De Mystieke Leeraar

1926

An article in two parts

 


De Mystieke Leeraar. Op den feestdag van den H. Joannes van het Kruis

[1]


In dezen tijd van mystiek leven, niet minder naar den naam dan naar de daad, in dezen tijd, waarin we bijna niet meer weten, welke beteekenis dit woord in de taal der wereld heeft, heeft de Kerk den titel van Kerkleeraar geschonken aan een Heilige, die zeker voor velen reeds de erkende en beproefde leeraar van het mystieke leven was, maar nu voor ons aller oogen aan den Hemel der Kerk staat als een lichtende poolster, wegwijzer op de zee, waaraan de haven der vereeniging met God ligt.[2] Door die ster geleid komen we in het gezicht van die haven. En al wordt ons de toegang daartoe slechts geopend door den oppersten Havenmeester, met die ster voor oogen zijn we zeker, steeds dichter den haveningang te naderen. Om een ander beeld te gebruiken, het is, of wij een loods aan boord hebben, die de gevaarlijke wateren kent en in staat is, ons alle klippen te doen omzeilen. Leeren we geen wetenschap zonder meester, er is wel geen wetenschap, waarin we meer den meester behoeven dan in de wetenschap der Heiligen, in de hoogeschool der mystiek. Ook hier is – naar een typische uitdrukking van den Münsterschen prediker van den Windesheimer kring, Joannes Veghe – in de hoogste klas de Heer zelf “undermester und overmester” maar slechts zelden neemt Hij beide functiën waar. In den regel laat Hij ons in de voorbereidende klassen, toevertrouwd aan “undermesters”, van wie weder één mag beschouwd worden als de man naar Zijn hart, als degene, die boven de anderen gerechtigd is, in zijn naam te spreken. De grootste mystieke Heiligen konden zulk een leermeester niet ontberen. God wil geen mystiek leven zonder onderwerping aan leiding. Gehoorzaam slechts volgt men wie gehoorzaam was tot den dood, tot den dood van het kruis. Een leider als een H. Bonifatius zien wij geleid door bisschop Daniel van Winchester, een wereldhervormer als den H. Franciscus zien wij eerst in zijn grootheid, als hij zich laat leiden door den kardinaal Ugolino, een H. Teresia eeren wij als de “mater spiritualium”, “de moeder van alwie een geestelijk leven leiden”, als wij haar het woord van haar biechtvader zien stellen boven een woord, dat zij allerduidelijkst als dat van God erkende.

Maar erkent een H. Teresia de groote noodzakelijkheid van de leiding in het geestelijk leven, dan kan het ons in deze mystieke Heilige bij uitstek niet verwonderen, dat zij het bezit van een beproefden leider beschouwt als een der grootste gunsten, welke God ons bewijst, dat zij blij is, zulk een leider in haar leven te ontmoeten, er over jubelt in haar brieven, haar medezusters het groote voorrecht, daarin gelegen, telkens weer voor oogen stelt, en bij hare stichtingen niets meer op prijs stelt, niets een beteren waarborg voor den bloei der stichting acht, dan dat ze de leiding heeft van een man, die met Gods geest is vervuld. Hoe verheugt zij zich in de leiding van mannen als den H. Minderbroeder Petrus van Alcantara, de Dominicanen Ibanes en Banez, den Carmeliet Hieronymus Gratianus, de Jesuieten Salasar en St. Franciscus Borgias, de seculiere priesters Juliaan van Avila en Mgr. de Mendoza om slechts enkelen van de voornaamsten te noemen.

Maar wel het hoogst stelt zij den H. Ordebroeder den H. Joannes van het Kruis. Hij moet de eerste biechtvader zijn van het klooster der Menschwording te Avila.

“Hij is maar klein van gestalte”, schreef ze aan Don Francesco de Salcedo aldaar, “maar in de oogen van God is hij groot”. En in een postscriptum voegt ze er nog bij: “Hem is de geest Gods ingestort en zijn deugd, bij velerlei gelegenheid beproefd, heeft mij heel wat moed geschonken; ik heb nu de gedachte, dat wij goed beginnen. Hij is tot een hoogen staat van gebed opgevoerd en heeft een bezonken oordeel”. Korten tijd later schrijft zij, dat zijn arbeid in het klooster wordt gezegend, dat zusters en volk hem voor een Heilige houden en hij allen sticht. Zij voegt er bij, dat zij hem niet overschatten. Aan haar broer schrijft zij, dat zij blij is, van hem te hooren, dat hij door den H. Joannes van het Kruis begrepen wordt, dat haar dit echter niet verwondert, omdat deze de noodige ervaring bezit.

Buitengewoon geestdriftig is zij, als zij aan de eerbiedwaardige Anna van Jesus, priorin te Beaz, schrijft, dat deze het als een voorrecht moet beschouwen, den H. Joannes van het Kruis zoo dicht bij zich te hebben. Hij heeft, gelijk zij verder schrijft, de drie eigenschappen, welke de H. Teresia op vele plaatsen aan de leiders in het geestelijk leven stelt: hij leidt zelf een geestelijk leven, hij heeft veel ervaring, hij is wetenschappelijk gevormd. Wie eenmaal onder zijn leiding heeft gestaan, mist die leiding later zeer.

In een tweeden brief schrijft zij nog, dat de priorin in het geheel geen reden heeft tot klagen, nu zij den H. Joannes van het Kruis in haar huis mag ontvangen. In heel Castilie heeft zij zijns gelijke niet gevonden. Er is niemand, die de zielen met zulk een vuur op den weg ten Hemel leidt. Zij moeten weten te waardeeren, welk een schat zij in het bezit van dezen heiligen leider bezitten. Iedere zuster moet hem haar hart openleggen, zij zal eens zien, welk een voordeel dit haar brengt en snellen voortgang maken in het geestelijk leven en in de volmaaktheid, want God heeft hem voor deze leiding bijzondere genade gegeven. Naar Caravaca schrijft zij ook, dat zij haar best zal doen, den H. Joannes van het Kruis daar het klooster te doen bezoeken. Zij moeten zich op hem verlaten, want hij is een ziel, aan welke God zijn geest heeft meegedeeld. Als zij haar doel bereikt heeft en de H. Joannes op weg is naar Caravaca, schrijft zij opnieuw om den zusters die blijde tijding bekend te maken. “Hij bezit”, zoo schrijft zij, “Gods eigen geest”.

Eenmaal heeft de H. Teresia kritiek op den H. Joannes uitgeoefend, maar het geschiedde in een vorm, die den Heilige zeker niet minder doet achten. Er werd een uitleg gevraagd van het woord, als door God tot de ziel gesproken: “Zoek uzelve in Mij”. In zijn antwoord had de H. Joannes den nadruk gelegd op het vinden van wie zoekt en het zoeken van Zichzelven in God beschouwd in den staat van Vereeniging met Hem. Dat was de bedoeling der H. Teresia niet geweest, zij wilde den nadruk zien gelegd op het zoeken van God midden in de wereld en daar bekroond door 't vinden van Hem, zooals tijdens zijn leven Maria Magdalena Hem vond en de Samaritaansche en de Kanaitische vrouw, allen levend in het volle gewoel van de wereld. Met haar moeten wij allen God zoeken en zullen wij Hem vinden. En wie Hem gevonden hebben, hun zegt Hij niet, dat zij Hem nog moeten zoeken.

Men vatte dit intusschen niet op als een afwijzing van hetgeen de H. Joannes ons van het mystieke leven zegt. De H. Teresia heeft slechts willen zeggen, dat dit leven niet voor allen is weggelegd, maar niettemin allen God moeten zoeken en ook Hem zullen vinden, maar niet in mystieke schouwing. Naast de vereeniging met God, waartoe allen zijn geroepen, erkent zij een inniger vereeniging, waartoe slechts zij, die uitverkoren zijn, door God worden opgevoerd. Dankbaar is zij, dat, al geeft de H. Joannes dan geen antwoord op de vraag, gelijk zij die bedoelde, hij toch zoo schoon heeft willen schrijven van dezen staat der uitverkorenen. Al is hetgeen hij zegt niet het antwoord op haar vraag, zij dankt hem oprecht voor hetgeen hij zoo overvloedig heeft uiteengezet, zonder dat zij gevraagd had, dit van hem te mogen hooren. Alleen zou zij niet gaarne hebben, dat hij zou worden misverstaan.

Het is, alsof zij een gevaar ziet in dit sterk op den voorgrond plaatsen van de vereeniging met God in de hoogste fasen van het mystieke leven, waaraan God niet allen deelachtig maakt, hoewel allen den plicht hebben, Hem te zoeken en zichzelve in Hem. Zij wil dit zoo sterk mogelijk doen uitkomen en aarzelt niet te zeggen: “De Heer beware mij voor degenen, die zoo geestelijk zijn, dat zij, koste wat het koste, iedereen tot de volmaakte schouwing meenen te moeten brengen.”

Als zij dit gevaar voor misverstaan heeft weggenomen, keert weer haar gevoel van bewondering terug voor hetgeen de H. Joannes meedeelt over het schouwende leven, dat zij beschouwt als een voorrecht aan slechts enkelen geschonken.

Merkwaardig is het, hoe zij voor deze uitverkorenen van God de Oefeningen van den H. Ignatius aanwijst als de meest geschikte inleiding tot hetgeen de H. Joannes van het Kruis uiteenzet. “Hetgeen pater Joannes van het Kruis leert”, zoo schrijft zij, “zou uitstekend zijn voor degenen, die langs den weg der Geestelijke Oefeningen bij de Societeit van Jesus in gebruik tot de vereeniging met God zouden willen komen.” Dit is geen geringe eeretitel voor den H. Joannes van het Kruis. Men kan zich moeilijk een schooner mystiek[3] leven denken dan dat naar het oordeel van[4] een H. Teresia de Geestelijke Oefeningen van den H. Ignatius tot meest geschikten grondslag heeft, daarop geheel aansluit en er de schoonste bekroning van zou mogen worden genoemd.

Sterk komt in deze woorden der H. Teresia ook uit, hoe hoog de H. Joannes van het Kruis het methodisch gebed stelde, zoo hoog, dat de H. Teresia zelfs het gevaar duchtte, dat hij zou worden misverstaan en er daarom voor waarschuwde, dat men zijn woorden niet moest opvatten, alsof hij allen tot het schouwende leven meende te zullen of te kunnen brengen. Wij zien hier, hoe de H. Joannes nog in de hoogste fasen van het mystieke leven het zoeken naar God en van onszelve in God noodig vond. Waar de H. Teresia, hoezeer zelve een meesteres in het methodisch gebed en doordrongen van de noodzakelijkheid, langs den weg der zintuigen op te klimmen tot de overweging en beschouwing van God reeds meent de tegenwoordigheid des Heeren te mogen genieten, daar legt de H. Joannes nog den nadruk op de noodzakelijkheid, ook daar God te zoeken. Met Ruusbroec ziet hij ook daar een “crigen en ontbliven”.

P. Titus Brandsma, O.Carm.


De Mystieke Leeraar. Op den feestdag van den H. Joannes van het Kruis. II (slot.)

[5]

Men heeft niet zelden den H. Ignatius en de H. Teresia in verband gebracht met de moderne devotie der Nederlanden. In den druk en de verspreiding van Gerard Zerbolt van Zutphens boekje van Geestelijke Opklimmingen (De Spiritualibus ascensionibus, gedrukt o.a. in 1499 te Montserrat), in diens navolging door den Benedictijnerabt Garcia de Cisneros, wiens werkje zelfs bij de meer liturgisch aangelegde Benedictijnen het methodisch overwegend gebed een ruimer plaats schonk en in Spanje ook buiten die orde zijn invloed niet miste, is een aanwijzing gelegen, dat geleidelijk sterker een meer methodische, meer door de zintuigelijke beelden geleide overweging als de weg tot de vereeniging met God op den voorgrond kwam.

Zonder er nader op in te gaan, in hoeverre de H. Ignatius het werkje van Zerbolt van Zutphen heeft gekend en zelfs nagevolgd, mogen we zeggen, dat de richting der moderne devotie in zijn Geestelijke Oefeningen een heerlijke bevestiging heeft gevonden en dat, terwijl in de Nederlanden en aangrenzende gebieden die devotie in humanistische richting veruiterlijkte, de verinnerlijking ervan in de Spaansche landen door het zoeken van zichzelven in God en van God in zichzelven de heerlijke vruchten deed rijpen aan een mystiek, die aan de tijden van Ruusbroec doet denken, zoodat Ruusbroec te eener en Joannes van het Kruis te anderer zijde staan eenerzijds als de rijke bron, waaraan die boom bloeide, anderzijds als rijpe vrucht, welke die boom, aan zoo vruchtbare wateren geplaatst, te rechter tijd moest voortbrengen.

Als wij een vergelijking zouden mogen instellen met twee personen uit de geschiedenis der Nederlandsche moderne devotie, dan denken we aan het klooster der zusters van Diepenveen onder mater Salome Sticken van Groenlo en onder de geestelijke leiding van de Windesheimers, hier zoo waardig vertegenwoordigd door den onsterfelijken Joannes Brinckerinck.

Geert Groote begreep het reeds en Floris Radewijnsz bracht zijn gedachte ten uitvoer de devotie van de broeders en zusters van het Gemeene Ieven had tot steun een Congregatie of Orde van priesters noodig, van denzelfden geest vervuld, uit de kringen dezer devoten voortgekomen als de besten onder hen om in hen den waren geest te bewaren. Met geen ander doel zien wij Teresia ijveren voor de hervorming van den Carmel onder de mannelijke leden dier Orde.

Het van de wereld teruggetrokken leven der zusters had in de sferen van het geestelijk leven leiding noodig en als een Geert Groote voor zijn zusters, begreep Teresia voor de hare, dat er alles aan gelegen was, dat die leiding was in de beste handen. Daarvoor hervormde zij ook de mannelijke afdeeling van de Orde van Carmel, en begon zij met moed en vertrouwen de stichting van klooster na klooster, nadat zij in den H. Joannes van het Kruis den man naar Gods hart had gevonden, om de eerste te zijn in de lange rij van geestelijke leiders op de mystieke hoogten van den Carmel.

De H. Joannes staat aldus in de geschiedenis als de eersteling eener hervormde Orde, een Ordestichter gelijk, aan wien God naar het woord der H. Teresia steeds bijzondere genade verleent om voor het gebouw door hen op te trekken fundamenten te leggen, die het kunnen dragen. Zoo staat de H. Joannes van het Kruis als de eerste van hen, die tot bijzondere roeping hebben leiding te geven, aan zielen als een H. Teresia, een Z. Anna van den H. Bartholomeus, een eerbiedwaardige Anna van Jesus, van een schare mystieke zielen die in onzen tijd opnieuw de oogen op zich doet vestigen door de lichtende figuur van een kleine Teresia van Lisieux. De H. Joannes van het Kruis, de geestelijke leidsman van een H. Teresia en door haar begeerd als de beste leider voor haar zusters, door God daartoe geroepen en uitverkoren, hij verdient wel onze bijzondere aandacht.

Die aandacht is hem in wel ruime mate geschonken.

Men heeft wel in hem gezien, wat God hem heeft willen doen zijn, de leermeester bij de genade Gods in het mystieke leven. Men kan geen beschrijving van het mystieke leven, geen waardeering van mystieke feiten, geen grondige verklaring van het vele duistere in dit leven raadplegen, of men ontmoet den naam van den H. Joannes van het Kruis als den gids bij uitstek. Hoe hoog de H. Teresia ook staat, hoe bijzonder begenadigd zij mag heeten in de beschrijving van haar verheven ervaring van het mystieke leven, zij zelve verwijst hare kinderen naar den H. Joannes van het Kruis en nog onlangs meende prof. Geurts te mogen verklaren, dat zelfs de Carmelitessen nog meer te rade gaan bij dezen mystieken leeraar dan bij de H. Moeder Teresia.

In de Duitsche uitgave van pater Paulain, het mooie en terecht hoog geprezen Handbuch der Mystik lees ik in dl. 2, blz. 426: “Bei Beschreibungen mystischer Zustände muss man immer auf die hl. Teresia zurückkommen und zwar auf dem Grunde, weil sie, was deren Einteilung betrifft, alle Ekstatischen, welche geschrieben haben, weit uberragt. Dabei nehme ich jedoch, wenigstens in gewissem Sinne, den hl. Joannes vom Kreuze aus.”

Het zou weinig moeite kosten, hier een heele reeks getuigenissen te geven, alle even schitterend. In de Spaansche uitgave zijner werken begint het eerste deel met enkele bladzijden vol van die getuigenissen.

Het zou ons te ver voeren, deze over te nemen. Slechts het allerlaatste, daar opgenomen, moge hier nog een plaats vinden. Het is dat van de kleine H. Teresia van Lisieux, die eens verklaarde: “welk een licht heb ik geput uit de werken van den H. Joannes van het Kruis. Op mijn zeventiende en achttiende jaar waren ze mijn eenig geestelijk voedsel (Laatste Fransche Uitgave van l'Histoire d'une âme s. d. blz. 148.)

Vragen wij liever het getuigenis der met ons levenden. De verheffing van den H. Joannes tot kerkleeraar heeft niet plaats gehad dan op uitdrukkelijk verzoek van honderden van de hoogst geplaatste personen der Kerk. Het verzoekschrift daarvoor neergelegd aan de voeten des Pausen door Z. E. kardinaal Arcoverde de Albuquerque Cavalcanti, aartsbisschop van Rio de Janeiro, mede onderteekend door nog acht andere kardinalen, onder wie natuurlijk de naam van Z. E. kardinaal Mercier den hoogen vereerder van de mystieke school van den Carmel niet ontbreekt, zien wij van de aartsbisschoppen het eerst onderteekend door Mgr. Henricus van de Wetering, Aartsbisschop van Utrecht, terwijl wij onder de meer dan honderd bisschoppen die onderteekenden, lezen: Augustinus Josephus, bisschop van Haarlem en Petrus, bisschop van Breda. Naast hen zien wij nog de bisschoppen van Brugge en Gent.

Het verzoekschrift beroept zich op de getuigenissen vroeger afgelegd door Pausen als Clemens X, die de heiligverklaring uitsprak, en Leo XIII, die in het driehonderdste jaar van zijn dood een geestdriftigen brief aan zijn nagedachtenis wijdde, verder op woorden van een H. Alphonsus en een H. Franciscus van Sales, dan op de verspreiding en waardeering zijner werken door de eeuwen heen. Sterk legt het verzoekschrift er eindelijk den nadruk op, dat in dezen tijd meer dan ooit behoefte bestaat aan een door het hoogste gezag der Kerk aangewezen leider de beschrijver van het ware mystieke leven.

Van kinderlijke vereering getuigt het warm gestelde verzoekschrift van den generaal der Ongeschoeide Carmelieten uit naam van de geheele Carmelorde. Klemmend van overredingskracht zijn verder de verslagen van de meening dergenen, wier praeadvies in zaken als deze gevraagd wordt. Heel sterk vestigt een hunner er de aandacht op, hoe om het groote gezag, dat de H. Joannes bezit, alle schrijvers van naam, hoewel onderling in verschillende punten in meening van elkander afwijkend, als om strijd zich op den H. Joannes beroepen om hun meening het zoo gewenschte gezag te schenken. Naast elkander worden hier genoemd Meynard, Garrigou–Lagrange, Arintero, Saudreau, Lamballe, Poulain, Zahn en Farges.

Bijzondere opmerking verdient, wat een dezer praeadviezen of Vota zegt ter vergelijking van den H. Joannes met de H. Teresia. De H. Joannes heeft de leer der H. Teresia verder ontwikkeld, vooral met betrekking tot de voorbereidende zuiveringen der ziel. Hierdoor is hij de groote vraagbaak in de nog altijd gestelde vraag naar het aandeel der menschen in de verkrijging van de mystieke begenadiging.

De sterke nadruk, dien de H. Joannes legt op de voorbereiding, op het zich ontvankelijk maken, op het ingaan in den nacht om zoo tot het Licht te komen, doet hem ons zien als allernauwst verwant aan de school, die wij de moderne devotie der Nederlanden noemen. Ook daaIr is boven alles aandacht geschonken aan de menschelijke medewerking, voorbereiding en ontvankelijkheid. In het typische van de Nederlandsche school, het zich ontvankelijk maken voor de mogelijke Goddelijke begenadiging door een allernauwste aansluiting aan de Menschheid van Christus vooral in het mede-opnemen van het kruis, staat de H. Joannes de Nederlandsche school nader dan de H. Teresia, hoe nauw wij deze ook verbonden weten met de school van Ruusbroec en Thomas a Kempis.

Teekenend is reeds de overeenkomst in den titel van het in Spanje bekende werk der moderne devotie van Nederland de Geestelijke opklimmingen of Spirituales Ascensiones door Gerard Zerbolt van Zutphen en de Ascensus of Beklimming van den Berg Carmel door den H. Joannes van het Kruis. Een nadere vergelijking van beide werken zou nog veel sprekender punten van overeenkomst aanwijzen.

De beide kleine nietige gestalten passen in mystieke leer nog dichter bij elkander dan in hun uiterlijke figuur.

In het verzoekschrift, dat de generaal der Jesuietenorde nog afzonderlijk namens de geheele societeit indiende voor de verheffing van den H. Joannes van het Kruis, in Medina del Campo eens de leerling van de paters Jesuieten, legt de hoogeerw. pater Ledochowski er eveneens den nadruk op, hoe de H. Joannes van het Kruis onophoudelijk aandrong op hetgeen de hoofdgedachte is van het geheele geestelijk leven: het sterven aan zichzelven en de vereeniging met God door middel van de liefde.

Is er een mystieke strooming aan te wijzen, waarin dit sterker op den voorgrond werd gesteld en als de meest beproefde methode meer systematisch werd geleerd dan in de moderne devotie der Nederlanden? Ik zeg niet, dat in de Nederlanden deze boom zulke schoone vruchten droeg als hij in den H. Joannes van het Kruis in Spanje heeft gedragen, doch slechts, dat hier een richting werd ingeslagen, een strooming ontstond, die voortliep ver buiten de grenzen des lands en daar misschien schooner vrucht deed rijpen dan in Nederland zelf.

Een bloemlezing zou te maken zijn uit de andere verzoekschriften te dezer gelegenheid ingediend. Ik noem de schitterende getuigenissen en huldebetuigingen, waar mede de verzoeken gepaard gaan van een rector der Gregoriaansche universiteit te Rome, pater Miccinelli, S.J. van den bisschop van Segovia, van mgr. Alfred Baudrillart, rector van het Institut Catholique te Parijs, van den vice-rector en den hoogleeraar voor de mystiek aan het Angelicum te Rome, de paters Hugon O.P. en Garrigou–Lagrange O.P. en sluit met hetgeen de regens van het Internationaal College der Carmelieten te Rome pater dr. Hubertus Driessen op het einde van zijn uitvoerig breed beredeneerd verzoekschrift in den vorm van een wensch uitspreekt, dat aan het verlangen van zoovele zoekenden naar geestelijke bevrediging, in zooverre zij naar waarheid hunkeren, moge worden voldaan en hun in den H. Joannes van het Kruis een leidsman voor oogen sta, niet slechts veilig, zoodat zij op hem mogen vertrouwen, maar daarenboven uitgeroepen tot Kerkleeraar, zoodat men geen vrijheid meer heeft, van zijn leer af te wijken en hij aldus velen, die gevaar loopen, moge houden op den veiligen weg.

P. Titus Brandsma, O.Carm.
Nijmegen. Vooravond van het [feest] van den H. Joannes van het Kruis.



  1. Published in: Maasbode, 24 November 1926 (avondblad), derde blad. In the General Roman Calendar, the feast of John of the Cross was celebrated on 24 November.
  2. On 26 August 1926, 200 years after his canonization, Pope Pius XI declared Saint John of the Cross a Doctor of the Church’.
  3. In the copy of the NCI-archives ‘mystieke’ is corrected to ‘mystiek’.
  4. In the publication erroneously another line was typeset (‘meende te zullen of te kunnen brengen.’). In the copy of the NCI-archives this is corrected to: ‘denken dan dat naar het oordeel van’.
  5. Published in: Maasbode, 25 November 1926 (avondblad), derde blad.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020