Contemplatie

1934

Article


Contemplatie

1934[1]


Contemplatie (theol.), schouwing, be- [82] schouwing. In wijderen zin is het eenvoudig een werking van het verstand waarin dit geboeid is door het voorwerp zijner kennis en zich onthoudt van verder zoeken, afleiden en ontwikkelen, in een stille bevredigdheid geniet van het gekende. Uiteraard is met de oogenblikkelijke bevrediging van het verstand – welke in zekeren zin een rust beteekent, hoewel niet volstrekt, omdat dit juist de schoonste en hoogste werking van het verstand genoemd mag worden, nl. een genietend vasthouden en bezien van het gekende – verbonden een felle werking van den wil, die met alle kracht het door het verstand geziene doet vasthouden en in liefde daartoe ontvlamd is. Het is de rust der harmonische ongestoorde waakzaamheid. In engeren zin wordt het woord echter gebruikt voor de schouwing of beschouwing van God en het goddelijke als den hoogsten vorm van het innerlijk gebed. In den opgang der ziel naar God tot steeds inniger vereeniging onderscheidt men gewoonlijk drie trappen of wegen: den weg der zuivering, den weg der verlichting en den weg der vereeniging. Ruusbroec spreekt van het stervende leven, van het innige leven en van het schouwende leven. Eerst moet de mensch zich ontdoen van hetgeen hem van God verwijderd houdt (zuivering, versterving, onthechting), vervolgens moet hij zich sieren met deugden, Gode aangenamer en waardiger maken en zich steeds meer naar God richten (verlichting of verluchting, deugdenoefening, innigheid of ingekeerdheid), eindelijk mag hij in nauwe vereeniging met God leven, in den hemel verkeeren op aarde, hier reeds een voorsmaak genieten van de aanschouwing of de schouwing Gods (vereeniging, schouwen). Het innerlijk gebed zal op den eersten trap vooral bestaan in de overweging van die goddelijke waarheden, welke ons nopen tot bekeering en onthechting, op den tweeden trap in de overweging van het heerlijke van de deugd en van het opgaan naar God in steeds inniger ingekeerdheid, terwijl op den hoogsten trap uit de overweging van God en het goddelijke de schouwing daarvan opbloeit. Wij moeten intusschen bedenken, dat de opgang naar God is als de Jacobsladder, waarop de Engelen op en afgingen, dat men op den hoogsten trap niet kan blijven genieten, maar telkens weer heeft af te dalen tot de beide andere trappen. Wij hebben er bovendien rekening mede te houden, dat de schouwing in haar eigenlijken zin verstaan als de minnende beschouwing van God en het goddelijke iets zoo hoogs is, dat zij het menschelijke vermogen te boven gaat, de mensch daarin wel iets bereiken kan, maar iets dat eigenlijk nauwelijks naam mag hebben tegenover hetgeen den mensch daarbij somtijds bij goddelijke begenadiging geschonken is. De mensch kan zeker in zijn gebed en overweging opgaan tot God en bij groote ingekeerdheid genieten van de beschouwing van het goddelijke, dat uitstraalt in zijn werken en zijn Openbaring, maar vooreerst wordt hij in zijn natuur daarvan telkens weder afgetrokken en dan is God, ook voor den mensch, nog zoover daarboven kenbaar, indien Hij zich kenbaar wil maken, dat de eigenlijke schouwing van God en het goddelijke veeleer als een gave Gods moet worden beschouwd. God, dien wij trachten te beschouwen, leeft en zijn natuur is liefde en liefde zoo groot, dat Hij niet slechts tevreden is, den mensch in den hemel in de eeuwige aanschouwing van zijn wezen gelukkig te maken, maar soms reeds gedurende het leven op aarde den mensch daarvan een voorsmaak geeft. Vaak grijpt en boeit God den mensch en houdt Hij hem in zijn liefde gevangen. [83] Toch sluit dit de menschelijke medewerking niet uit. Vooreerst blijft ook in die begenadiging de schouwing een menschelijke, zij het door God geleide en gesteunde, handeling, maar ten andere is ook de menschelijke medewerking met de goddelijke genade een eisch van God. Het past, dat de mensch zich gevangen geeft, opgaat tot God om van Hem te zien, wat hij vermag, dat hij zich ontvankelijk maakt voor die goddelijke uitverkiezing, al sluit dit zich ontvankelijk maken nooit in, dat men de heerlijke begenadiging mag eischen of verwachting.

Sommige schrijvers leggen den nadruk op het menschelijk zoeken en zich ontvankelijk maken, anderen veeleer op het goddelijke, voor den mensch zonder bijzondere begenadiging onbereikbare van de beschouwing. God zelf stelt ons de wijze maagden ten voorbeeld, die olie hadden in hare lampen en daarom het voorrecht hadden tot de bruiloftszaal te worden toegelaten, terwijl de Bruidegom de anderen niet wilde kennen. De gast, die aan het bruiloftsmaal wilde aanzitten zonder bruiloftskleed, werd uit de zaal geleid. Wij moeten er prijs op stellen alle beletselen voor ons verkeer met God weg te nemen en ons alle deugden trachten eigen te maken om onze lampen brandende te hebben bij de komst van den Bruidegom, van wiens komst wij dag noch uur kennen en ook niet weten, of Hij zijn aanschouwing aan ons wil schenken eerst in den Hemel of wellicht reeds hier op aarde. Wij moeten daarbij alle vermogens onzer natuur dienstbaar maken aan hetgeen daarvoor het hoogste is. Al is tenslotte de schouwing iets van verstand en wil, daarom mogen we niet vergeten, dat de opgang tot God, tenzij God ingrijpt, een geleidelijke is en uit de zintuigelijke aanschouwing het verstandelijk beeld wordt afgeleid en uit de overweging de beschouwing opbloeit, zij het slechts ten volle onder de stralen van de zon van Gods genade en uitverkiezing.

Daarom waarschuwen de schrijvers over het geestelijk leven tegen een te spoedig loslaten van de zintuigelijke voorstelling en nog veel meer tegen het prijsgeven van de overweging om te rusten in al te vaak ingebeelde beschouwing. God heeft in de schepping op heerlijke wijze tot ons willen spreken en Hij heeft de menschelijke natuur aangenomen om ons daarin ten voorbeeld te zijn en steeds nieuwe stof tot overweging te geven. Onafhankelijk van de verwachting of God ons in een dus passieve ingekeerdheid tot zijn aanschouwing zal opvoeren, moeten wij in actieve ingekeerdheid ons tot God wenden, die in ons woont, en als vrucht van de herhaalde overweging van deze heerlijke waarheid de schoonheid er van zoo op ons laten inwerken, dat wij er door geboeid zijn, wij er ons een gewoonte van maken met God in ons te verkeeren en Hem in alles te zien, Hem moeten zien, Hem noodig hebben en niet meer kunnen missen en ons in alles voegen naar zijn beschikking. Op die wijze is de mensch in staat tot een begin van beschouwing te geraken, een eigen-verworven beschouwing, waartoe de mensch kan opklimmen, omdat God daarvoor op voldoende duidelijke wijze door de schepselen en door het Geloof tot ons spreekt en den mensch het vermogen heeft gegeven uit de aanschouwing van Gods werking door zintuig en verbeelding, geheugen en verstand geholpen door een op God gericht leven op te klimmen tot een genotvolle schouwing van dit hoogste voorwerp zijner kennis. Dit is echter zoo goed als niets, al is het voor den mensch in zijn eigen waardeering heel veel, vergeleken bij de instorting der beschouwing door God, [84] het geboeid worden door God op bovennatuurlijke wijze. Dat men hierin het groote geluk, de eigenlijke beschouwing ziet, mag geen aanleiding worden om aan de menschelijke werkzaamheid, aan hetgeen de mensch, zij het gebrekkig, zich van de schouwing kan eigen maken, geringe waarde te hechten of weinig aandacht te schenken. Het is jammer, dat overigens zeer verdienstelijke schrijvers door in dit opzicht te eenzijdige opvattingen tegenover elkander zijn komen staan en er als het ware twee scholen zijn gevormd, waarvan de eene strijdt voor de oratio acquisita (de eigen verworven schouwing), de andere voor de oratio infusa (de ingestorte schouwing), terwijl beide vormen van gebed volle aandacht eischen en niet zonder schade buiten beschouwing worden gelaten. De eigen verworven schouwing moge als niets zijn bij de ingestorte, de Cananeesche vrouw, die de kruimels niet versmaadde, werd de gunst der tafelvrienden waardig gekeurd. In den regel gaan beide samen en in elkander over en het is vaak zeer moeilijk de grens tusschen beide te trekken. God wil in de orde der genade steeds samenwerking. Soms is de goddelijke werking nauwelijks merkbaar, slechts kenbaar door het geloof, soms is zij overweldigend en onwederstaanbaar. Daarnaast is steeds de menschelijke werkzaamheid vereischt. De H. Teresia zegt, dat deze het ingestorte gebed moet voorafgaan, vergezellen en volgen, zonder dat dit inhoudt, dat het ingestorte gebed niet een vrije gave Gods is, uitgaande boven alle menschelijk pogen.

Hoewel in de beschouwing naast het verstand ook de wil, de liefde werkzaam is, wordt ze soms te veel als een werking of verheffing van het verstand beschouwd. Men onderscheidt hier een intellectualistische naast een meer affectieve school. In ditzelfde verband spreekt men van een contemplatio cherubica, een schouwing naar de wijze der Cherubijnen, waar de verlichting van het verstand op den voorgrond treedt, en van een contemplatio seraphica, een schouwing naar de wijze der Seraphijnen, waar de ontboezeming der liefde luider spreekt. Men begrijpt, dat ook deze vormen in elkander overgaan en ook hier eenzijdige beschouwing is te vermijden.

Waar de schouwing, zij moge uit de zintuigelijke voorstelling en overweging der rede groeien, ten slotte een werking is van het verstand, is er ook steeds een groote moeilijkheid gelegen in de omschrijving van het aandeel, dat de onderscheiden vermogens des menschen daarin moeten hebben. De H. Teresia, al erkent zij de verlichting van het verstand als zoodanig, waarschuwt voor een te spoedig loslaten van de verbeelding, het geheugen en de overweging. Ruusbroec en Teresia gebruiken het beeld, dat men niet moet willen vliegen, voor men vleugelen heeft. Ruusbroec echter dringt veel sterker dan Teresia aan op het te zijner tijd onderdrukken van het zintuigelijk beeld om in zuiver verstandelijke aanschouwing God te smaken in het ongebeelde en in ‘onwisen’, d.w.z. niet op een bepaalde wijze voorgesteld. Dit verschil hangt weder nauw samen met een meer positieve of meer negatieve opvatting van de theologie en van alle Godskennis. Enerzijds moeten wij uit de beschouwing van het geschapene opstijgen tot de kennis van God en alle volmaaktheden, welke wij leeren kennen, met uitsluiting van alle onvolmaaktheid, in den allerhoogsten graad aan God toekennen, maar anderzijds is er ook weder reden om van die allerhoogste voorstelling der volmaaktheid te zeggen, dat zij ons nog niets doet kennen van de oneindige volmaaktheid, [85] die God eigen is. Hier staat dus de positieve naast de negatieve voorstelling, het onder beelden gebrachte naast het ongebeelde, en moeten wij beide vormen van Godskennis en Godsschouwing betrekkelijk en menschelijk verstaan. Vooral de H. Joannes van het Kruis, de doctor mysticus bij uitstek, vestigt er de aandacht op, dat in den regel de ingestorte schouwing door God ingeleid wordt door den donkeren nacht der zinnen, waarin God zelf den mensch onthecht en zuivert van allerlei voorstellingen, beelden, onvolmaaktheden, zelfwaardeering en zelfvertrouwen, vertroostingen en aardsche gevoelens, in één woord van alles, wat aan een volledige overgave aan God in den weg staat. Deze loutering van Godswege sluit in den regel reeds een begin van beschouwing in en dringt bij de overweging reeds tot een zich losmaken van voorstellingen en redeneering om zich geheel aan God te geven en in Hem te rusten. Dit beteekent niettemin een groot gevaar voor een verderfelijke stemming van quietisme, geheel in strijd met de noodzakelijkheid eener voortdurende worsteling om het hoogste goed. Hij geeft dan ook drie teekenen aan, welke de noodige aanwijzing geven tot het verlaten van de overweging voor de beschouwing. Op de eerste plaats moet men geruimen tijd werkelijk zijn best hebben gedaan om de gewone gebeden en de overweging zoo goed mogelijk te verrichten en zich in de onderscheiden deugden te oefenen, vooraleer men toe mag geven aan het bewustzijn van onmacht om den geest nog verder overwegend bezig te houden. Vervolgens moet de drang om zich met aardsche dingen in het gebed onledig te houden en daartoe telkens terug te keeren zijn opgeheven. Eindelijk moet de geest door oprechte liefde tot God getrokken worden en daarin in den grond der ziel rust en vrede smaken. Dit zijn voor hem de teekenen, dat geleidelijk de actieve ingekeerdheid van de zijde des menschen in een steeds meer passieve ingekeerdheid en geboeid zijn door God is overgegaan. Den eersten trap van dit schouwende leven noemt de H. Teresia in den regel samenvattend het gebed van rust, omdat de ziel er na velerlei inwendige en uitwendige beproevingen, ofschoon die niet ophouden, een zekere rust vindt in God. Uit haar geschriften heeft men er echter nog een vijfvoudig onderscheid in gemaakt en spreekt men van het gebed van ingekeerdheid, van het gebed van stilte of van stille bewondering, van het gebed van rust of vredige genieting, waarin de wil zich geheel bevredigd gevoelt, het gebed van geestelijke dronkenheid, waarin verstand en wil tot een stommen of stamelenden jubel gedrongen zijn, en eindelijk het gebed van den geestelijken slaap, waarbij de mensch niet meer denkt aan zichzelven en in God verloren is. In de daaruit opbloeiende vereeniging sterft de mensch geheel aan zichzelven, maar stijgt tegelijkertijd in en met God op tot een nieuw en goddelijk leven. De H. Teresia gebruikt hier het beeld van den zijdeworm, die zich verpopt en als een heerlijke vlinder weder te voorschijn treedt. Ruusbroec spreekt van sterven om in God te verrijzen, maar gebruikt, om misverstand te voorkomen, ook het beeld van het ijzer in het vuur, dat in den gloed aan het vuur gelijk, ja, één wordt met het vuur zonder nochtans de eigen zelfstandigheid te verliezen. De H. Teresia werkt hier bovendien een ander, ook in de oudere mystiek geliefkoosd beeld uit van de geestelijke verloving en het geestelijk huwelijk. Het zijn alle beelden voor de meest innige vereeniging van God met den mensch en van den mensch met God en dit in de hoogste vermogens van [86] verstand en wil, in den meest geestelijken zin, wat intusschen niet uitsluit, dat de geheele mensch in dit geluk en voorrecht deelt.

Hoever in dit leven die openbaring van God aan den mensch gaan kan, of die schouwing een onmiddellijk schouwen mag worden genoemd, dan toch nog steeds een beeld van God den geest verlicht, m.a.w. of het in den geest gevormde beeld de eigenlijke schouwing dan een vrucht van de nog onmiddellijker schouwing is, is iets zoo verhevens en subtiels, dat zelfs zij, die de hoogste vereeniging deelachtig werden, er niet dan stamelend over durven spreken en de geheimen Gods niet volledig vermogen te ontsluieren. Over het algemeen neemt men aan, dat de menschelijke natuur toelaat, dat God haar reeds in dit leven de onmiddellijke schouwing deelachtig maakt, dat deze allerhoogste gunst, inderdaad een voorsmaak van den hemel, aan den H. Maagd en heel enkele Heiligen als den H. Paulus, den profeet Elias, geschonken is. Aan wie zij ten slotte geschonken wordt, is het werk van Gods uitverkiezing. Voor de heiligheid is zij in geenen deele gevorderd. De gewone orde der genade sluit in, dat God deze schouwing eerst schenkt na dit leven en de voorsmaak van den hemel in den regel hierin bestaat, dat een allerinnigste vereeniging met God in verstand en wil tot stand komt, waarbij het verstand wondere dingen van God begrijpt en dienovereenkomstig tot een allesovertreffende liefde tot God wordt gedreven. Al gaan daarmede velerlei vormen van lijden en beproevingen gepaard, ja, zijn deze er als uitingen en bewijzen van liefde als vanzelf mede verbonden, toch smaakt de mensch een stijgend genot, dat alles overtreft wat de aarde aan genoegens schenkt. Naar den aard der menschelijke natuur en de hevigheid van de goddelijke begenadiging gaan met dezen toestand dikwijls buitengewone mystische toestanden gepaard. Men onderscheidt in stijgende lijn de vervoering, de verrukking en de vlucht des geestes, alle drie vaak samengevat onder het woord → extase. Men spreekt in dit verband ook van → visioenen, in zooverre de geest God in een visioen aanschouwt. Bedoeld is dan een visioen des verstands, waarin de mensch in een enkelvoudig onmiddellijk, d.w.z. niet afgeleid beeld zonder medewerking van zintuig of verbeelding God ziet, d.w.z. iets van God begrijpt en verstaat.

Lit.: P. van den Tempel O.P., De wetenschap der Heiligen (1928);Ad. Tanquerey, Kort Begrip der Ascetische en Mystieke Theologie (vert. G. Gouverneur O.F.M., Doornik 1932; hierin uitvoerige opgave van verdere literatuur).

Brandsma.


  1. Published in: De Katholieke Encyclopaedie, Vol. VIII. c. 81-86. The NCI preserves the printer’s proof.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019