De Heilige Teresia en de Heilige Eucharistie

1923

An article in two parts

 


De Heilige Teresia en de Heilige Eucharistie

[1]


Nu het eeuwfeest van de Heiligverklaring van de Serafijnsche Maagd van Avila, van Maart 1922 tot Maart 1923 over de geheele wereld de lof dezer Heilige op bijzondere wijze doet verkondigen, nu hare betrekking tot hare Orde, tot haar land, tot de literatuur, tot het Missiewerk en tot zoovele andere punten, welke haar ter harte gingen, in wijden kring het voorwerp van bespreking zijn, nu is zeker een kort artikel op zijn plaats over de betrekking van deze bruid des Heeren tot het voorwerp harer innigste liefde, tot God in het H. Sacrament.

Bekend mag ik wel de godsvrucht noemen welke de groote H. Teresia koesterde tot het H. Sacrament des Altaars en tot alles, wat daarmede in betrekking staat, zoo bekend, dat haar schitterend voorbeeld onder dit opzicht meer dan een van hare kinderen tot de Orde van Carmel heeft getrokken en haar in de stille kloosters van den Carmel in die liefde en godsvrucht tot dit heilig geheim de Serafijn van Avila na te volgen.

Nog leeft in ons eigen vaderland de herinnering voort aan de vrome Maria Margaretha van het H. Sacrament, de eerste Priorin van het klooster der Carmelitessen te Oirschot, die door haar groote liefde tot dit heilig Sacrament de merkwaardige en wonderbare genade verwierf, dat haar lichaam na haar dood zich oploste in olie voor de godslamp.

Het zou niet moeilijk zijn, uit de geschiedenis der Orde andere voorbeelden aan te halen.

Het kan niet anders, waar de groote Hervormster uitdrukkelijk verklaarde en telkens weder hare Zusters er op wees, dat een der hoofddoeleinden, waarom God haar in die gesloten kloosters samenbracht, was, Hem te aanbidden en eerherstel te geven voor de veronachtzaming, welke Hij in de wereld ondervond, de beleedigingen, welke Hem door de ongeloovigen en ketters werden aangedaan.

Zij weent om die beleedigingen en vraagt den Hemelschen Vader, hoe Hij ze dulden kan en Zijn eenigen Zoon die versmading nog kan doen dragen.

O mijn Schepper, zoo bidt zij (Weg der Volmaaktheid, hfds. III), hoe zou een zoo teeder Hart als het uwe kunnen dulden, dat hetgeen uw Zoon heeft ingesteld met zulk een gloeiende liefde tot ons en ook om U te behagen, wijl Gij Hem geboden hebt ons te beminnen, zoo weinig geacht [10] wordt, als heden ten dage de Lutheranen het H. Sacrament doen, wanneer zij de kerken verwoesten en het aldus zijn rustplaats ontnemen. Was het niet genoeg Eeuwige Vader, dat Hij gedurende zijn leven zelfs niets had, waarop Hij zijn hoofd kon nederleggen. Moet Hij nu ook nog verdreven worden uit de huizen, waar Hij verblijft en zijn vrienden uitnoodigt, omdat Hij weet, dat zij zwak zijn en zij, die lijden, deze spijs behoeven. Heeft Hij nog niet genoeg geboet voor de zonde van Adam. Moet dit allerbeminnelijkst Lam steeds weer boeten, als zij zondigen. Neen, mijn Meester, laat dit niet toe. Uwe Majesteit zij nu verzoend.

In hare nederigheid acht zij het echter vermetel, tot God deze bede te richten, evenals zij het vermetel van zichzelve vindt, te denken, dat zij van haar kant iets kan bijdragen tot de verheerlijking van God en de uitbreiding van zijn Kerk. Maar dan vestigt zich haar oog op hare dochters, die, naar zij weet en getuigt, in hare kloosters vereenigd zijn met geen ander doel, dan Hem te behagen. En zij bezweert haar bij de liefde Gods, de Goddelijke Majesteit te bidden, dat hij haar gezamenlijk gebed voor de uitbreiding der Kerk verhoore.

Niets gaf haar dan ook bij de stichting harer kloosters meer vreugde, dan dat het aantal kerken weder met één was vermeerderd, er een heiligdom meer was waar het H. Sacrament werd bewaard. Het was haar eerste zorg bij de stichting van een klooster, dat het Allerheiligste er werd heengebracht. Met Jezus namen de zusters er bezit van. Zonder hem konden zij het niet dan nood-gedwongen als hare woning beschouwen. Zelve beschrijft zij dit in haar verhaal van de stichting des kloosters te Salamanca.

Dit was, zoo schrijft zij, het eerste klooster, dat ik stichtte, zonder dat het allerheiligste Sacrament er ons ter bewaring werd gegeven. Ik meende, dat het geen bezitname was, zoo dit niet geschiedde. Later heb ik vernomen, dat dit niet noodzakelijk was. Dit was een groote troost voor mij, wijl de studenten, (die het hadden bewoond), het huis in slechten staat hadden achtergelaten. Daar zij zich weinig bekommerden om netheid, was het geheele huis in zulk een toestand, dat het ons dien nacht niet weinig werk bezorgde. Den volgenden morgen kon er echter in alle vroegte de eerste Mis gelezen worden.

Al was dus het huis niet in een staat, dat daarin het Allerheiligste kon worden bewaard en Jezus er zijn blijvende woonstede kon vestigen, niettemin werkte zij met hare gezellinnen den geheelen nacht om toch reeds den eersten dag de H. Mis in het klooster te zien opdragen. Bovendien spreekt uit deze woorden, dat, hoezeer zij er naar verlangde het H. Sacrament in hare kloosters bewaard te zien, zij toch liever van dit groote voorrecht afzag, dan aan het Allerheiligste een plaats bieden, welke niet passend of veilig genoeg was, en zij dan in de beschikking der Voorzienigheid troost vond en zich in die beschikking verheugde, als was Jezus bij haar. Met blijdschap constateerde zij deze zelfde stemming bij hare dochters. Het klooster van Salamanca was, wat zij voor hare Zusters wenschte. Veel ontbrak.

Het ergste echter, zoo schrijft zij, was, dat zij het Allerheiligste Sacrament niet in huis hadden. Dit was bij zulk een streng slot een zeer groot gemis. Zij lieten er zich echter niet door ontmoedigen, maar verdroegen alles met zulk eene tevredenheid, dat het werkelijk stemde tot verheerlijking van God. Eenigen van haar zeiden mij, dat het haar een volmaaktheid toescheen, naar een ander huis te verlangen en dat zij hier even tevreden waren, als was het Allerheiligste Sacrament bij haar.

Bij de stichting van het klooster van Medina del Campo bleek op niet minder heldere wijze haar groote liefde tot het H. Sacrament. Deze stichting ging die van Salamanca vooraf, zoodat zij toen nog leefde, in de overtuiging, dat geen bezit van het huis zou zijn genomen, indien men er geen blijvende woonstede voor haar Bruidegom had gemaakt. Zij kwamen in den nacht omstreeks twaalf uur te Medina aan en gingen aanstonds naar het huis, dat haar tot woning moest strekken.

In onze woning aangekomen, schrijft zij, betraden wij de binnenplaats. De muren schenen mij wel bouwvallig toe, maar toch niet in die mate, als ze dit den volgenden dag bleken te zijn. Het scheen inderdaad, [11] dat God dien goeden Pater Antonius, (Prior des kloosters te Medina) met blindheid had willen slaan, dat hij niet onbetamelijk achtte, het H. Sacrament hier te bewaren.

Dan beschrijft zij, hoe zij den geheelen nacht werkten om de plaats zoo in te richten, dat het niet onpassend wezen zou, daar een altaar op te richten, hoe zij tapijten en spijkers vonden om alles te behangen, den vloer reinigden, en zich zoo haasten, dat bij het aanbreken van den dag het altaar was geplaatst en de bel in een der gangen opgehangen was. Terstond werd toen de H. Mis gelezen.

Dit mocht, zoo schrift zij, voldoende zijn om bezit te nemen van het huis, wij lieten het hierbij niet en men liet ons ook het H. Sacrament bewaren.

Tot nu toe, zoo vervolgt zij, was ik over alles zeer tevreden, want het is voor mij een groote troost, weer een nieuwe kerk te zien, waar het H. Sacrament bewaard wordt. Mijn vreugde was evenwel van korten duur. Na de Mis begaf ik mij naar een raam om de binnenplaats op te nemen en bemerkte, dat de muren op sommige plaatsen geheel waren ingevallen en er verscheiden dagen zouden noodig zijn om ze te herstellen. O, mijn God, welk een angst maakte zich van mijn hart meester, toen ik Uwe Goddelijke Majesteit zoo onbeschermd en als op straat zag in een tijd, die zoo gevaarlijk was wegens de Lutheranen. Bij dezen angst voegde zich nog de gedachte aan de moeilijkheden, welke ons in den weg zouden kunnen worden gelegd door hen, die over mijne handelwijze reeds zoozeer hun ontevredenheid hadden gelucht…. Het troostte mij echter, veel volk te zien toestroomen, zonder dat iemand ons verwijtingen deed over onze dwaasheid. Gods barmhartigheid beschikte het aldus, want ware dit gebeurd, dan zou men zeker bij ons het H. Sacrament hebben weggenomen. Thans sta ik verwonderd over mijne onbezonnenheid en over de onachtzaamheid der anderen, dat men hiertoe niet overging. Alles toch zou volgens mijn meening ongedaan gemaakt zijn, als dit gebeurd was…. Ondertusschen bracht ik pijnlijke nachten en dagen door, want, hoewel ik mannen had aangesteld om het H. Sacrament te bewaken, kwelde mij voortdurend de zorg, dat zij zouden inslapen. Ik stond derhalve des nachts op om door een venster naar hen te gaan zien. Daar het heldere maan was, kon ik hen goed gadeslaan. Des daags bleef het volk in grooten getale toestroomen en niet alleen ergerde het hen niet, doch zij gevoelden er zelfs godsvrucht in, onzen Zaligmaker nogmaals in dit portaaltje te bezoeken. En God, die nooit moede wordt Zich te vernederen, scheen het niet te willen verlaten.

In het achttiende hoofdstuk van het Boek der Stichtingen komt zij nog eens in het algemeen terug op de vele moeilijkheden, waarmede deze gepaard gingen. Maar, zoo kan zij verklaren, voorzoover ik mij kan herinneren, zag ik nooit van een stichting af, uit vrees voor de daaraan verbonden moeite, al had ik een grooten afkeer van reizen, vooral als de reis lang was. Was ik eenmaal op weg, dan viel de reis mij licht. Ik bedacht dan, in wiens dienst ik die reis ondernam, hoe God in dat huis verheerlijkt zou worden en men er het allerheiligst Sacrament zou mogen bewaren. Het is voor mij een bijzondere voldoening, weer een nieuwe kerk te zien, als ik er denk, hoevele de Lutheranen er doen verdwijnen. Ik begrijp niet, welke moeite, hoe groot ook, men zou kunnen vreezen, als men in ruil daarvoor zulk een verheven goed voor het Christendom kan verwerven. Al denken velen er weinig aan, hoe Jezus Christus waarachtig God en waarachtig mensch op vele plaatsen in het allerheiligste Sacrament tegenwoordig is – en dit is Hij toch – voor ons moet dit een groote voldoening zijn.

Voor de H. Teresia was het zeker steeds de grootste voldoening vanaf de eerste stichting te Avila, bij welker verhaal zij uitroept: Het was voor mij, alsof ik in den hemel was, toen ik zag, hoe het H. Sacrament er ter bewaring werd gegeven. Wie het verhaal dier stichtingen doorleest, wordt telkens getroffen door de bijzonderheden, welke zij mededeelt over het Allerheiligste, de zorg, welke zij daarvoor aan den dag legde, de vreugde, welke zij daarbij ondervond, de moeilijkheden, welke zij daarvoor trotseerde.

Deze stichtingen zijn echter niet het [12] eenige bewijs van hare liefde tot Jezus in het H. Sacrament.

Lees hare werken door; op elke bladzijde spreekt de taal harer liefde tot Jezus en waar de gelegenheid zich aanbiedt, vindt die liefde haar uitdrukking in een ontboezeming over het Allerh. Sacrament.

Brengt haar verhaal haar op den dag vóór de Vigilie van het feest van Sacramentsdag, dan bepaalt haar gedachtegang dien dag door zijn betrekking tot dat feest en kan zij niet nalaten, tusschen haakjes te zeggen, dat zij steeds een bijzondere godsvrucht voor dezen feestdag koesterde, al erkent zij in hare nederigheid, dat deze nog niet was, gelijk zij voor zulk een hoogfeest wel zou moeten wezen. (Boek van haar Leven, hoofdst. XXX.)

In het Boek van haar Leven dringt de heilige er herhaaldelijk ten sterkste op aan, dat, willen wij bij ons gebed van overweging en beschouwing veilig voortgaan, wij Christus’ Menschheid steeds tot voorwerp onzer overweging en beschouwing moeten kiezen. Zij waarschuwt tegen den raad, alle lichamelijke verbeelding terzijde te stellen en zoover te gaan, dat men slechts de Godheid zou zien. Zij betreurt het, dat zij door het lezen van eenige werken over het gebed, eenigen tijd, zij het ook kort, in diezelfde meening verkeerde. Spoedig, zoo schrijft zij (Hoofdstuk XXII), keerde ik terug tot mijn vroegere gewoonte, mij te verlustigen in het bijzijn van den Heer. In het bijzonder wanneer ik communiceerde, moest ik altijd zijn beeld of voorstelling voor oogen hebben, omdat ik die niet zoo diep in mijn geest kon gegrift houden als ik wel wilde.” Zij geeft toe, dat men niet steeds het Lijden des Heeren kan overwegen, maar wat belet ons dan, vraagt zij, Hem te aanschouwen, gelijk Hij is verrezen. Hij is toch zoo dicht bij ons in het H. Sacrament. Daar is Hij verheerlijkt en zien wij Hem niet zoo terneergeslagen en verscheurd, niet zoo met bloed beloopen, vermoeid van het gaan, vervolgd door wien Hij zooveel goed deed, niet geloofd door de Apostelen. Waarlijk, niet altijd is men sterk genoeg om zooveel lijden als Hij verduurde, te beschouwen. Na zijn Verrijzenis echter is Hij zonder smarten en vol heerlijkheid. Voor Hij ten hemel vaart, schenkt Hij eenen kracht, den anderen moed. In het H. Sacrament is Hij voortdurend bij ons. Hij schijnt zelfs niet bij machte, ons ook maar een oogenblik te verlaten. Hoe kon ik in staat zijn, roept zij uit, mij van U te scheiden, o mijn Heer, om U op die wijze beter te kunnen dienen.

Als een voorbeeld, hoe zij bij de H. Communie zich Jezus in zijn sterfelijk en menschelijk leven voorstelde, verhaalt zij in het negende hoofdstuk van het Boek van haar leven, hoe zij een levendige godsvrucht koesterde tot de H. Maria Magdalena. Dikwijls, zoo zegt zij, dacht ik aan haar bekeering, in het bijzonder, wanneer ik te Communie ging. Wijl ik wist, dat de Heer dan zeker in mijn binnenste vertoefde, wierp ik mij aan zijn voeten. Het scheen mij, dat Hij ook mijne tranen niet versmaden zou. Ik wist niet, wat ik zeide, want het was te veel voor mij, dat Hij toestond over Hem te weenen, terwijl ik die aandoening zoo spoedig weer vergeten zou. Ik vroeg die roemrijke Heilige, vergiffenis voor mij te verwerven.

Die overweging van zijn H. Menschheid was echter meer dan eens voor God de weg om haar omhoog te voeren en al haar zintuigelijke vermogens, zoo niet geheel werkeloos dan toch geheel ondergeschikt te maken aan de geestelijke genieting. In het zestiende hoofdstuk beproeft de Heilige te beschrijven, welk een genieting dien eigen morgen de H. Communie haar schonk. Het is als een doodstrijd, waarin de ziel dreigt te sterven, omdat zij nog niet sterft. De ziel weet niet meer, wat zij doen moet, zij weet niet eens, of zij moet spreken of zwijgen, lachen of schreien. Het is een heerlijke verdwazing, een hemelsche uitzinnigheid, waarin men de ware wijsheid leert. Het is voor de ziel de genotvolste van alle genietingen. Men gebruikt in dezen toestand heel veel woorden om God te verheerlijken, maar het zijn woorden zonder samenhang, als de Heer ze tenminste zelf niet samenvoegt. Het verstand vermag hier niets. De ziel zou haar lofprijzingen willen uitschreeuwen. Zij is geheel buiten zichzelve en haar uitgelatenheid is haar een genot. Zij zou uit zooveel tongen [13] willen bestaan om God daarmede te verheerlijken. Zij zegt duizend dwaasheden en weet toch te behagen aan Hem, die haar in die gesteltenissen houdt. Ik ken iemand, zoo gaat zij verder, zonder dichterlijken aanleg, die in korten tijd in de innigst gevoelde verzen uitdrukking gaf aan de smart, welke de ziel in dezen toestand foltert. Niet het verstand geeft die in, neen, het is een klagen der ziel tot God om nog meer te genieten van de heerlijkheid, welke haar een zoo verkwikkende pijn doet lijden.

Men meent vrij algemeen, dat de Heilige hier spreekt van zichzelve en op de verzen wijst, welke zij zelve als ontboezemingen der ziel na de H. Communie dichtte.

Tweemaal voorzoover ik weet, is van deze verzen een vertolking in Nederlandsche verzen beproefd. Een ken ik reeds sinds mijn jeugd uit de Oefeningen voor het Genootschap van Jezus’ H. Hart, Amsterdam 1869[2], waarin op het einde een vertaling dezer ontboezeming der H. Teresia, onderteekend G. J. v. H., is opgeteekend. Een tweede vertaling gaf de onvermoeide Pastoor C. Nuijen in De Katholiek van Augustus 1921. Beiden kan men een innig medegevoel met de gevoelens der Heilige niet ontzeggen en ontroerend is ook hier en daar hun taal, maar toch slaagden zij niet in een wedergave van de smartkreet, welke door de Spaansche verzen schreit tegelijk met de heerlijkheid, zoo te kunnen schreien. Te gekunsteld is de taal, te gezocht de woorden, terwijl Teresia in zoo eenvoudige bewoordingen haar taal uitstort, herhalend, dat zij sterft, omdat zij nog niet sterft en telkens nieuwe beelden bijbrengend van dien heerlijken doodstrijd. Ik zal mij niet wagen aan een derde vertolking in verzen, al zouden enkele regels tot versmaatvertolking lokken.

Ik leef en toch ik kan niet leven.
Ik smacht naar leven, zoo verheven.
Dat ‘k sterf, omdat ik nog niet sterf.

Deze drie regels geven het onderwerp aan, waarover 13 strofen volgen.

(Slot volgt).

Dr. Titus Brandsma, Ord. Carm.
Oss.



  1. Published in: SS Eucharistia, Vol 19/1, 1923, p. 9-13.
  2. [A. Verweerd], Oefeningen voor het Genootschap van Jesus' H. Hart, bestaande uit afdeelingen van drie en dertig personen, Amsterdam 1869.


De H. Teresia en de H. Eucharistie

[1]


Niet altijd echter, ook wanneer God haar ter gelegenheid eener H. Communie een visioen schonk van zijn heerlijkheid, werd hare verbeelding dermate in beslag genomen door de geestelijke aanschouwing. Zij zelve erkent, dat somtijds ook visioenen der verbeelding haar op die oogenblikken te beurt vielen en God haar als het ware de beeltenis van zijn verheerlijkt Lichaam in al zijn heerlijkheid en majesteit te aanschouwen gaf ook in de zintuiglijke verbeelding, niet alleen in de aanschouwing des verstands. Zoo sterk was de werking dier visioenen, gelijk zij zegt (Leven, XXVIII) dat ik weliswaar nu en dan meende, dat wat ik zag een beeld was, maar dikwijls ook meende ik, dat het Christus zelf was. Soms was het zoo vaag, dat het mij een beeld scheen, maar toch geen beeld dezer aarde. Hier bestaat eenzelfde verschil als tusschen een levenden persoon en zijn afbeelding. Want al is hetgeen wij hier zien een beeld, het is een levend beeld, geen gestorven mensch, doch de levende Christus. En Hij geeft te verstaan, dat Hij mensch is en God, niet zooals Hij neerlag in het graf, maar zooals Hij daaruit opstond na zijne Verrijzenis. Soms komt Hij met zoo groote majesteit dat men er onmogelijk aan kan twijfelen, of het is de Heer zelf, vooral als wij juist hebben gecommuniceerd en dus weten, dat Hij daar is, omdat het Geloof ons dit zegt. Hij toont zich zoozeer heer van zijn verblijf, dat de ziel, geheel buiten zichzelve, zich geheel meent te zien opgaan in Christus.

Kan het ons verwonderen, dat een ziel, die in zulk een gesteltenis tot Jezus kwam in zijn H. Sacrament, de zoetheid van deze hemelsche spijs moest smaken en een zoete vrede over zich voelde komen, als haar verlangen naar Jezus bevredigd werd door zijn nabijheid. Openlijk erkent zij dit in het dertigste hoofdstuk van het Boek van haar Leven.

Soms, ja, wel geregeld, tenminste zeker meestentijds had ik rust, onmiddellijk nadat ik had gecommuniceerd. Soms gevoelde ik mij reeds als ik in de nabijheid van het H. Sacrament kwam, opeens naar ziel en lichaam in zoo’n goede gesteltenis, dat ik er verbaasd over sta. Ik kan het niet anders voorstellen dan als werd in een oogenblik alle duisternis uit de ziel verdreven en ziet deze in het licht der opgekomen zon, met welke dwaasheden zij zich bezig hield.

In het 34ste hoofdstuk van De Weg der volmaaktheid' komt zij hierop nog weer terug en deelt zij tevens mede, hoe zij ook in haar lichaam de gezegende uitwerkselen der H. Communie mocht ondervinden. Uit alles toch blijkt, dat de persoon, over wien zij spreekt, niemand anders is dan zijzelve. Vele getuigen in het proces harer Zaligverklaring bevestigen dit.

Dit hemelsch Brood is een geheel andere spijs, een spijs vol vreugde en zoetheid, die tegelijk ook het lichaam leven doet. Of meent gij, dat deze allerheiligste Spijs ook niet strekt om het lichaam te sterken en niet een uitstekend geneesmiddel is tegen de lichamelijke ziekten. Dat zij daartoe de kracht bezit, daarvan ben ik overtuigd. Ik ken een persoon, die dikwijls hevige pijnen leed, als zij ter H. Communie ging. Nadat zij die echter had ontvangen, waren hare pijnen als weggeblazen en bevond zij zich heel goed. Dit kwam bij haar zelfs voor als iets zeer gewoons en bij zulke kennelijk ziekelijke toestanden, dat zij naar mijne meening onmogelijk inbeelding konden zijn.

Zij voegt er bij, dat deze persoon ook zulk een levendig geloof in zijn goddelijke tegenwoordigheid koesterde, dat zij er om lachen moest, wanneer zij andere personen het verlangen hoorde uitspreken, te hebben geleefd toen Hij op aarde rond wandelde. Wanneer zij communiceerde, trachtte zij zich altijd levendig voor te stellen, hoe de Heer zijn intrek bij haar nam. Met Magdalena wierp zij zich aan zijne voeten. Als de zieke vrouw reeds haar gezondheid verwierf door het boordsel van zijn kleed aan te raken, dan was zij zeker, nu Hij zelf zijn intrek bij haar nam, dat zijn tegenwoordigheid wonderen aan haar wrochten zou, zoo zij slechts geloof bezat. Zijne Majesteit pleegt de gastvrijheid, welke wij Hem verleenen, niet slecht te betalen, maar dan moeten wij ons ook met hem bezig houden en ware gastvrijheid verleenen. Zelfs moeten wij ons niet tevreden stellen met zijn beeltenis te aanschouwen of gebeden te verrichten, evenmin als dit passen zou, wanneer iemand, wiens beeltenis wij bezitten en gaarne zien, zelf zou komen om ons [25] te bezoeken. Slechts als Hij niet bij ons is of zijn tegenwoordigheid ons niet duidelijk voor den geest staat, zal het beeld des beminden ons helpen Hem ons weder voor den geest te brengen. Zij looft Gods wijsheid, dat Hij zijn majesteit omhult, wijl wij anders niet tot Hem zouden kunnen naderen. Zij stelt zich den Koning der glorie voor, als kwam Hij verkleed en wilde Hij daarmede zelf aangeven, dat wij meer vertrouwelijk en zonder inachtneming van de anders noodige hoofsche vormen met Hem kunnen omgaan. De tijd na de H. Communie, zegt zij verder, is een kostbare tijd. Luisteren wij dan toch naar Hem die Zich dan aan ons wil doen kennen en ons alles wil leeren. Zetten wij ons aan zijn voeten. Vragen wij Hem, dat Hij nooit meer van ons heenga.

Met klem dringt zij er ook op aan, als het ons om een of andere reden niet mogelijk is de H. Communie te ontvangen, dit toch op geestelijke wijze te doen. Zij ziet in den Heer de gelijkenis met een vuur. Naderen wij het niet, het zal ons zijn warmte niet medeelen. Strekken wij er door ons verlangen als het ware onze handen naar uit, dan zal het ons, naarmate wij er vuriger naar verlangen, meer warmte schenken. Geen oefening schat zij hooger dan deze geestelijke Communie, wanneer de gelegenheid, den Heer zelve te ontvangen, ons niet geboden wordt. De wereld heeft voor haar geen schoonheid meer, als het H. Sacrament daaruit wordt weggenomen. Zij smeekt den Hemelschen Vader, een einde te maken aan de verwoestingen, door de Lutheranen in de H. Kerk aangericht of anders aan de wereld zelve. Dagelijks bidden wij, dat de Heer ons geve heden ons dagelijksch brood. Voor haar is dit niets anders dan het Brood der Eucharistie. Om geen andere spijze moeten zich hare dochters bekommeren. Daarvoor zorgt haar bruidegom, indien zij Hem slechts bezitten. Heerlijk is hare uiteenzetting van deze bede van het Onze Vader. Ik zou gaarne de drie hoofdstukken van De Weg der Volmaaktheid (XXXIII-XXXV) in hun geheel hier inlasschen. De plaatsruimte verbiedt het en ik moet mij beperken tot de gedachten daaruit hierboven weergegeven.

Hoezeer haar echter het bijzijn van den Heer verheugde en zij zich in het verkeer met haren Bruidegom in het H. Sacrament verlustigde, toch was haar ontzag en eerbied voor dit hoogheilig geheim niet minder groot. Als ik te Communie ging, verhaalt zij (Leven XXXVIII) en dacht aan de allerverhevenste Majesteit, welke ik in mijn visioen had aanschouwd, overwoog, hoe deze ook in het Allerheiligste Sacrament aanwezig was, ja, als dikwijls zelfs de Heer wilde, dat ik Hem in de Hostie aanschouwde, dan rezen mijne haren ten berge en gevoelde ik mij geheel vernietigd…. Als ik sindsdien die verheven Majesteit verborgen zie onder de gedaante zoo nietig als de Hostie, dan sta ik verwonderd over zooveel verheven wijsheid en ik zou niet kunnen begrijpen, hoe de Heer mij den moed en de kracht kon geven, tot Hem te naderen, zoo die niet gegeven werden door den Heer, die mij reeds zoo groote gunsten schonk en nog blijft schenken. Het zou mij niet mogelijk zijn, den schijn aan te nemen, alsof ik die groote wonderwerken niet zag en ze niet luide te verkondigen.

Terzelfder plaatse beschrijft zij haar ontsteltenis, toen God haar eens in al zijn Majesteit verscheen in een H. Hostie, welke een priester haar reikte, die in staat van doodzonde verkeerde en in hetzelfde visioen voor haar door duivelen in de afschuwelijkste gedaante omringd was. Zij kon niet begrijpen, dat dit visioen van God kwam, maar de Heer zeide haar, dat zij voor dien priester moest bidden en Hij dit had toegelaten, opdat zij zou inzien, hoe groote kracht de woorden der Consecratie bezitten en God niet ophoudt, daar tegenwoordig te zijn, hoe slecht ook de priester is, die deze woorden uitspreekt, vervolgens ook opdat zij zien zou, hoe goed Hij is, dat Hij Zich in handen geeft van zijn vijanden en dat alles voor haar welzijn en het heil van allen. Ik begreep, zegt zij, hoe de priesters nog veel strenger dan de anderen verplicht zijn, braaf te leven en hoe verschrikkelijk het is, dit allerheiligste Sacrament onwaardig te ontvangen.

Ook meene men niet, dat de Heilige steeds en zonder voorbehoud op de dagelijksche H. Communie aandringt. Zij erkent er in het grootste voorrecht en acht het een onwaardeerbaar geluk, maar juist haar hooge waardeering van deze hemelsche gunst maant haar tot voorzichtigheid. Wij zijn deze gunst zoo onwaardig, zegt zij, dat wij uit ons zelve niet tot de H. Tafel moeten gaan, doch ons daarin moeten onderwerpen aan het oordeel van een wijzen biechtvader. Gehoorzaamheid aan den biechtvader in dit punt acht zij van het hoogste belang. In het zesde [26] Hoofdstuk van het Boek der Stichtingen weidt zij uitvoerig over dit punt uit. Zij verhaalt van twee Zusters, die meenden te zullen sterven, als zij niet dagelijks konden communiceeren, terwijl zij doorzag, dat dit voor haar een bekoring van den duivel was, te meer, toen zij haar oordeel niet wilden onderwerpen aan dat van hare Overste. Zelve ging de Heilige dagelijks tot de H. Tafel en het kostte haar veel, hiervan af te zien. Ter leering dezer Zusters onthield zij zich met haar een dag van dit voorrecht, door den Biechtvader haar toegestaan. Het is beter, zeide zij, dat wij alle drie sterven, dan dat zulke ziekelijke gewoonten in onze kloosters ingang vinden. Door haar gestreng optreden kwamen de twee Zusters spoedig tot beter inzicht en werden zij uit hare misleiding verlost. Zij spreekt in datzelfde hoofdstuk ook van een dame, die dagelijks communiceerde, doch daarbij verwaarloosde zich onder de leiding van een vasten biechtvader te stellen. Ik merkte dit op, schrijft zij, en zou liever gezien hebben, dat zij in plaats van zoo dikwijls te Communie te gaan aan een persoon gehoorzaamd had. Dan verhaalt zij, dat dezelfde dame den laatsten dag van haar leven, toen als naar gewoonte in hare kamer de H. Mis gelezen werd, doch de priester naliet haar de H. Communie te geven, zich daarover kwaad maakte. Kort daarop stierf zij. De Heilige spreekt haar droefheid daarover uit. Voor deze vrouw, zoo zegt zij, bood zich een geschikte gelegenheid aan zich diep te vernederen. Zij had allicht meer verdiensten verworven, als zij in plaats van te communiceeren, er aan gedacht had, dat de priester geen schuld trof, maar God het bij het zien harer ellende en onwaardigheid, aldus beschikt had in plaats van in zulk een slechte woning binnen te gaan.

Zoo handelde, verhaalt zij verder, alsof het een derde persoon betrof, doch algemeen meent men, dat zij hier van zichzelve spreekt, zoo handelde een andere persoon, aan wie voorzichtige biechtvaders meermalen de Communie ontzegden, omdat zij te dikwijls communiceerde. Hoewel haar dit zeer veel kostte, verlangde zij toch meer Gods eer dan de hare en daarom dankte zij God onophoudelijk, dat Hij haar biechtvader had ingegeven, op haar te letten en er voor te zorgen, dat Zijne Goddelijke Majesteit niet in zulk een slechte woning behoefde binnen te gaan. Doordrongen van deze gedachte gehoorzaamde zij met groote zielerust, zij het ook met een teedere en liefdevolle smart.

Wie zoo dikwijls God ontvangt, schrijft zij nog, moet redelijkerwijze zoozeer van zijn onwaardigheid doordrongen zijn, dat hij dit niet doet naar eigen goedvinden. De gehoorzaamheid, die ons beveelt te communiceeren, moet aanvullen, wat ons ontbreekt.

Nog zegt zij: Indien iemand zou communiceeren tegen den wil van den biechtvader, zou ik niet begeerig zijn naar de verdiensten, welke hij uit zulk een Communie trekt.

Drie en twintig jaren was het de Heilige toegestaan dagelijks te communiceeren. Deze godsvrucht tot zijn aanbiddelijk Sacrament beloonde God door vooral ter gelegenheid harer Communiën aan haar zijn hemelsche gunsten mee te deelen. Tot den tijd, waarop haar de veelvuldige H. Communie werd toegestaan, leed zij aan voortdurende brakingen des morgens en des avonds. Zij meende zelfs een tijd lang, dat dit voor haar een beletsel was, dikwijls tot de H. Tafel te naderen. Sinds den tijd echter, dat zij dagelijks of bijna dagelijks de H. Communie ontving, hielden des morgens die brakingen op, hoewel zij, gelijk Ribera mededeelt, er des avonds nog altijd tot het laatste van haar leven door gekweld werd.

Meer dan een half jaar ondervind ik, schreef zij in 1560 aan pater Ibanez, dat steeds wanneer ik communiceer, ik mij lichamelijk aanmerkelijk beter bevind. Dit duurt soms den geheelen dag. En dit is naar mijn meening geen verbeelding, want het is mij opgevallen en ik heb er bijzondere aandacht aan geschonken.

Van dien tijd dagteekent ook hare dagelijksche Communie.

Grooter echter dan naar het lichaam waren de gunsten naar de ziel.

Nu eens zag zij, gelijk reeds werd meegedeeld, den Heiland in een visioen zijn intrek bij haar nemen, een ander maal, gelijk zij schrijft, hoe haar lichaam een werd met het allerheiligste Lichaam des Heeren, dan weder, hoe de H. Drievuldigheid in haar woonde en de Eeuwige Vader met welgevallen den Zoon in zijn verheerlijkte menschelijke natuur in haar hart ontving. Op Palmzondag, waarop zij steeds met bijzondere godsvrucht Jezus ontving, omdat zij niet wilde doen als de Joden, die den Heer met palmen inhaalden doch hem naar Bethania lieten gaan [27] om te eten, had zij na de Communie een visioen, waarin Hij haar zeide, dat Hij haar rijkelijk zou beloonen voor de gastvrijheid, welke zij Hem op dezen dag bood. Het kwam haar voor, alsof haar mond geheel gevuld was met zijn goddelijk Bloed en dit ook geheel haar lichaam verfde. Daarbij hoorde zij nog, hoe Hij tot haar zeide: Ik wil, mijn kind, dat mijn Bloed u ten zegen zij, heb geen vrees, dat mijn barmhartigheid u zal ontbreken. Ik heb het met vele smarten vergoten, gij zult er, zooals gij ziet, met vreugde van genieten.

Het zou mij te ver voeren, wilde ik alle visioenen verhalen, welke haar ter gelegenheid harer Communiën ten deel vielen. Een wil ik nog mededeelen, omdat het hare verhouding tot den verborgen God zoo schitterend doet zien en ons hare liefde tot Jezus openbaart.

Het had plaats in het klooster der Menschwording te Avila ten tijde dat de Heilige hier Priorin en de H. Joannes van het Kruis biechtvader des kloosters was. Terwijl deze de H. Communie uitdeelde, zag zij door hem voor haar en een andere zuster een hostie verdeelen. Ik meende, zoo zegt zij, dat er geen gebrek aan Hostiën was en dacht, dat hij mij wilde versterven, omdat ik hem eens gezegd had, dat ik gaarne groote Hostiën had, al wist ik, dat dit er niet op aan kwam en dat de Heer ook onder het kleinste deeltje tegenwoordig bleef. De Heer zeide mij echter, om mij dit beter te doen verstaan: Vrees niet, kind, niets kan u van Mij scheiden. Toen zag ik in een visioen der verbeelding, hoe Hij zijn rechterhand naar mij uitstrekte en zeide Hij: Zie dezen nagel. Zij is het teeken, dat gij vanaf heden mijn bruid zijt. Tot nu toe hadt gij dit nog niet verdiend, van nu af zult gij niet meer mijn eer nastreven als uw Schepper, als uw Koning en als uw God, maar als mijn ware bruid. Mijn eer zal de uwe en uw eer zal de mijne zijn.

Deze woorden zouden een waardig slot zijn voor deze beschouwing van de Serafijn van Avila in haar betrekking tot het hoogheilig Sacrament des Altaars. Ik meen echter in dezen tijd, waarin op zoo verblijdende wijze de zorg voor de liturgie herleeft en bloeit, dit kort artikel niet te mogen besluiten, zonder met een enkel woord te wijzen op de groote zorg, welke de Heilige had voor alles, wat den eeredienst van het H. Sacrament betreft. De uiterste zindelijkheid en nauwkeurigheid schrijft zij daarin voor en in de kloosters door haar gesticht of in navolging daarvan over de wereld verspreid, leeft nog steeds de traditie voort, dat alles, wat op dit heilig Geheim betrekking heeft, met de grootste zorg en de meest pieuze liefde moet worden behandeld. Te Alba de Tormes, waar het lichaam der Heilige nog heden wordt bewaard, waar hare oogen als het ware nog de kerk in schouwen om te zien, of er alles is, gelijk de heiligheid der plaats het vordert en gelijk de Heilige tijdens haar leven zulks verlangde, wordt voor elke H. Mis een schoon kelkdoekje gegeven, ook al celebreert er een priester meer dagen aaneen. Dit is een kleinigheid, nog bewaard, gelijk de traditie leert, uit de tijden der Heilige, die niet wilde, dat iets, dat niet schoon was, zou gebruikt worden voor de heiligste aller handelingen. Ondanks hare vele bezigheden, stelde zij er een vermaak in, zelve handwerken voor het altaar te vervaardigen. Te Genua bewaart men nog heden een zijden kelkkleedje door de Heilige geborduurd. Bijzonder aangenaam waren haar, gelijk Ribera verhaalt, reukwerken om daarmede in de kapel een zoeten geur te verspreiden.

Een onvolmaakt beeld is hier zeker nog gegeven van haar liefde tot het H. Sacrament. Men zou alle bladzijden willen overschrijven, waarin zij zelve van dit aanbiddelijk Sacrament spreekt. Dan zou haar eigen taal in al haar eenvoud en schoonheid het volledigste beeld geven, dat nog te verkrijgen is, en zooveel mogelijk heb ik, voor zoover de ruimte het toeliet, door aanhalingen uit hare werken hare liefde trachten te doen spreken. Moge het een aansporing zijn, in hare werken die aanhalingen op te zoeken in haar verband. Het kan niet anders, of de taal van deze bruid des Heeren zal liefde wekken voor haren Bruidegom en het verlangen doen ontstaan, van zulk een liefde te worden verteerd. Geve ons dit God in zijn H. Sacrament, dat ook wij dagelijks mogen ontvangen en naar het woord van de H. Teresia, zijn vruchten niet kan missen, als wij slechts verlangen er in te deelen.

Dr. Titus Brandsma, O. Carm.
Oss.



  1. Published in: SS Eucharistia, Vol 19/2, 1923, p. 24-27.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021