Contemplatief

1934

Encyclopedic entry


Contemplatief

1934[1]

Contemplatief (theol.), beschouwend. Gewoonlijk gebruikt in tegenstelling met actief, werkend, voor een gesteltenis of levenswijze, waarin de nadruk wordt gelegd op het gebed, meer in het bijzonder nog op het overwegend, beschouwend gebed in tegenstelling met een gesteltenis of levenswijze, waarin weliswaar het gebed een eereplaats inneemt, maar daarnaast een ruime plaats wordt geschonken aan werken van zielzorg en apostolaat. De tegenstelling moge niet te sterk worden opgezet, omdat ten slotte geen zielzorg en apostolaat vruchtbaar zijn kan zonder een leven van gebed. Intusschen vraagt het werkende leven zooveel personen en tijd, dat er gevaar dreigt, dat niet slechts voor de hoogste roeping van het beschouwende leven geen personen meer beschikbaar worden geacht en men het jammer vindt, dat er zich nog iemand aan zou wijden, maar ook, dat de personen in het werkende leven zich den tijd niet gunnen voor [87] overweging en beschouwing. Daarom is er in de Kerk steeds behoefte gevoeld aan instellingen, orden en congregaties, waarin men zich aan het beschouwende leven wijdt om het in zichzelf schoone van deze verheven roeping, dit leven van Maria, dat Onze Lieve Heer zelf niet wilde ontnomen zien aan de vrouw, die er zich toe geroepen gevoelde, maar ook omdat aan dezer gebed verdienste en zegening verbonden is, vruchtbaar voor het werk van anderen, die geen tijd vinden tot overweging en veelvuldig gebed. Evenals het niet in Gods bedoeling ligt, dat allen ongehuwd blijven, en Hij toch de maagdelijkheid boven het huwelijk heeft gesteld, zoo ligt het evenmin in Gods bedoeling, dat allen een contemplatief leven leiden, maar heeft Hij niettemin het contemplatieve leven boven het werkende verkoren. Behalve dat de natuur zeer velen minder tot het contemplatieve leven neigt, kunnen ook de nooden van tijden en personen tot een werkend leven dringen. Men vergete daarbij niet, dat in de werken van zielzorg en apostolaat, bij uitstek werken van innerlijke begenadiging door God, de vruchtbaarheid voor een groot deel afhangt van het gebed en een ziel in het verborgen biddend daarvoor vaak meer verkrijgt dan het meest werkzame leven. Daarom verhief de Kerk naast den grooten heldhaftig werkenden missionaris den H. Franciscus Xaverius de kleine H. Teresia, die in een besloten Carmelitessenklooster haar beschouwend leven trachtte vruchtbaar te maken voor de missiën, tot patrones van alle missieactie. Daarom wilde een kardinaal de Lavigerie voor het grootsch opgezette missiewerk in Afrika allereerst den steun van het contemplatieve leven in een Carmel te Algiers. Daarom worden nog telkens in centra van zielzorg en missiewerk besloten kloosters gesticht met geen ander doel dan om naast het werkende leven den steun te erkennen en te ontvangen van het contemplatieve (Clarissen te Batavia, Carmel in Heerlen, in Drachten enz.).

Het ligt in den aard der zaak, dat bij den grooten nood aan zielzorgers en missionarissen de priesters sterker gedrongen worden tot een werkend leven en zelfs oorspronkelijk contemplatieve orden, als bijv. die der Benedictijnen en Carmelieten, door de pausen zelve geroepen zijn tot een verbinding van het werkende met het contemplatieve leven en slechts heel enkele mannelijke Orden, als bijv. Kartuizers, in den regel ook Trappisten, zich van werkzaamheden in de zielzorg onthouden om een zuiver contemplatief leven te leiden. Aldus wordt het zuiver contemplatieve leven in hoofdzaak geleid door vrouwelijke kloosterlingen. In Nederland en België zijn hier vooral te noemen de Carmelitessen (geschoeide en ongeschoeide), Clarissen, Benedictinissen, Brigittinessen, Redemptoristinnen, de Dochters van het H. Hart, de Zusters van het Cenakel enz. Vermelding verdienen ook nog de Contemplatieven van → Bethanië, een der nieuwste vormen van contemplatief leven in een bijzonder op het werkende leven ingestelde organisatie.

Vaak wordt de vraag gesteld, wat als het hoogste is te beschouwen: het zuiver contemplatieve leven of het zgn. gemengde leven, waarin, wil het zijn naam waarlijk verdienen, de werkzaamheid de vrucht moet zijn van een zooveel mogelijk contemplatief leven van voorbereiding. Zeker is, dat de overweging en de beschouwing een apostolische liefde moeten opwekken en er toe moeten dringen, heel zijn leven op te offeren en te wijden aan het heil der zielen in vereeniging met Jesus, maar hoe noodzakelijk in het algemeen daarbij [88] de menschelijke werkzaamheid naar buiten is, het is duidelijk, dat Onze Lieve Heer ook wil, dat een gedeelte dit doet in de verborgenheid van een zuiver contemplatief leven en Hij daaraan rijke vruchten verbindt. Men spreekt hier soms van een Dominicaansche tegenover een Carmelitaansche richting overeenkomstig het devies dezer orden, dat van de Dominicanen: ‘het geschouwde anderen mededeelen’(‘contemplata aliis tradere’), tegenover den regel der Carmelieten: ‘dag en nacht de wet des Heeren overwegen, tenzij men door andere wettige bezigheden in beslag wordt genomen’. Voor de eerste school is het apostolaat de bekroning van het contemplatieve leven, voor de tweede een roeping, waarbij men God om God verlaat om zoo spoedig mogelijk weer met Maria aan zijn voeten neer te zitten, totdat de nood der zielen weder wegroept. De oprechte liefde tot God en den naaste, welke de vrucht van alle contemplatie moet zijn, de algeheele overgave aan wat God in de gegeven omstandigheden vraagt, zal hier practisch de tegenstelling opheffen. Beide scholen hebben naast heilige werkers in de zielzorg hoog begenadigde contemplatieven aan de wereld geschonken. → Contemplatie.

Brandsma.


  1. Published in: De Katholieke Encyclopaedie, Vol. VIII. c. 86-88. The NCI preserves the printer’s proof.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019