De Rozenkrans der vereerders van het H. Bloed

1925

Article

 

De Rozenkrans der vereerders van het H. Bloed

[1]

De maand October verlevendigt onze godsvrucht tot het bidden van den Rozenkrans. Vooral in deze maand willen wij door dezen vorm van gebed Maria vereeren, rozen vlechten tot een kroon Haar ter eere, mystieke rozen van groetenis en gebed, waardoor wij zelve evenzoovele rozen worden, bloeiend voor den troon van Maria, bloeiend ook voor den Koning des Hemels, het Goddelijk Kind in hare armen.

Het Katholiek leven, hoe eenvoudig eenerzijds in zijn allesbeheerschend streven naar vereeniging met God, is anderzijds weer zoo veelvoudig in allerlei uitingen van godsvrucht. Het schijnt soms, dat die godsvruchten, die devoties elkander verdringen, met elkander botsen en strijden, en kortzichtigheid en verkeerd begrip heeft al menigmaal de eene godsvrucht tegenover de andere doen stellen. En toch is elke ware godsvrucht als een bloem op den eenen stam van het Katholiek geloofsleven geënt. Aan dien stam ontleenen zij de levenssappen, welke in hun overvloed tot bloeien drijven. Op dien stam kan men velerlei rozen enten, rozen van allerlei geur en kleurschakeering, maar alle wortelen in denzelfden rijken bodem, alle bloeien door dezelfde levenssappen door één stam haar toegevoerd.

Zoo schijnt de Rozenkrans de godsvrucht van hen, die zich de bijzondere vereerders van Maria noemen en schijnt [50] het, alsof de vereerders van het H. Bloed des Heeren wel een Rozenkrans bidden, inzooverre zij ook kinderen van Maria willen zijn, maar niet als vereerders van het H. Bloed zich tot het gebed getrokken gevoelen.

En toch is het Rozenkransgebed zulk een schoone uiting van godsvrucht ook tot het H. Bloed. Zoo groot is de rijkdom van dit schoon gebed, dat het ook de godsvrucht van hen, die zich de vereering van Jezus’ H. Bloed op bijzondere wijze tot taak stellen, in de ruimste mate moet bevredigen, zoo zij slechts de aandacht vestigen op de wijze, waarop zij daarin aan hun godsvrucht tot het H. Bloed uiting kunnen geven.

Op tweevoudige wijze vooral is het Rozenkransgebed een rijke bron van godsvrucht voor de vereerders van het H. Bloed.

Het herhaald bidden van het Weesgegroet is een herhaalde begroeting van Maria als de Moeder des Verlossers, als degene, door wie de zegeningen van het Goddelijk Bloed tot ons zijn gekomen en tevens een herhaald gebed, ons in die zegeningen te doen deelen. Zeker, de naam van het H. Bloed wordt niet genoemd, maar niet de letter, doch de geest maakt levend. In iederen zin van het Weesgegroet spreekt de verhevenheid van Maria als de Bron waaruit de stroom van zegening van Jezus’ H. Bloed ontsprong, als de Middelares, door wie wij de zegeningen van dat H. Bloed deelachtig worden.

Maar als was dit nog niet genoeg om de vereerders van Jezus’ H. Bloed tot het bidden van den Rozenkrans te trekken, is aan dat in zich reeds zoo rijke gebed nog een tweede element toegevoegd, dat het voor die vereerders nog in nauwer betrekking brengt met hun geliefkoosde godsvrucht. Ik bedoel de overweging, telkens opnieuw, van de hoofdfeiten uit het leven van onzen Goddelijken Zaligmaker, in zooverre deze weder ten nauwste verbonden zijn met het leven van Maria. Aan den eenen kant zien wij daarbij Maria als de Moeder van God, aan wie de zegening voor het menschdom ontsproot, maar van den anderen kant zien wij ook Maria als eerstelinge in de vrucht van de Verlossing deelen, ons tot hoop en vertrouwen, daarin met Haar te mogen deelen. Zoo is zij [51] tegelijk als Moeder van God en onze Moeder bron van zegening en gezegende tevens. Zoo begroeten wij Haar bij de overweging van al die blijde, droevige en glorievolle geheimen als de Dageraad van het opkomende Licht en verlustigen wij ons tevens in den glans, die dit Licht aan Haar schenkt, begroeten wij Haar als de Wolk, die het Goddelijk Bloed over ons uitstort en tegelijk als de Reine Onbevlekte, die door de eeuwige vrucht van dat Bloed schoon werd gehouden van alle vlek, en als de Koningin der Engelen troont in den Hemel. En wij bidden tot Haar, dat Zij ons Jezus schenke, de vrucht van haren schoot, het onderpand van onze Verlossing en ons behoud, en wij richten den hoopvollen blik naar Haar om te deelen in de heerlijkheid, Haar door het H. Bloed des Heeren geschonken.

Zoo is het Rozenkransgebed het rijkste voedsel voor de godsvrucht tot het H. Bloed, een der schoonste voorbereidingen tot het drinken van den H. Beker met dat Goddelijk Bloed gevuld, na de H. Communie een der schoonste gebeden om door de voorspraak van Maria, onze Middelares, de vruchten van het Bloed des Heeren, in ons uitgestort, deelachtig te worden. Zoo is er geen strijd van devoties, maar allernauwst verband.

Zoo is er nieuw leven te brengen in ons anders wellicht tot dor-worden toe slap en dood bidden van den Rozenkrans. Zoo is door het gebed, dat wij dagelijks herhalen nieuw leven ook te brengen in onze godsvrucht tot het H. Bloed des Heeren, welks zegeningen wij kennen, zeker, maar helaas niet genoeg overwegen. Daartoe moge het Rozenkransgebed in deze maand October ons brengen met hulp van onze lieve Moeder.

Dr. Titus Brandsma, O. Carm., Nijmegen.

 


  1. Published in: Kijkjes uit het Missieleven, Vol V, October 1925, 49-50.

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2022