschillende nationaliteit. De Orde van Carmel onderscheidt zich hierdoor niet van de andere oudere en grootere Orden uit de Middeleeuwen. De algemeene Overste moge bij Dominicanen en Augustijnen Magister Generaal, bij de Minderbroeders Minister Generaal, bij de Carmelieten dan Prior-Generaal [heten,] [4] de organisatie is in de groote lijn in al deze Orden dezelfde. Er is niet meer de sterk gedecentraliseerde organisatie der oude monnikenorden zooals Benedictijnen, Cisterciensers en ook Norbertijnen, waar elk klooster in den vorm van abdij vrijwel op zich staat, maar ook niet de veel grooter centralisatie die de nieuwere Orden en Congregaties, te beginnen met de Orde der Jezuieten, de Congregatie der Redemptoristen en de vele nieuwe Missie-Congregaties in het Bestuur is doorgevoerd. De Ordesprovincies zijn vrij zelfstandige eenheden, die hun eigen Bestuur zelve kiezen, en in die provincies hebben ook de kloosters een zekere zelfstandigheid in keuze van officianten en beheer van hun goederen bewaard. De nederzettingen dezer Orden zijn volgens hun instellingen niet meer de groote uitgestrekte door een groot aantal monniken bewoonde abdijen, maar kleiner, eenvoudiger, zoodat zij in den tijd van hun opkomst in de dertiende eeuw, met betrekkelijk geringe kosten in alle voornamere plaatsen konden worden gesticht. [5] Zij hadden geen hooge eischen noch wat woning noch wat kerken betreft, zij vormen een zekere reactie tegen het samentrekken van de monniken in betrekkelijk weinig en vaak buiten de opkomende steden gelegen groote abdijen. Maar het bleven kloosters, men leefde in gemeenschap, bad gezamenlijk de getijden overdag zoowel als te middernacht. Men verspreidde zich wel veel meer dan de vroegere monniken, maar niet zooals later in steeds kleiner groepjes of individueel. Dat moest steeds een uitzondering blijven een voorloopige toestand. De kloosters vormden de provincies, niet de individuen, de grondvorm der organisatie bleef het klooster. Staties over een, twee of drie personen konden tijdelijk geduld worden bij nieuwe stichting of in missielanden, het doel [der] stichting was te komen tot een klooster, waar zonder onderbreking het bidden van het koorgebed mogelijk is. Zij wijden zich wel aan de zielzorg, maar toch niet zonder een vrij groot deel van den dag voor te behouden voor gezamenlijke overweging en gebed in het koor en andere gemeenschappelijke oefeningen. [6] Zij vormen in zekeren zin een middenvorm tusschen de oude Orden en de nieuwe Congregaties. Omdat zij het eigen bezit prijsgaven en in eenvoud en armoede wilden leven van hetgeen hun werd gegeven, en zij dit gewone levensonderhoud, ook waar het hun niet vrijwillig geboden werd, vroegen, werden zij spoedig bedelmonniken genoemd en vormen zij als zoodanig een afzonderlijke groep. De Geschiedenis kent vooral vier groote bedelorden, in dien vorm ontstaan omstreeks het begin der dertiende eeuw, den tijd, waarin het zoo sterk sprekende optreden ligt van den Poverello van Assisi, den H. Franciscus. Het zijn de Franciscanen of Minderbroeders, de Dominicanen of Predikheeren, de Eremieten van Sint Augustinus of Augustijnen en de Broeders van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel of Carmelieten, over wie thans meer in het bijzonder.

De Orde van Carmel was niet in eersten aanleg een bedelorde en haar ontstaan ligt dan ook vroeger. In den vorm, waarin wij haar thans kennen, als bedelorde [7] dateert ook zij uit het begin der dertiende eeuw, maar dit was reeds een derde of liever vierde fase van haar bestaan. In anderen vorm ontstaan en gegroeid op den berg Carmel en in het Oosten nam zij eerst den huidigen vorm aan bij haar verplaatsing naar het Westen onder den druk der Mohamedanen, die in 1291 aan haar bestaan in het Oosten geheel een einde maakten. ]

Voor het ontstaan van de Orde van Carmel moeten we heel ver in de geschiedenis teruggaan. Haar ontstaan is geweest een geleidelijke groei. Voor het goed begrip dier ontwikkeling moeten we zelfs teruggaan tot den tijd, toen op den berg Carmel nog de Profeten Elias en Elisaeus woonden en hun leerlingen en navolgers hadden. De Carmel is een heilige berg, in vereering bij de Joden, later bij de Christenen, nog later bij de Mohamedanen. Op dien berg zag Elias nadat drie en half jaar droogte Israel geteisterd had, in het wolkje, dat de verlossing droeg, een beeld van Maria, de Moeder van den Verlosser van Israel. Zijn herinnering [8] en die aan zijn gezicht van die schoone voorafbeelding der Verlossing en van Maria de Moeder Gods bleven op den Carmel leven, leefden er voort bij de vele kluizenaars, die in alle tijden steeds in vrij grooten getale op den Carmel leefden. Er was een kluizenaarstraditie op den Carmel, de kluizenaars volgden elkander op en blijkens overoude inschriften hebben zij er de herinnering aan Elias en zijn wonder bewaard en vereerd. Het is bekend, hoe in den tijd der kruistochten vele Europeanen uit allerlei landen, zich getrokken gevoelen, na deelgenomen te hebben aan den strijd, zich terug te trekken in de eenzaamheden van Palestina, op de muren van Jeruzalem[3], niet het minst op de van ouds daarvoor uitgekozen heiligen berg Carmel. Zij leefden er als kluizenaars. De plaats, waar zij leefden, legde een band tusschen hen. Uren van gevaar, bezoek van de kerk bracht hen nu en dan samen. Zij vormden een zekere eenheid, maar van een zeer los verband. Zij zouden anders niet geweest zijn ‘Kluizenaars van den Berg Carmel’. [9]

[ Naarmate in dien tijd hun getal toenam, werd een inniger verband meer noodzakelijk. Hetzelfde hebben we gezien in de nederzettingen van kluizenaars in Egypte in de eerste eeuwen. Kluizenaars blijvend dwingt hen het samenwonen op een plaats, het gezamenlijk benutten van eenzelfde put, op den Carmel, den put van Elias, het van elkander afhangen in zoo menige aangelegenheid, tot de aanwijzing van een die voor allen optreedt en allen vertegenwoordigt, tot verdeeling onder elkander van bepaalde officies in een woord tot een soort van organisatie. Dit had ook op den Carmel plaats. ] In 1155 moet het ongeveer geweest zijn, toen de Profeet Elias aan den Kruisvaarder Bertholdus van Limoges verscheen en hem de opdracht gaf, de kluizenaars van den Carmel in nauwer verband met elkander te brengen, meer eenheid te brengen in hun leven, een muur te bouwen rondom hun cellen en een bidplaats in het midden daarvan. [10] Die opdracht werd bevestigd door den Patriarch van Antiochië, die tijdelijk, wijl de patriarch van Jeruzalem was overleden, rechtsmacht over den Carmel had. Zij was bovendien aan een heilige gegeven, een man door God daartoe geroepen, die de oude kluizenaarsinstelling geleidelijk meer het aanzien gaf van een klooster. Het kapelletje, dat de H. Bertholdus in het midden der cellen bouwde was aan Maria toegewijd, reeds hadden in vroeger eeuwen de kluizenaars daar Maria ter eere een kapelletje opgericht, maar het was weer verwoest. Thans herrees het en het kan ons niet verwonderen, dat men naar dit heiligdom van Maria sprak van de Kluizenaars van Sint Maria van den Carmel, een naam die den Carmelieten steeds lief is gebleven en zijn grond heeft behouden in de voortleving van de bijzondere godsvrucht tot Maria. 50 Jaar bestuurde de H. Bertholdus de aldus vernieuwde [11] en zich steeds meer ontwikkelende kluizenaarsinstelling. Een geschreven regel hadden zij niet, al volgden zij in hoofdzaak den ouden kloosterregel aan Joannes, den 44sten Patriarch van Jeruzalem toegeschreven, doch waarschijnlijk eerst na hem vervaardigd naar regelen van hem overgeleverd. Bij de ontwikkeling der instelling vond de opvolger van den H. Bertholdus, een andere heilige, de H. Brocardus een geschreven regel noodzakelijk en hij vroeg den Patriarch van Jeruzalem Pauselijk Delegaat hun een regel te geven. Hij voldeed aan hun verzoek in 1205, doch schreef er uitdrukkelijk bij, dat het geen nieuwe regel was, slechts de omschrijving hunner heerschende gebruiken. Deze regel, het spreekt vanzelf, regelt nog het leven der Carmelieten als een kluizenaarsinstelling, geheel gewijd aan het beschouwend leven, geheel gescheiden van de wereld, gebonden aan de cel. De eerste helft der dertiende eeuw zou echter verandering brengen. Steeds kritieker werd de toestand in het H. Land. Stad na stad, [12] streek na streek viel in de macht der Mahomedanen terug en telkens moesten vele Europeanen hun leven redden door een overhaaste vlucht over zee naar Cyprus, Sicilië, tenslotte naar hun vaderland. De kluizenaarsinstelling van den Carmel was niet tot dien berg beperkt gebleven. Haar reorganisatie en bevestiging had haar tot grooten bloei gebracht. Jacobus van Vitry een tijdgenoot schildert ons hun heilig leven, dat tot navolging drong. Hij vergelijkt hen met bijen, die den zoetsten honing uit den tuin der kerk wisten te puren. In Tyrus, in Sidon, Tripolis, in de vlakte van Jericho, de woestijn der 40-daagsche Vasten waren nederzettingen gesticht, maar uit de eene na de andere werden zij na korten tijd, vooral na het verstrijken van den wapenstilstand in 1238, verdreven. Sommigen stierven liever dan hun eenzaamheid te verlaten, maar anderen meenden beter te doen naar Europa terug te keeren en daar zoo goed mogelijk en in overeenstemming met de toestanden daar hun leven voort te zetten. [13] Het laatste standpunt werd ook door den derden Prior-Generaal, den H. Cyrillus gedeeld. Hij voorspelde op ingeving Gods, dat weliswaar de Orde in het H. Land zou ten gronde gaan, maar rijker zou opbloeien in het Westen. Die voorspelling werd schitterend vervuld. Geleidelijk vormden zich nederzettingen in alle landen van Europa. In Nederland dagteekent de oudste nederzetting, die te Haarlem, van 1249. Zij kwam tot stand door den H. Simon Stock zelven, toen Generaal der Orde. De kluizenaars van het heiligdom van Maria op den Carmel vonden aldus op vele plaatsen, vooral in de streken, waar zij na soms tientallen jaren van afwezigheid terugkeerden meestal een gul onthaal en het volk beijverde zich, om hun het eenmaal gekozen leven zooveel mogelijk ook in hun geboorteland mogelijk te maken, vooral als zij in ruil daarvoor een klooster, een bidplaats in hun stad of in hun streek ontvingen en zielzorg van hen genoten. Dit laatste bracht natuurlijk verandering in de levenswijze der kluizenaars. Naast hun beschouwend leven kwam nu ook het werkend leven een plaats vragen. In plaats van losse en zelfstandige cellen met een kapel in het midden, kwam nu een meer geregelde [14] kloosterbouw naast een kerk. Dit bracht een dubbele moeilijkheid mede. Eerstens werd hiermede het innerlijk wezen der Orde bedreigd en was een grens moeilijk te trekken, anderzijds stiet het deelnemen aan de zielzorg door preeken en biechthooren op tegenstand bij de geestelijkheid ter plaatse. Prior-Generaal der Orde – de zesde – was toen de alom bekende H. Simon Stock, een Engelschman. Hij maakte zich niet geringe zorgen misschien nog meer over het eerste dan over het tweede, maar toch over beiden. [inclusion page 14a] In de moeilijke omstandigheden wendde hij zich in 1247 tot Paus Innocentius IV om aanpassing van den ouden regel aan de geheel nieuwe tijdsomstandigheden. De Paus hield gaarne rekening met den keer, welken de levenswijze der kluizenaars van den Carmel moest nemen, om het in Palestina begonnen leven in Europa voort te zetten. Ernstige wijzigingen werden in den Regel aangebracht met betrekking tot het leven in de eenzaamheid, het bezit van goederen enz. Hiermede werd de Orde, hoewel zij haar eersten aanleg niet verloochende, ingedeeld bij de bedelorden met verlof, zoo niet de verplichting, naast het beschouwend leven ook aan het werken-leven een plaats te schenken. Dit wettigde en bevestigde zeker het nieuwe leven door de Carmelieten in Europa geleid, maar maakte, waar men de geschiedenis niet zoo goed kende, ook den tegenstand tegen de nieuwe Orde grooter. De moeilijkheden waren met de goedkeuring van den naar Europeesche eischen gewijzigden regel, geheel niet weggenomen, wellicht nog verscherpt. Nog vuriger bad nu de H. Simon Stock om uitkomst. [continuing on page 14] Groot vereerder van Maria, als hij steeds was, wendde hij zich zonder ophouden tot haar, wier naam zoo innig met de Orde was verbonden, die op den Carmel sinds onheugelijke tijden werd vereerd, Maria. Ik zal hier niet uitvoerig spreken over de wonderbare verschijning, welke den H. Simon Stock in den nacht van 16 Juli 1251 ten deel viel. Alle Katholieken kennen het Scapulier van Carmel; herinneren zich, hoe volgens het oud eerbiedwaardig verhaal Maria aan den H. Simon Stock verscheen en hem zeide, [15] dat hij in het kleed der Orde een teeken en waarborg mocht zien van hare bijzondere bescherming in leven en in dood en alwie dit kleed zou aannemen en godvruchtig dragen, voor de eeuwige straf bewaard zou blijven, dat hij ten anderen naar den Paus moest gaan of afgevaardigden tot hem zenden om den regel opnieuw te doen goedkeuren en prijzen. De mare dier verschijning verspreidde zich snel, om strijd wenschte men het kleed der Orde aan te nemen, sommigen om het te dragen met alle verplichtingen van den gewijzigden Regel, zeer velen echter alleen om zich met de Orde te verbinden, in haar vriendschap en in haar geestelijke voorrechten te deelen en in dit, uit godsvrucht gedragen kleed te sterven. Ditzelfde geschiedde ook in andere Orden, gelijk ook nu nog velen het kleed eener Orde aannemen om er in te sterven en er in begraven te worden. Het kleed van Carmel, bij uitstek het kleed van de Kinderen, de broeders van Maria, had echter verre de grootste bekoorlijkheid voor de massa. Spoedig droegen duizenden het Scapulier van de Lieve Vrouw van Carmel. Nog heden is er wel haast geen Katholiek, die het Scapulier van Carmel [niet] of heeft gedragen of nog draagt. [16] Dit heeft er niet weinig toe bijgedragen eenerzijds om in de Orde zelve de godsvrucht tot Maria te doen toenemen en als een kenteeken van de Orde te doen beschouwen, anderzijds om de Orde bij het volk populair te maken en steeds meer ingang te doen vinden. De godsvrucht tot Maria, de prediking ervan, de eerbied voor het Scapulier als kleed van de Orde van Maria deden spoedig de Carmelieten algemeen de Lieve-Vrouwebroeders, korter Vrouwebroeders noemen, Frauenbrüder, Fréres de Notre Dame. En het ontstaan en de ontwikkeling stempelen aldus de Orde heel bijzonder als de Orde bij uitstek van de innige vereerders van Maria. Als we bedenken met hoeveel liefde en godsvrucht de andere Middeleeuwsche Orden Maria vereerden, dan moet de vereering der Carmelieten van Maria en hun prediking daarvan wel zeer, zeer groot en innig zijn geweest om hen onder al die Maria-vereerders speciaal de Vrouwebroeders te doen noemen. Zij drukt op de Orde dan ook haar bijzonder stempel. [17]

[ Hiermede zijn we gekomen tot de omschrijving van de hoofdkenmerken van de Orde; Zij is een der groote bedelorden, als zoodanig dagteekenend uit de dertiende eeuw (1247), maar ontstaan uit een veel oudere instelling van kluizenaars in overoude tijden ter navolging van den Profeet Elias op den Carmel ontstaan en in 1155 door den H. Bertholdus nader geregeld, krachtens die wording ook ]

Maar deze godsvrucht tot Maria versterkt ook het andere kenmerk der Orde, dat zij voortbouwend op haar oorspronkelijke kluizenaarsinstelling, het beschouwend leven als haar eerste erfdeel en hoogste taak beschouwt, en daarmede om en naar de omstandigheden, het werkend leven verbindt, doch nooit zoo, dat het eerste niet blijft domineeren en niet beschouwd moet blijven als de bron van het tweede; daardoor een Orde, waarin het gebed en de vereeniging met God een zeer bijzondere plaats inneemt door God zelven daarin bevestigd door den overvloed van mystieke begenadiging aan de Orde geschonken, de Orde van [18] de groote mystieke Heiligen, een H. Teresia, een H. Joannes van het Kruis, een H. Maria Magdalena de Pazzi, een H. Simon Stock, een H. Teresia van Lisieux en tientallen, neen honderdtallen anderen. [ In dit zoo bijzonder met God vereenigd en door God gezegend Carmelleven neemt Maria steeds een allesbeheerschende plaats in. Het is of die bijzondere godsvrucht tot Maria juist het onderpand was van het leven in vereeniging met God. In de Mystiek van den Carmel neemt Maria de plaats in van Moeder en Leermeesteres van Toonbeeld en ideaal. ] Uit deze omschrijving van de hoofdkenmerken valt af te leiden, dat studie, vooral van de kerkelijke wetenschappen eenerzijds, apostolaat en missie aan den anderen kant, zeker aan de Orde eigen zijn, doch slechts als uitvloeisel van die hoofdkenmerken. Het leven van gebed wordt verbonden met de studie in de kloostercel, de mystieke begenadiging heeft den Carmel tot apostolaat en prediking gedrongen. [19] Studie en apostolaat staan niet op het eerste plan, maar moeten beschouwd worden als de eerste werken naar buiten van de met God door den geest van gebed verbonden ziel, door hem ook tot werken geroepen. Hier niet studie en apostolaat geheiligd en gewijd door het gebed, doch veeleer het gebed, dat in de omstandigheden dezer wereld dringt tot studie en apostolaat. In de practijk mogen tusschen de eene en de andere opvatting niet zoo heel groot verschil liggen, beiden vaak in elkander overloopen, de instelling is echter verschillend, het karakter is onderscheiden. Bij den H. Franciscus stond het breken met de wereld, de volstrekte armoede, de dwaasheid van het Kruis op den voorgrond, bij den H. Dominicus de bekeering der ketters, de prediking van het ware geloof, het leeraarsambt der Kerk, bij den Carmel vooral het zich stil vereenigen met God om in stilte en eenvoud met God vereenigd de wereld van God te spreken. [20] [ Hier niet de felle tegenstelling met de wereld van den Poverello van Assisi, maar de armoede meer gezocht in eenvoud en afkeer van praal. Hier niet de leiding in de schoolsche wijsbegeerte en godgeleerdheid, maar toch rijkdom van theologische en scripturistische kennis, diepe exegese van de H. Schrift, de beste Commentaren op den H. Thomas, dien ze volgen en verklaren zonder praal of vertoon, trouw en aanhankelijk aan de oude tradities. ]

Kardinaal Gasquet typeerde eens de Carmelieten niet slecht door ze ‘simplicis et sincere’, ‘eenvoudig en ongekunsteld, eenvoudig en oprecht’ te noemen.

De vijanden der Kerk hebben bij haar geschiedenis nooit gedacht aan ‘het doel heiligt de middelen’ een politieke inslag vertoont de Orde allerminst, zij is wars van aanstellerij en praal, zich gewichtig maken zou haar niet afgaan, zij loopen er zoo ‘simplices et sinceri, zoo in allen eenvoud en ongekunsteldheid tusschen door, zij bewandelen graag, wat de H. [21] Teresia van Lisieux noemt, den kleinen weg, maar God zij lof, velen in de Orde komen daarmede in zeer innige vereeniging met Hem. Dat is in den loop der eeuwen een bijzonder voorrecht van de Orde geworden, zoodat het haar leden zelve verrast, verheugt, zich doet bezinnen en beseffen, waartoe ook zij geroepen zijn. Zoo wordt het een traditie en een roem, maar het is al zeer moeilijk daar groot op te gaan, omdat niets zoozeer het werk en de uitverkiezing is van God dan de vereeniging met Hem in het gebed zoowel in de laagste als in de hoogere fasen van het godbegenadigd mystieke leven. Het is Gods geheim. Het is als een geheim verbond, dat eerst in de eeuwen van geschiedenis kenbaar wordt. Eenmaal kenbaar mogen we het loven en prijzen en ons gelukkig achten tot deze Orde van innigheid te behooren, al is het duidelijk dat zulk besef hooge verplichtingen doet kennen, waaraan te voldoen niet altijd gemakkelijk valt.

Ook dat bewees de geschiedenis. [22]

De Orde verbreidde zich vrij snel in Europa, in alle landen werden kloosters gesticht, provincies gevormd, voor allerlei bedieningen werden de paters gevraagd, zij studeerden aan de Universiteiten, doceerden in scholen, predikten op het land en in de steden, in een woord, zij stonden midden in de wereld. De verschillende werkzaamheden waren niet alle even vereenigbaar met het oorspronkelijk zeer teruggetrokken en strenge leven en ter wille van het werk, dat de Orde toch was opgedragen, moest in den loop der tijden menige dispensatie in regel en voorschriften worden gegeven. Hier was het nachtwaken onmogelijk, elders werd dispensatie gegeven in het altijd vleesch derven, de milddadigheid der geloovigen bracht soms de armoede en den eenvoud in het gedrang. In de veertiende eeuw deed de zwarte pest, die heele kloosters ontvolkte, in alle Orden, ook in die van den Carmel allerlei verzachtingen invoeren. In den loop der eeuwen verloor de Orde aldus van haar oorspronkelijken luister, gestrengheid en ingetogenheid, zonder dat daarom gesproken behoeft te worden van ontaarding of verbastering. Vele verzachtingen in den ouden regel slopen zoo geleidelijk in, doch het spreekt vanzelf, dat [23] deze niet tegen de letter van regel en voorschriften gehandhaafd konden worden. Toch was het vaak ook moeilijk voor de hooge Overheid, ze ongedaan te maken en de oude gestrengheid in de zoo veranderde omstandigheden van plaats en tijden te herstellen. Dan was er geen andere weg, dan de verzachtingen in de wetten op te nemen, den bestaanden toestand voor een deel te sanctioneren om daardoor aan de verzachting eenerzijds een perk te stellen, anderzijds voor zoover ze billijk werd erkend, daaraan een wettelijke Sanctie te verbinden. Zoo kwam vooral in 1432 onder Paus Eugenius een verzachting van den regel tot stand, waarin de eenzaamheid het volgens den Regel zeer teruggetrokken leven wat vrijer werd en de strenge onthouding ook eenigermate werd getemperd door al was het maar een paar keer in de week het gebruik van vleesch toe te staan. Wat aldus naar de letter een verzachting was, was van den anderen kant ook een uiting van den wensch naar een welomschreven levensvorm en het kan ons niet verwonderen, dat met die verzachting toch een tijdperk van nieuwen bloei werd ingeluid. [24] Zij het op eenigszins gematigden grondslag werd een hervorming begonnen, die den ouden luister weer deed schitteren. De groote figuur in deze beweging is de Z. Joannes Soreth, eerst Provinciaal van Frankrijk, later generaal der Orde. Hij vond vooral steun in de Nederlanden. Vriend van Karel de Stoute, verkreeg hij van dezen de stichting van het klooster te Oudorp bij Alkmaar. Spoedig volgde de stichting van een klooster te Utrecht. Met Mechelen werd dit het groote steunpunt van de hervorming der Orde en met eere noemen wij hier den bekenden Nederlandschen geschiedschrijver Joes a Leydis Prior van Haarlem als een der groote promotoren van de hervorming der Orde in de laatste helft der 15de eeuw, den tijd van hervorming van bijna alle orden in ons land en daarbuiten voor niet gering deel onder invloed van de moderne devotie, de roem der Nederlanden. Wat een Pater Brugman was voor de Minderbroeders was in dien tijd in ons land een Joes a Leydis voor de Carmelieten, beroemd naar buiten, de eerste om zijn redenaarstalent, de tweede om zijn geschiedschrijving, maar beiden nog meer te waardeeren als mannen van hooge geestelijke opvatting en van vernieuwing in den kring hunner medebroeders. [25]

Er zou te wijzen zijn op meerdere pogingen tot hervorming, bewijs zeker eenerzijds van verslapping en inzinking, maar anderzijds ook van nog altijd schuilende levenskracht. [ De bekende Latijnsche dichter de Z. Baptista Mantuanus bijv. was de ziel van een zeer strenge hervorming der Orde, welke haar zetel had te Mantua, maar spoedig vele tientallen kloosters in Italie en zelfs daarbuiten omvatte. Te wijzen is ook op een hervorming met tot zetel Albi in hetzelfde Italie, waar men zelfs nog de oorspronkelijke regel van 1247 onderhield. ] Die partieele hervormingen deden de oude traditie in de Orde voortleven, maar het kan ons niet verwonderen, dat juist die traditie steeds weer edel en heldhaftig voelende zielen drong tot een algeheelen en volstrekten terugkeer tot dien oorspronkelijken regel. De verdienste van deze radicale hervorming in de Orde komt toe aan de Spaansche Heiligen, die twee hoogste gloriën der Orde, de H. Teresia en den H. Joannes van het Kruis. Men zou zich van dezer beide hervorming in de Orde een verkeerde voorstelling maken, indien men zich deze zou denken als een reactie tegen een verbasterden toestand. [26] Eer het tegendeel is waar en niet alleen de H. Teresia waarschuwt uitdrukkelijk, tegen de voorstelling alsof bij degenen, die zich niet bij haar hervorming aansloten, de tucht zeer veel te wenschen zou overlaten, maar het tegendeel wordt ook bewezen door het feit dat de Oversten der Orde, zoowel Teresia’s Provinciaal in Spanje, als de Generaal der Orde te Rome wat de hoofdlijnen betreft, het werk van de H. Teresia en den H. Joannes van het Kruis prezen en aanmoedigden en zeer velen van de oude Orde die hervorming aannamen. Die hervorming is veeleer te zien als de heldhaftige doorvoering tot het uiterste van hetgeen in geheel de Orde leefde en het kan ons niet verwonderen, dat naast de hervorming van de Orde door St. Teresia andere hervormingen staan, door denzelfden geest ingegeven, maar niet zoover doorgevoerd. Zoo kwam het tot een splitsing in de eene oude Orde, naar een zeer bijkomstig onderscheidingsteeken een splitsing geworden in Geschoeide en Ongeschoeide Carmelieten en Carmelitessen, inderdaad natuurlijk van [27] wel wat diepere betekenis dan het al dan niet dragen van kousen en schoenen. Voor St. Teresia en den H. Joannes van het Kruis was het een terugkeer, niet zooals men soms schrijft tot den regel in 1205 door den H. Albertus gegeven voor de Kluizenaars op den Carmel, neen, maar tot den regel gelijk die werd aangepast aan de Europeesche toestanden in 1247. Sterker werd door haar het allereerst beschouwend karakter der Orde op den voorgrond gesteld, weder grooter plaats ingeruimd aan de dagelijksche overweging, de algeheele vleeschderving werd weder ingevoerd en in meerdere punten een harder en strenger leven aangenomen. Hare hervorming beteekende een nieuwen opbloei der Orde en dat niet alleen in dien zin, dat hare hervorming zich even als de oude Orde verspreidde over alle landen en werelddeelen, maar ook dat in de oude Orde eveneens een herleving tot stand kwam, die weliswaar niet zoo ver ging, dat men alle verzachtingen ter zijde stelde, maar toch den geest en vele [28] gebruiken naar hare idealen, d.i. naar de oude traditie der Orde hervormde. Dit maakte, dat het onderscheid tusschen beide groepen minder groot werd, de reden tot scheiding in vele landen nauwelijks bestaat, maar het historisch gewordene laat zich niet zoo gemakkelijk veranderen en zoo bestaan thans nog naast elkander twee groepen voort, Geschoeide en Ongeschoeide Carmelieten en Carmelitessen als twee takken op een stam beide bloeiend en vruchten dragend van heiligheid, weinig verschillend in leven en werkzaamheid, beiden voortzetting van eenzelfde traditie met het eigen stempel der Orde geteekend. De tijd is misschien niet ver dat beide takken samengroeien en de eenheid wordt hersteld, maar al zou dit ook nooit geschieden, zij beteekenen geen strijd, geen groote tegenstelling zelfs [ en al moet erkend worden, dat in [29] de Orde der Ongeschoeiden naar het uiterlijke grootere overeenkomst met de oorspronkelijke Orde bestaat, men zal mede erkennen, dat het al dan niet barvoets gaan, wat ook bij de Ongeschoeiden dikwijls niet mogelijk is en de H. Teresia nooit urgeerde en evenmin het vleeschderven, wat zwakte en levensomstandigheden ook voor vele Ongeschoeiden matigt in sommige landen zelfs meer dan het bij de Geschoeiden in andere landen gematigd is ten slotte te bijkomstig zijn om van groote tegenstelling tusschen beide groepen spreken. En toch bepaalt zich daartoe thans vrijwel de tegenstelling omdat ] in beide takken is een terugkeer en een opbloei van den ouden geest. Voor beide groepen staan de H. Teresia en de H. Joannes van het Kruis als een ideaal van het kenmerkende der Orde van innig verkeer met God, van vereeniging met Hem in eenzaamheid en gebed, van brandende liefde, die naar omstandigheid van tijd en [30] plaats dringt tot apostolaat en werkzaamheid tot uitbreiding en bevestiging van het Rijk Gods. Dat Apostolaat van den Carmel is weer typisch. Het is een apostolaat van innigheid, de H. Teresia van Lisieux wilde de wereld veroveren en sloot zich op in een slotklooster. Een Kardinaal de Lavigerie meende zijn Apostolaat geen beteren waarborg van bloei te schenken dan door in het centrum van zijn missie een Carmelitessenklooster te stichten. Hetzelfde geschiedde door Paus en Bisschoppen tot steun en bloei van de Missien in Cochin-China, in Madagascar en het is een traditie in den Carmel, dat geheel de Orde staat in den dienst der Missien ofschoon niet zoo’n heel groot getal direct aan den Missiearbeid deelneemt, dit niet als eerste doch slechts als tweede taak beschouwt. Dit is iets zeer typisch in de Orde, waarin de Apostolische gedachte steeds zeer sterk leefde, het is het typische van de Missie-actie van haar groote Heiligen, Teresia en St. Jan v.h. Kruis, maar het komt het sterkst uit in de H. Teresia v. Lisieux, de Patrones van alle Missiën, hoewel zij nooit een voet buiten haar klooster zette, juist zich in den Carmel opsloot om op hare wijze Missionaris te zijn. [31] Zoo was de Orde van Carmel steeds een Orde van innigheid en gebed, van mystieke begenadiging en godsvrucht tot Maria, die zich bij voorkeur spiegelde aan het eenvoudig leven der H. Maagd, dat leven in de Orde tot uitdrukking wilde brengen. In haar, de Moeder en Luister van Carmel, ligt het ideaal, haar gelijken is de hoogste roem van haar Broeders en Zusters van den Carmel. Haar beeld is het eerst[e][4] dat men bij het betreden van den Carmel ziet, haar naam staat overal geteeken[d] en het Ave Maria is de groet welke haar Broeders en Zusters spreken, als zij elkander des morgens wekken, overdag elkanders cel betreden. In de H. Mis en in het koor klinkt telkens weer het Salve Regina, in een woord het leven van den Carmeliet is het leven van een Carmeliet niet, als Maria er niet een alles beheersche[nde] plaats inneemt als toonbeeld en ideaal van een eenvoudig leven met Christus vol bereidwilligheid tot werken, maar steeds zoo, dat het beste deel, Maria toegewezen, voo[r] hen niet verloren gaat.

Dat geve haren Broeders en Zusters Maria, de Moeder van Carmel.



  1. Manuscript of a radio speech (NCI OP97.1), 32 pages of a notebook (numbered 1 to 14, 14a en 15 to 31). The speech was broadcasted by K.R.O., 4 August 1929, 7.30-8.00 h. p.m. See: Radio program 4 August 1929. The manuscript shows many corrections. We present the corrected tekst.
  2. Titus Brandsma includes square brackets in the text; probably to mark explanations.
  3. See: Jes 62:6 and Revelations 21.
  4. On this page some words are partly written beyond the edge of the page - we add the missing letters between square brackets.


© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2021.