De bloem in de zon

1938

Speech


De Bloem in de Zon

Inleiding te houden onder de Studiedagen van de Interdiocesane Jeugdcommissie te Amersfoort 22 – 24 April 1938.[1]


Zeereerw. Heeren, Leidsters en Leiders,


De lente brengt ons weer bloemen en zon. Overal zien we weer het jonge groen in al zijn frischheid en bekoorlijkheid door de lentezon bestraald en doorweven met bloemen. Het is Nederlands glorie, dat het zulke mooie bloemen heeft en men noemt het daarom vaak den tuin van Europa. Van heinde en verre komt men onze bloemenvelden zien en de boomgaarden in schitterende bloesempracht. Nu is Holland op zijn mooist, nu bloeit en geurt de Betuwe en waar men nu in Nederland komt, in dorp en stad in land en bosch, het zijn overal bloemen, die we zien. Men biedt ze in bossen aan om ze tot in de huiskamer te brengen, zoo’n overvloed is er. En wij verlustigen ons in de schoonheid van die bloemenweelde en voelen ons hart overstroomd van genot bij het genieten van die zeldzame pracht en heerlijkheid.

Wij kunnen niet meer zonder bloemen. Een bloempje hoort er overal bij. Als de koude buiten onze bloemen buiten doet sterven, dan stoken we de kassen warm om maar bloemen te hebben en te geven.

Maar is Nederland schoon om zijn bloemenpracht, het is niet minder bekoorlijk en een lust voor veler oog buiten ons vaderland om zijn bloeiende jeugd. Onze bloemen, meer dan die des velds, zijn de kinderen ons door God geschonken. En gelukkig, ook daar is nog rijkdom, daar is nog schittering, daar is nog geur en fleur, daar is nog, als wij onze kinderen zien, reden te over om ze met bloemen te vergelijken.

Het jonge leven is zoo mooi en onder zoo menig opzicht met dat van een bloem te vergelijken, dat ik gemeend heb, in deze inleiding dat beeld te mogen gebruiken om te spreken van het liturgisch leven onzer jongeren, waarbij ik God zie als de zon, de harten en de zielen van onze jongens en meisjes als evenzoovele bloemen, die opengaan om de zon in te drinken, die zich laten richten door de stralen van de zon, van de zon haar frischheid en haar geur ontvangen, buiten het licht en den gloed van die zon geplaatst verkwijnen, verflensen en verschrompelen.

De bloem in de zon. Dat is de jongen, dat is het meisje, dat [2] in liturgisch leven de volheid van Gods genade deelachtig wordt en geniet van de heerlijkheid en vruchtbaarheid dier goddelijke genade.

De liturgie. Zij is in haar algemeene beteekenis de Godsvereering, de openbare eeredienst der Kerk, de wonderbare organisatie waardoor de Kerk, zooals rector Fordman reeds heeft uiteengezet, ons in telkens wisselende vormen en beelden, lessen en gezangen de door God geopenbaarde waarheid leert, onze kennis met het door God gegeven licht bestraalt, ons geloof verdiept en verlevendigt, haar leerende macht, haar leergezag doet gelden; vervolgens ons leidt en richt naar het ons door God gestelde doel, allerlei handelingen doet stellen, waardoor wij beantwoorden aan de roepstem Gods en dichter bij Hem komen, de Kerk ons als het ware aan de hand leidt om in de Kerk ter aanbidding en vereering Gods samen te komen, in de Kerk onzen blik naar het altaar richt en er de heiligste handelingen doet volgen, ons begeleidt bij het ontvangen der H.H. Sacramenten en daar versterkt en voorgelicht tot het gewone leven terugkeeren, bezield met den geest dien Christus ons toch door zijn Kerk heeft willen instorten en aldus de Christelijke beginselen in het dagelijksche leven te doen gelden; eindelijk de Kerk door ons inniger te doen medeleven met hetgeen zij rondom de toediening van de H. Sacramenten aan ceremonies en gebeden voorschrijft, ons meer ontvankelijk maakt voor de goddelijke genadewerking ons hart wijder open zet voor het opnemen van die genade, ons aldus meer doeltreffend heiligt en met God vereenigt.

Het is niet een te sterk beeld, dat ik gebruik, wanneer ik een ziel die liturgisch leeft vergelijk bij een bloem in de zon.

In de liturgie en haar beleving zie ik de zon, die Christus is, stralen van weldadig licht en weldadige warmte over de zielen gieten. Wat een licht gaat er op voor een ziel, die de gebeden der Kerk in zich opneemt, den diepen zin er van tracht te begrijpen, de waarheden daarin vervat overweegt en met elkander in verband brengt. Wat een rijkdom van leering en licht in een enkele hymne, een enkele antiphoon. Zing het Lauda Sion en heel de leer van de Kerk over het H. Sacrament des Altaars gaat aan onzen geest voorbij. In het O sacrum convivium wordt in enkele woorden al de heerlijkheid van de H. Communie weder in den geest geprent. De gebeden der H. Mis, zoo eerbiedwaardig in hun ouderdom, vereenigen ons niet alleen met alle geloovigen der geheele wereld, die dezelfde gebeden met hun priesters spreken, maar vereenigen ons ook met de vroegere geslachten, die diezelfde gebeden spraken en bovendien zijn die gebeden zoo algemeen en zoo oud, omdat zij zoo mooi zijn en ons [3] geheel invoeren in den geest, waarmede de Kerk alle eeuwen door de priesters en de geloovigen bij het lezen en bijwonen der H. Mis bezield heeft willen zien.

Wij zijn zoo zwakke schepselen en wij hebben de wondere kracht die Christus ons door zijn Kerk heeft willen schenken, zoo noodig. Onderschatten wij niet, wat wij door de Kerk van Onzen Lieven Heer kunnen ontvangen, wat Hij ons daardoor wil geven. Hij, die de almachtige God is van Hemel en aarde, kon ons op velerlei wijze tot ons doel, de vereeniging met Hem, brengen. Hij heeft dit willen doen op een wijze, die tegelijk zijn liefde en zijn wijsheid openbaart, door de stichting van een Kerk, die ons zijn genade bemiddelt, die ons deel doet zijn van een mystiek lichaam, waarvan Hijzelf het hoofd heeft willen wezen, opdat wij, daarvan deel uitmakend, tegelijk met Hem een bovennatuurlijk leven zouden leiden.[2] Is dit beeld van een lichaam schoon en rijk, niet minder schoon en vruchtbaar is het beeld, waarbij wij Christus zien als de zon, die in deze wereld een centrale plaats inneemt, de aarde om zich doet draaien en haar houdend op den juisten afstand, verlicht en verwarmt alwat op aarde leeft en groeien moet. Welk een kracht gaat van de zon uit. Als wij vol bewondering staan voor de wonderen van de hedendaagsche techniek, de schitterende verlichting zien, die allerwege wordt ontstoken en maar steeds tot krachtiger lichtsterkte wordt opgevoerd, ons als het ware baden in het overvloedig licht, dat een feestverlichting met het gewone electrisch of met natrium-licht wordt aangebracht, ja, dan zijn we een oogenblik waarlijk opgetogen over zooveel stralend licht, maar hoever werpt het meest verblindend licht zijn stralen, hoe poover is nog in het nachtelijk uur de rijksvoorziene verlichting. Met lamp aan lamp, duizenden op een rij, verlicht men een weg, dat men er veilig op verkeert, als men in Zuid-Limburg door de mijnstreek gaat, wordt het door het overvloedig licht op en om de mijn-installaties, nooit geheel en al donker voor het verkeer, maar bij de zon, wat is al dat licht, bij de zon, die alleen heel de aarde en haar dampkring in licht doet stralen, doordringt door het kleinste spleetje komt in alle hoeken, zich verspreidt in een groot overal gelijkmatig licht. O zeker, in onze kamers, ja, in onze straten, op onze pleinen vervangen onze lampen op schitterende wijze het door den ondergang der zon verdwenen zonlicht, maar hoe beperkt en hoe ongelijkmatig, hoe gebrekkig, vergeleken bij de zon. Ik denk aan al die lampen, mooi en rijk, als ik in het godsdienstig leven naast het gebed der liturgie de oefeningen en gebeden zie welke de godsvrucht van de geloovigen van ver- [4] schillende tijden heeft uitgedacht en ingang heeft doen vinden. Ook zij geven licht en soms licht, dat op bepaalde tijden, in bepaalde omstandigheden van onschatbare waarde is, omdat men niet altijd in de gelegenheid is, aan de liturgie der Kerk deel te nemen en er de zegenenden invloed van te ondergaan. Maar de liturgie is het licht van de zon, waarbij al die lampen van de particuliere devotie verbleeken, waarbij zij slechts waarde behouden om ze waar het noodig is tijdelijk te vervangen. De liturgie der Kerk is een vorm van gebed in het leven der Kerk gegroeid als een keur van het beste en meest geeigende om onze godsvrucht te leiden en als zoodanig van beproefde en door het hoogste gezag erkende waarde. Zij is een bron van leering en leiding en daardoor ook van heiligmaking zoo rijk en overvloedig, dat zij in het licht dat zij geeft niet zonder zeer gegronde redenen met de zon is te vergelijken en alwat in andere oefeningen van godsvrucht en particuliere gebeden onze godsvrucht tracht te leiden en te voeden en daardoor vruchtbaar te maken, vergeleken bij de liturgie slechts te vergelijken zijn met de lampen, hoe mooi en hoe schitterend ook, die niet dan gebrekkig het licht der zon vervangen.

En wat van het licht geldt, geldt in niet mindere mate van de warmte. Heerlijk zijn onze kachels, onze centrale verwarmingen, onontbeerlijk in den kouden winter als de zon zoo ver van ons weggaat en zoo kort ons beschijnt, dat onze aarde zich niet voldoende in haar stralen kan koesteren. Maar als de zon weer sterker wordt, weer dichter bij komt, als haar warmte de aarde weer doorzindert, hoe heel anders is het dan. Zeker het vuur van onze verwarmingsinstallaties kan in een beperkte ruimte een behaaglijke sfeer scheppen, in onze kassen op kleine schaal een atmosfeer brengen, waarin bloemen en vruchten gedijen, maar tot hoe kleine ruimte blijft die verwarming beperkt, hoe machteloos staat de mensch in het barre jaargetij, als de zon haar warmte aan ons onthoudt.

Zoo is het ook met de liturgie. Daarin is meer dan licht alleen, daar is ook gloed van vuur en warmte, daar is opwekking en prikkeling, daarin worden we door een hoogere macht tot het goede, tot de vereeniging met God gedreven.

Het liturgisch leven is meer dan een gelegenheid, waarin de ziel licht en warmte kan ontvangen, wanneer de ziel zich op dit leven instelt, dan is de werking er van onwederstabaar. Dat licht moet ons verlichten, die gloed, die warmte moet zich aan ons mededeelen.

[5] Zooals de zon machtig is en haar licht niet laat buitensluiten, haar warmte niet te keeren is, zoo is ook de zegenende werking van de liturgie op de ziel van een onwederstaanbare kracht. En de reden is, omdat God zelf dien eeredienst in dien vorm heeft gewild en daaraan de kracht van leer en leiding en heiliging heeft gegeven. Het is zoo maar niet een vorm van gebed, dien we even goed als een anderen zouden mogen kiezen, het is de vorm bij uitstek, het is de zon tusschen maan en sterren en menschelijke verlichting, het is de centrale bron van licht en warmte aan welker stralen men zich niet zonder schade kan onttrekken en waarvan men, als men er zich niet aan onttrekt, den weldadigen invloed noodzakelijkerwijze moet ondergaan.

God heeft door de Kerk een wondere kracht gelegd in de kerkelijke liturgie. Wij moeten ons niet tegenover die heilige liturgie stellen als was zij een voorwerp van weelde, waaraan wij zouden kunnen verzaken, als was zij een voorwerp van keus, waarvoor wij niet voelen. Tegenover de liturgie moeten we staan als zwakken, hulpbehoevenden, zonder dat licht van de diepere kennis van vele schoone waarheden zoo niet geheel verstoken toch niet er van vervuld, zonder die warmte, telkens weder opgenomen, weldra koud en ongevoelig.

Wat is het schoon, dat God in zijn goedheid in de liturgie der Kerk, zoo gemakkelijk te beleven, voor ons zulk een rijke bron van licht en warmte heeft geopend. Laten we toch begrijpen, dat daar een bron van licht is en kracht, van wijsheid en liefde, waaruit we nooit genoeg kunnen putten en die onuitputtelijk is.

Denken we ons een oogenblik in in het leven van een ziel, die geheel het liturgisch leven der Kerk meemaakt en het tenvolle naar zijn strekking en beteekenis in zichzelve tot zijn recht laat komen. De bloem in de zon.

Wat een rijkdom van gevoelens, wat een zee van licht, wat een gloed en warmte moet er heerschen in die ziel. Zij denkt aan God en hoort van Hem spreken, Zijn woorden, eertijds gesproken, worden haar herhaald en geven telkens nieuwe verlichting. De opwekkingen tot deugd en volmaaktheid blijven niet zonder uitwerking, de levens van de Heiligen, over wie gesproken wordt, wier heiligheid wordt geeerd, prikkelen tot navolging en tot nieuw gebed, te worden als zij. Maar bovenal is die ziel in de gesteltenis van de H.H. Sacramenten, waardoor we toch Gods genade moeten ontvangen, de volle vrucht in zich op te nemen, met Gods genade vervuld te worden. Ja waarlijk de bloem in de zon.

[6] Bezien we nog wat nader, wat die wondere macht van de zon in de bloemen niet alleen uitwerkt, maar ook openbaart.

De bloem zoekt de zon, kan zonder de zon niet tot fleur geraken. Geur en kleur dankt zij aan de zon. In een schaduwhoek geplaatst kruipt zij naar het licht en kan zij het niet bereiken, dan kwijnt zij en komt niet tot wasdom, niet tot knop of bloem. Gaat de zon onder, zij sluit haar bloemkelk om dien aanstonds weer te openen, als de zon den volgenden morgen weer opgaat. En hoe hooger de zon stijgt, hoe wijder de bloem haar kelk opent om het volle zonlicht en de weldadige zonnewarmte in te drinken en zichzelf tot vruchtbaarheid te ontwikkelen.

Zie een bloem op een binnenplaatsje, waar de zon slechts indirect haar stralen werpen kan, waar de bloem noch het volle licht der zon noch den stovenden gloed van haar warmte in zich op kan nemen, ja, het is een bloem, maar niet tierig en weelderig in de volle pracht, welke zij in het volle zonlicht geplaatst zou kunnen ontplooien. Wij hebben er meelijden mee, want ze zou zooveel mooier kunnen zijn.

Is de ziel, die in het volle liturgisch leven heel den geest der Kerk, haar Godsaanbidding en Godsvereering en daardoor haar vereeniging met God in zich opneemt, te vergelijken bij een bloem, die daar op haar stengel wiegelt in de blijde stralen van de lentezon, haar volle pracht ontplooit, omdat zij zoo gunstig mogelijk opgroeit en tot bloei geraakt, een ziel, die zich aan dat liturgisch leven onttrekt, is als die bloem op een donkere binnenplaats, niet van alle licht verstoken, niet van alle warmte gespeend, maar toch armtierig en armzalig, eer tot meelij dan tot vreugde stemmend.

Het liturgisch leven moeten we echter niet alleen zien in de ziel zelve, maar we moeten den blik verder richten. Opdat dit leven tot volle ontwikkeling kome, zijn er nog allerlei uiterlijke omstandigheden noodig, althans van hooge betekenis. Wij leiden wel alle een individueel leven, wij zijn zelfstandig en leven in directe gemeenschap met God onzen Schepper en ons Einddoel. Wij hebben tenslotte maar van ons eigen leven rekenschap voor God af te leggen en onze eigen ziel zalig te maken, maar dat sluit niet uit, dat we voor onze zaligheid niet alleen, maar niet minder voor de volle ontwikkeling van ons geestelijk leven afhankelijk zijn van velerlei uiterlijke factoren en dezer medewerking voor ons van de grootste beteekenis is. God heeft het zoo gevoegd, dat wij niet alleen onszelve, maar dat wij elkander moeten zalig maken en wij in het werk onzer heiliging in de hoogste mate van elkander afhankelijk zijn.

[7] Hoe weinig denken wij er vaak over na, wat een voorrecht God ons heeft geschonken met ons uit brave Christelijke ouders te laten geboren worden, welk een onschatbaar goed er voor ons in gelegen is, dat zij ons een Christelijke opvoeding gaven, nadat zij ons door het H. Doopsel in de Kerk deden opnemen. Zij vouwden het eerst onze handjes tot gebed, zij spraken ons van Onzen Lieven Heer, zijn Menschwording en zijn H. Moeder, van de Heiligen Gods, van onzen Patroon. Zij leidden ons naar de kerk en de Communiebank, plaatsten ons op Katholieke scholen en bevestigden, wat zielzorgers en onderwijzers of onderwijzeressen ons leerden. Het huisgezin, waarin wij opgroeiden, hield ons bij God en meer dan de drang van ons hart hielden de uiterlijke omstandigheden van ons jonge leven ons al dien tijd met God vereenigd en legden zij een grondslag zoo hecht, dat wij er gemakkelijk het gebouw onzer geestelijke vervolmaking op afbouwen. En nog altijd is de kring, waarin wij leven, een sterke steun in onzen opgang naar God, al komen met het klimmen der jaren allerlei verleidende factoren beproeven ons van God af te trekken en wat door anderen is opgebouwd weder af te breken. Waren we ontvankelijk voor het goede, vergeten wij niet, dat we het niet minder zijn voor het kwade en er voor den mensch veel aan gelegen is, niet alleen in welke levensomstandigheden hij opgroeit, maar ook in welke hij later wordt geplaatst. Kan hij op de eerste weinig invloed uitoefenen en moet hij God dankbaar zijn, dat hij het voorrecht had van zijn omgeving zooveel invloed ten goede te ondergaan, voor de latere levensomstandigheden kan en zal veel afhangen van hemzelven. Hij schept ze ten deele zelf.

En nu weten we allen, van hoeveel waarde een goede vriend, een goed gezelschap is en ligt in dit begrip heel de verklaring van de geestdrift bij jong en oud voor een goede jeugd-beweging, maar daarnaast en eigenlijk juister daarin is van de grootste beteekenis, dat aan beide kanten de beste gesteltenis aanwezig is. Kennen wij aan goede vriendschap groote waarde toe, dan moet onze eigen vriendschap ook dezelfde groote waarde voor anderen hebben m.a.w. goede vrienden moeten wederkeerig zorgen in elkander den goeden geest levend te houden, dien geest te versterken, opdat de waarde der vriendschap niet te loor ga.

Ik kom weer op mijn beeld van de bloem.

Wat is een enkele bloem, zij mag heel schoon zijn, zij mag van nabij beschouwd een oogenblik onze aandacht boeien, wij raken er op uitgekeken, zij bevredigt ons niet. God schiep de natuur zoo rijk en overvloedig, dat wij een enkele bloem nauwelijks opmerken.

[8] Duizenden gaan naar de Betuwe, omdat er een tuin openbloeit. Wij gaan in drommen naar de bollenvelden, naar tentoonstellingen als de Primavera, naar onze parken om er te genieten van de overstelpende bloemenpracht.

Ook de Kerk is een tuin.

Niet een enkele ziel weerspiegelt de schoonheid, die in haar besloten ligt en in haar tot openbaring kan komen. In de rijkste schakeering moeten we bloemen samenbrengen om onder de bekoring van haar heerlijkheid te geraken. Dan zouden we er niet meer van willen scheiden, dan beginnen we de bloemen lief te hebben, dan groeit in ons het verlangen tusschen de bloemen te zijn.

Het liturgisch leven, waarin wij ons vereenigen met de Kerk, waarin wij allen te zamen in den geest der Kerk hare gebeden bidden, dezelfde over heel de wereld, in haar geest de H.H. Sacramenten ontvangen, allen één ondanks onze groote verscheidenheid, zwarten en blanken, ouden en jongen, wijzen en ongeletterden, rijken en armen, heiligen en berouwvolle zondaars, mannen en vrouwen van den bevoorrechten rustigen staat van beschouwend gebed met Maria en mannen en vrouwen door de omstandigheden des levens gedwongen tot onafgebroken harden vermoeienden arbeid, allen in de grootste verscheidenheid één in de vereeniging met God, dien allen gelijkelijk aanbidden en vereeren, aan wiens beschikking zich allen gelijkelijk onderwerpen, dat liturgisch leven doet de Kerk ons zien als een tuin, die zich uitstrekt over de wereld van oost naar west, van noord naar zuid en waarvan de bloei niet van gisteren maar van voor 19 eeuwen dagteekent. In dien tuin staan rozen van martelaren naast lelies van maagden, viooltjes van nederigheid tusschen kruisbloemen van geduld, gouden zonnebloemen van gehoorzaamheid naast hoog opgaande zilverdistels als beeld der vrijwillige armoede, sneeuwklokjes van eenvoud naast de madeliefjes van onschuld, irissen van stille verheven beschouwing omringd door weelderige randen van drukke en veelkleurige kruipplanten, beelden van het werkende leven, gouden regen als zinnebeeld van den milddadigen rijkdom naast seringen, blauw en wit, die doen denken aan bescheiden verberging van de heerlijkste gaven. En zoo zou ik kunnen doorgaan, een heele lange lijst en ik weet niet waar ik eerder een einde zou vinden in de lijst der deugden of in de lijst der bloemen, die er als beeld van zouden kunnen dienen. Zoo rijk is het leven der kerk in Gods lieve Heiligen, d.w.z. in de leden, die nog altijd, ook heden ten dage de Kerk vormen, dat wij ten [9] volle gerechtigd zijn, van een tuin der Kerk te spreken en eerst een klein begrip krijgen van haar schoonheid, als wij naar de heerlijkheid der bloemenweelde de ongevenaarde heerlijkheid van het leven der Kerk zouden beproeven te schetsen.

En al die heerlijkheid ontplooit zich voor ons oog, als wij in een liturgisch leven op al die bloemen van deugd in den tuin der Kerk ons oog laten richten, er in de Heiligen, waarvan zij ons spreekt de voorbeelden voor oogen stelt, in de H.H. Sacramenten, welke zij ons op de meest innige wijze doet ontvangen, de kracht schenkt ze te beoefenen.

Maar er is meer dan alleen de pracht, die door het samenbrengen der bloemen wordt verkregen. God heeft in zijn wijsheid alweder beschikt, dat ook de bloem alleen niet tot de volle ontplooiing komt van hetgeen God daarin heeft neergelegd, maar dat de eene bloem de andere moet bestuiven om zaad te kweeken of vruchten voort te brengen.

En hier is het alweer de zon, die dat proces bevordert en leidt. De stralende warmte der zon breekt de bloemknop open en trekt stamper en meeldraden omhoog vrij in de open lucht. En de wisseling van temperatuur, die dezelfde stralende zonnewarmte aan de onderscheiden luchtlagen schenkt, veroorzaakt winden en zelfs stormen, die het stuifmeel over de velden jagen en dragen en maken, dat de eene bloem de andere zaad doet vormen, vruchten doet voortbrengen, d.w.z. de bloem aan haar bestemming doet beantwoorden. Wat is bloesem zonder vrucht, wat de schoonste bloem die geen zaad zou kunnen kweeken, waardoor de soort in stand wordt gehouden en het bestaan der bloemen meer is dan een luister van één dag, maar nu al eeuwen zonder end de bloemen elkander blijven afwisselen en de aarde blijven tooien in haar kleur- en geurrijke pracht.

Dat is ook de groote waarde van het liturgische leven, dat wij daar bidden en tot God gaan met elkander vereenigd en de een zich sticht in het goede voorgaan van een ander, de een zijn licht ontsteekt, zijn hart voelt verwarmd door wat een ander met hem meedoet. Och, we zijn zoo van elkander afhankelijk en hebben een meegaan van anderen noodig om onze goede gevoelens in daden om te zetten. Wij durven alleen zoo weinig. Het is zoo noodig, dat wij in onzen opgang naar God elkander weten te vinden en steun van elkander ontvangen. Dan is er ook bestuiving van de bloem, die in ons tot bloei komt, dan wordt ons bloeiende leven van godsvrucht vruchtbaar, ontsteken wij anderen zooals wij door hen ontstoken worden.

[10] Maar de zon doet nog meer in den bloementuin.

De H. Teresia beschrijft zoo mooi, dat de tuin van ons hart geregeld van water moet worden voorzien en hoe dat op vier verschillende wijzen kan geschieden. De mooiste is wel en voor ons de gemakkelijkste, dat Onze Lieve Heer het op zijn tijd laat regenen, dan is er voor ons al heel weinig te doen. Maar het regent niet altijd op den tijd, waarop onze ziel dat behoeft, God wil, dat wij op onzen tijd ook zelf voor de besproeiing zorgen en de H. Teresia wijst er op, hoe hard en zwaar het is, als wij dan met een emmertje het water diep uit een put moeten ophalen, emmertje voor emmertje en het dan uitgieten over onzen tuin.

Nu is het liturgisch leven al weer een middel om den tuin van ons hart op gemakkelijke wijze te besproeien en van het noodige water te voorzien. Ik vergeleek Christus, het middelpunt, om Hetwelk zich het liturgisch leven concentreert, met de zon, die haar stralen over ons uitgiet. Die zon doet niet alleen het ijs smelten, waarin de koude atmosfeer der wereld al het water onzer eerst zoo warme gevoelens kwam te stollen, zoodat dat water weer in beweging komt, den grond weer kan drenken en de bloem van de zoo noodige vochtigheid kan voorzien, maar zij maakt ook de temperatuur van dit tot de wortelen kruipende water al warmer, opdat het in zijn koude het leven der plant niet schade in plaats van het te bevorderen, het past de temperatuur van dat water aan aan de behoefte der plant en maakt het water zoo bewegelijk, dat het in den vereischten warmtegraad in de haarvaatjes van den grond en van de plant omhoog kan stijgen en zoo het leven van de bloem onderhouden. Maar de zon doet nog meer. Feller en feller brandt zij op het water der aarde, totdat het verdampt om bij dalende temperatuur in duizend droppels verstoven ook van buiten op de bloem neer te dalen. De regen zou de bloem vernielen, de dauw drenkt haar op harmonische aan haar natuur aangepaste wijze.

Ook hier zie ik weer een beeld van het liturgisch leven met Christus. Die vereeniging met de Kerk en door de Kerk met Christus telkens weer in allerlei uitingen van liefde en godsvrucht, van berouw en boete, van jubel en geestdrift, doet in ons het ijs, waarin ons hart als in een ring besloten lag, ontdooien en voert ons het water van goede en warme gevoelens toe, zoo noodig om ons geestelijk leven te onderhouden. En de rijkdom en verscheidenheid van de liturgische gebeden en oefeningen doen ze mij ook zien als een dauw, waarin het water van reiniging en godsvrucht verstoven wordt over onze ziel en in de fijnste droppeltjes telkens weer opnieuw over ons neerdaalt.

[11] Zoo ook is voor den tuin onzer ziel het niet zonder waarde of beteekenis, hoe de grond is, waarop de bloemen onzer deugden toch eigenlijk moeten groeien, hoe wij die bloemen van water voorzien. Nu is het toch wel heerlijk, dat wij in het liturgisch leven zulk een doeltreffend middel hebben om telkens weer door onze omgeving het ijs om ons hart te doen ontdooien, in den vorm van steeds nieuwe prikkeling en van bewustzijn, dat duizenden met ons in hetzelfde gebed vereenigd zijn, de wateren van Gods genade als in een dauw over ons kunnen laten verstuiven en ons er zoo zekerder en gemakkelijker door kunnen laten drenken. Wij hebben die verstuiving noodig. Ongemerkt moeten wij door het leven dat wij kiezen, de omgeving, waarin we onszelve plaatsen, de sfeer, waarin wij moeten opgroeien en opgaan naar God en die met dit doel dus in overeenstemming moet zijn, onszelve tot dien opgang dwingen, de bloemen van ons hart in de meest gunstige omstandigheden tot bloei zien te brengen. Wij zijn zoo koud en dor, dat wij er veel voor moeten doen om te waarborgen, dat we niet geheel bevriezen, integendeel, door het meeleven met anderen in de groote Kerkgemeenschap, door het liturgisch leven in den opgang naar God nog sterker met elkander verbonden, de gevoelens van ons hart steeds warmer worden en in de rijkste verscheidenheid naar de verschillende omstandigheden des levens op God gericht blijven, als evenzoovele dauwdruppels op ons neerdalen om ons geestelijk leven te drenken en te onderhouden.

Daarmee vereenigen we ons niet alleen met elkander, niet alleen in en door elkander met de Kerk, die we toch allen samen vormen niet alleen met Christus, die van het mystieke lichaam dat de Kerk is, zelf het hoofd heeft willen blijven en met wien we ons dus in het liturgisch leven in den geest der Kerk zoo innig mogelijk vereenigen, nee, we gaan hiermee nog verder. Wij komen op deze wijze tot de innigste vereeniging ook met God onzen Vader in den Hemel, onzen Schepper, die ons nog altijd dag na dag volgens de plannen zijner schepping in stand houdt.

Om dit duidelijk te maken kom ik nog eens tot mijn beeld van de bloem in de zon. Ik zeide het reeds, hoe de bloem en de zon op elkander zijn ingesteld, hoe de werking en de kracht der zon op wonderbare wijze is aangepast aan de behoefte der bloem en hoe van den anderen kant de bloem onder den weldadigen invloed van de zon groeit en bloeit en tot de bekroning van haar bestaan, de rijpheid en de vruchtbaarheid komt. Dat proces van groei en bloei der bloemen is de verwezenlijking van het eeuwig plan des Vaders, die dat in zijn oneindige wijsheid van alle eeuwigheid heeft voorzien en gewild.

[12] Daarheen moesten we veel meer verplaatsen. Van eeuwigheid heeft God aan ons gedacht, van eeuwigheid ons bemind en voor ons gezorgd. Daar in het eeuwig verstand des Vaders in de eeuwige Wijsheid van den Zoon, het Woord uit den Vader gesproten, in de eeuwige Liefde van den Vader en den Zoon is de kennis van ons bestaan, de liefde tot ons begrepen. Daar ligt de grond van onze mogelijkheid, de beslissing over ons bestaan voor al den tijd, dat het bestaat.

Daar is van alle eeuwigheid de verhouding van de zon tot de bloem en omgekeerd van de bloem tot de zon geregeld en vastgesteld. Daar zijn ze van eeuwigheid op elkander ingesteld en beide om elkander gemaakt zooals ze gemaakt zijn. Maar het plan der Goddelijke Wijsheid en Liefde reikte veel verder dan de verhouding van bloem en zon, ook onze verhoudingen zijn van diezelfde eeuwigheid vastgesteld.

Hoe onze natuur kon en zoude zijn, hoe zij er behoefte aan moest hebben, God te zoeken als haar einddoel, hoe zij van haar doel afwijkend door God, menschgeworden, weer tot haar doel zou worden teruggevoerd, hoe zij in de Kerk door Christus voor haar gesticht den weg vinden zou tot God en in het leven van de Kerk de beste waarborg voor een leven, dat haar tot haar doel zou brengen, God. Ja, ook dat is van eeuwigheid gewild. Het liturgisch leven is van eeuwigheid gedacht als de weg, die ons met de Kerk en door de Kerk met Christus verbindt, maar tegelijk volgens de eeuwige plannen der Goddelijke Voorzienigheid, volgens het eeuwig bestel des Vaders ons aan onze bestemming zou doen beantwoorden. Zoo staat als met zegenende handen God de Vader zelf over de Kerk en over die leven in den eeredienst der Kerk volgens zijn goddelijke inzichten.

Hoe heerlijk is dat. Als wij in liturgisch leven ons met elkander vereenigen, dan vervullen wij het inzicht, dat de Vader had, toen Hij van eeuwigheid in zijn wijsheid en liefde ons besloot te scheppen in den tijd, dan vereenigen wij ons met den Vader door Christus en zijn Kerk, die juist daarom door Christus is gesticht opdat wij met Hem tot den Vader zouden gaan en de eeuwige inzichten van zijn wijsheid en liefde zouden vervullen.

Voor vele Heiligen was die gedachte aan die eeuwige plannen Gods met ons een reden tot extatische vreugde. En dat God in ons hart die zonnezucht legde, dien drang naar vereeniging met het Goddelijke openbaart ons te sterker en klaarder, hoe wij in een streng liturgisch leven allen menschen, opgaan tot het ons gemeenschappelijk gestelde, door allen gelijkelijk na te streven doel, God zelf te eeren en te aanbidden en daarin gelukkig te zijn.

[13] Zoo komt de ziel tot haar vollen uitgroei en verwezenlijkt zij in zich, wat de Schepper van eeuwigheid in haar heeft neergelegd. Zoo komt ook het liturgisch leven tot zijn vollen geestelijken uitgroei en wordt het beter en dieper verstaan als van eeuwigheid in de plannen van den Vader opgenomen om de ziel tot den Vader te brengen. Wij moeten ons telkens weer inschakelen, zoo voor onszelve als voor anderen, in dat Goddelijk liefde-plan en ons zijn kinderen weten. Het liturgisch leven heeft niet zulk een beperkte strekking, maar het reikt van eeuwigheid tot eeuwigheid en doet ons vervullen, wat God onze Vader van eeuwigheid van ons en voor ons heeft gewild.

In dat eeuwig licht beschouwd vallen alle tegenstellingen, die de vrije en volle ontwikkeling van een rijk liturgisch leven vaak nog tegenhouden of belemmeren, weg. Daar zijn al onze medemenschen onze broeders en zusters, daar zijn alle ledematen van het mystieke Lichaam van Christus onze mede-uitverkorenen, wier eeuwige uitverkiezing tot het lidmaatschap der H. Kerk hen inniger met ons vereenigt dan welk uiterlijk beletsel hen van ons kan scheiden. In het liturgisch leven zoo gezien gaan we in een groot leger, dat niet alleen over heel de wereld maar ook over den tijd zich uitstrekt en alle uitverkorenen gelijkelijk omvat, allen onderscheiden maar toch allen één, op tot den Vader in den Hemel, die ons schiep, die ons dag aan dag in het bestaan onderhoudt, die ons met zijn eeuwige liefde vervolgt.

Eindelijk brengt mij mijn vergelijking van de bloem in de zon nog tot een laatste beschouwing.

De bloem moet leven en is in haar leven aan de wetten van het stoffelijk leven gebonden. Als niet voortdurend de levenssappen worden aangevoerd, als niet telkens weer de zonnewarmte en het zonnelicht in haar worden opgevangen, dan gaat zij kwijnen en verflenst. Een bloem is zoo teer, zoo broos.

Eén regendag, een sombere koude kan haar al haar pracht en heerlijkheid rooven. Niet zelden zien wij in de vroegen lentetijd, als wij ons reeds in de schittering van de eerste bloemen in onze tuinen en parken verheugen, dat een ijzige nachtvorst ze in één nacht doen sterven, althans in haar bloei tijden terugzet. Wat gingen ze in rijen van duizenden met de Paaschdagen naar de bloemenvelden, naar de Betuwe in bloei. De gure koude wind ontnam echter aan de blijde verwachting, waarmee men op reis ging, de verhoopte bevrediging. De koude sloot de bloemen, de hagel sloeg ze stuk. Het heeft nog dagen geduurd, voor men te zien kreeg, wat men begeerde, het schoone zich in alle pracht vertoonde.

[14] [15] Ook dat is een beeld, dat ons te denken geeft. Ons geestelijk leven, met het leven eener bloem vergeleken, is niet minder broos en teer. Wij dragen den schat ons gegeven volgens het woord der H. Schrift in brooze vaten rond. Wat een regenvlagen in figuurlijken zin trachten den luister van ons geestelijk leven daarvan weg te nemen, wat al stormen bedreigen het. Het is in de wereld vaak zoo koud om ons heen, kouder nog in geestelijken, dan in letterlijken zin. Wat een gevaar loopen we niet in die koude atmosfeer, waarin we vaak leven moeten, althans vele dagen en uren moeten doorbrengen, in onze liefde te bekoelen, neen, te bevriezen. Wat een ijs ligt er vaak om ons hart. Elken dag opnieuw staan we aan die gevaren bloot. Altijd omringt ons de koude wereld met haar atmosfeer, die onze liefde bedreigt. Als onze aarde niet geregeld door de zon beschenen werd, de zon haar niet telken dage opnieuw uren lang bescheen, de haar omringende ijle en ijzige dampkring zou in zeer korten tijd alle warmte van haar wegslorpen en haar in een steenharde bevriezing voor alle leven ongeschikt maken. Maar dit gebeurt niet, want God heeft de zon geplaatst in het midden van haar baan, de zon, die haar om zich laat heendraaien, terwijl zij zelf zich weder draait om haar as en zoo komt het, dat elken dag over onze tuinen en parken de zon des morgens weder opkomt en als zij des avonds ondergaat zooveel licht en warmte aan die tuinen heeft geschonken, dat het leven der bloemen er niet slechts onderhouden blijft, maar zij onder dien weldadigen invloed tot bloei en vruchtbaarheid geraken.

In het geestelijke leven moet elken dag, ja, elken dag, want de verkoeling is groot, de zon opgaan, die weer nieuw licht geeft, nieuwe warmte toevoert. Er is geen meer geeigend middel dan een rijk liturgisch leven, dat ons elken morgen weder naar de Kerk voert, de H. Mis doet bijwonen, de H. Communie doet ontvangen, doet medeleven met de feesten der Kerk en van al haar gunsten en voorrechten doet genieten. Dag wordt aan dag gerijd en voor elken dag met zijn kommer en zorgen wordt licht en warmte ingedronken, die den bloei van het leven voor dien eenen dag wel waarborgen. De feesten der Kerk brengen van tijd tot tijd tot nog inniger vereeniging, zoodat er een voortdurende opgang is, terwijl er in de donkerte van het onzonnige niet-liturgische leven zoo groot gevaar is, dat de ziel de eeuwige waarheden niet voldoende voor den geest blijft houden, te weinig prikkeling ondergaat om in de liefde bevestigd te blijven. De bloem in de zon. O waren wij dat door een rijk liturgisch leven.

[16] Maria is de bloem des velds, de lelie van het dal, dat wij bewonen, de roos van Jericho, dat door de kinderen Gods moet worden ingenomen, de mystieke roos, die Jezus droeg als de rijke vrucht der volle Goddelijke begenadiging.

Als Lieve-Vrouwebroeder mag ik deze inleiding niet besluiten, te minder op deze plaats aan de Lieve Vrouw gewijd in een beeltenis door een mijner Ordebroeders, Broeder van de Lieve Vrouw als ik, hier ter vereering uit het water van de Eem opgenomen,[3] zonder dat ik bij mijn vergelijking van ons geestelijk leven bij het leven van de bloem in de zon wijs op haar die ons aller Moeder en Voorbeeld als de schoonste zonnebloem zich steeds gewend heeft naar den Heer, als de schoonste roos onder het kruis is opengebloeid en ons voor onze ontvankelijkheid voor de goddelijke genade het schoonste voorbeeld was, toen zij zeide: Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.

Laten ook wij God dienen naar zijn woord en aanwijzing, opdat ook in ons het woord Gods, dat wil zeggen, het eeuwig plan des Vaders worde vervuld.

Ad Jesum per Mariam, Tot Jezus door Maria.

Ad Patrem per Matrem, Tot den Vader door onze Moeder.



  1. Typoscript, 15 pages, with typed numbering starting at page 2 (number 2 to 16; leaving out number 14).
  2. See: 1 Cor 12:12-30.
  3. Titus refers to the carmelite friar Jan van Schoonhoven, see: Titus Brandsma, ‘O.L. Vrouw van Amersfoort’, Carmelrozen Vol IX, 1920, 67-70; Titus Brandsma, 'Van Ons Geestelijk Erf. Onze Lieve Vrouw ter Eem' De Gelderlander, 03-02-1940 and 10-02-1940; See also: Dick E.H. de Boer & Ludo Jongen (eds), In het water gevonden. Het Amersfoortse Mirakelboek (Hilversum 2015) 29, 38.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019