De strijd om de eigen Taal

Dutch translation of  De striid om de eigen Tael

by Jan K.H. van der Meer

 

MR

De strijd om de eigen Taal

15 augustus 1919, Gaasterland

Men heeft mij gevraagd een heel kort woordje te zeggen over het Friese onderwijs, met name over het Fries op de lagere school.

Beter dan ik, had dat de Inspecteur, Rector Willy de Jong, uit Hilversum kunnen doen.

Hij heeft mij geschreven dat hij het ook heel graag gedaan had, als hij niet verhinderd was door een priesterfeest waar hij niet mocht wegblijven. Hij had het graag gedaan, schrijft hij. Ik weet dat hij er een voorstander van is en het had hem gestoord, net als mij, dat de roomse scholen achterblijven om het Fries in de hoogste klassen in te voeren.

Natuurlijk, wij willen dat onderwijs nooit opleggen. Wij Friezen houden van ‘vrij’ en willen dit ook helemaal vrij laten. Maar het komt ons voor dat men het niet altijd goed ziet en door verkeerd begrip nalaat wat bij beter begrip wel een plek verdiende.

Ik mag wel zeggen dat ik de actie voor Fries onderwijs bij hoger en lager onderwijs van het begin af meemaakte, ervoor gestreden heb. De zojuist afgetreden Minister van Onderwijs zei mij eens, omdat ik al te vaak op het Ministerie geweest was om als gedelegeerde van de Friese Onderwijsraad deze zaak geregeld te krijgen dat, als hij mij zag hij weer aan het Fries op school denken moest. Ik zeg dit omdat dit mij de gelegenheid heeft gegeven van Ministers en Kamerleden, Inspecteurs en wie daar nog meer zeggenschap in had te horen wat zij, meest niet-Friezen, vooral in dit onderwijs zagen om het de Friezen toe te staan.

Waarom Fries op hogere en lagere scholen?[1]

Het grote argument was: het Fries is in een groot deel van Friesland een taal die gesproken wordt en gezongen, waarin op allerlei gebied tijdschriften, kranten, boeken en boekjes verschijnen, een hele bibliotheek in een jaar. Het Fries leeft en het leeft zo sterk dat het zijn vast omschreven spraakkunst en spelling heeft, zijn literatuur, oud en nieuw.

Wat zo leeft en waar zoveel liefde voor is, moet waardering hebben. Daarvan moeten de Friezen genieten. Ze moeten dat kunnen lezen. Zovelen voelen daarvoor, beluister ik van anderen, zouden het zelf willen genieten, maar kunnen het te slecht lezen om er waar genot van te hebben.

Er is te veel moois in het Fries, dan dat dit in onze handen een gesloten boek moet wezen.

Er is een hele reeks mooie boeken, elke week verschijnen er kranten en bladen die mooi zijn voor de Friezen, waar de Friezen graag in zouden lezen wanneer zij het Fries lezen gewend waren.

Nog in het laatste nummer van For Roomsk Fryslan[2] schreef Tsjebbe de Jong over het boek van meester van Houten, uitgegeven bij Kamminga te Dokkum, De Sunde fan Haitze Holwerda[3]: “Dit boek verdient in elke huishouding gelezen te worden.” Hij noemt het “een kunstwerk zoals wij nog nooit over een veehouder en zijn volk zagen.” Hij schrijft dan verder over Brolsma en vergelijkt beide Friese schrijvers. “Wat Brolsma is en was voor de tuinbouwer en de grote akkerbouwers van het hogeland[4], het heeft onze oprechte bewondering.”

En zo is er veel meer.

Och, zo zou op het hoge en het lage land menigeen graag eens wat moois lezen over hun dagelijks leven, een verhaal dat leeft in hun omgeving. Het gebeurt niet, men komt er niet toe omdat men het Fries maar moeilijk lezen kan, dat niet gewend is.

En zo blijft het lezen van zulke mooie boeken achterwege en leest men wat dikwijls maar rommel is.

Vooral om het levende Fries op te vangen, te laten genieten, de Friese literatuur die bestaat, een plek in het Friese leven te geven, heeft de Minister, de Onderwijsraad, de Kamer, de Inspecteur toegestaan dat op de lagere school twee uren per week aan Fries lezen en schrijven wordt gedaan in de twee hoogste klassen.

Dat is niet veel. Er waren die daar niet tevreden mee waren, maar de Friese Onderwijsraad en de afvaardigingen van de Friese gezelschappen hebben gemeend dat zij niet meer moesten vragen.

Het doel waarvoor het Fries op de lagere school wordt gevraagd, is dat men het lezen en schrijven kan. En dat kan met die twee uren per week voor de twee hoogste klassen.

Dat kunnen, is een voorrecht voor de Friese kinderen omdat dit een nieuwe wereld voor hen opent waar ze thuis zijn, waar ze zich thuis voelen.

Och, wat zong ik als kind graag Fries. Ik hield van Troelstra al was die socialist, omdat hij zulke treffende, innige liedjes maakte van het Friese boerenland. Maar ik kon als kind niet lezen wat ik met liefde zong. Het oor moest vasthouden wat het oog niet uit elkaar kon houden. Men moest het van buiten kennen want lezen konden het maar enkelen.

Zelf wat in het Fries te schrijven of maar over te schrijven was te moeilijk. Dat konden wij niet die toch altijd Fries spraken. Dat was tegenstrijdig. En dat is het bij menigeen nog altijd.

En omdat wij de Friese kinderen het leven blijer beliefden te maken, het Friese lied, de Friese zang, het Friese verhaal een betere plek wilden geven, daarom streden wij voor Fries op school en hebben Friezen en niet-Friezen ons geholpen.

Maar de bezwaren.

Wij zouden geen Friezen zijn als wij geen bezwaren hadden. Wij zijn wat zwaar op de hand. Bezwaren, die zijn er, vanzelfsprekend. Ik zal ze niet allemaal wegen. Eén wil ik naar voren brengen, al heeft het geen waarde, juist omdat het geen waarde heeft. Men zegt, laat het kind Nederlands leren, daar kan het wat mee. Het moet al zoveel leren. Waarom het Fries weer daarbij. Het maakt het leren voor het kind alweer zwaarder. Dat meent men, maar dat is niet zo. Niemand minder dan onze Hoofdinspecteur van het Noorden, Inspecteur Welling, uit Groningen zag dit als het grote bezwaar. Hij meende dat onderwijs in het Fries de kennis van het Nederlands nog gebrekkiger zou maken. Hij zei dat openlijk op een bijeenkomst te Leeuwarden. Ik heb hem tegengesproken. Ik wees op Wales, waar het dubbele onderwijs in Engels en Welsh de kennis van het Engels geen kwaad, nee, goed deed.

Dat wilde hij eerst niet geloven. Maar hij was flink genoeg om toe te zeggen dat hij het onderzoeken zou. Hij zou daarheen. En hij is er geweest. Het was wel in een officieel rapport vastgelegd en ook zonder reis daarheen moesten de getuigenissen en cijfers van dat rapport iemand die anders dacht al bekeren, maar ik heb het altijd hoog gewaardeerd dat de heer Welling naar Wales toog en, zoals wij vooral van hem mochten verwachten, hij kwam bekeerd terug en was vanaf dat moment een voorstander van het Fries op school.

Wij weten nu vaak niet of een woord, een zegswijze, Fries of Nederlands is. Men krijgt de gekste dingen omdat iemand van beide talen die hij spreekt niet de spraakkunst een beetje kent. Men haspelt het ene door het andere en leert het Nederlands lang niet zo gemakkelijk omdat er niet genoeg onderscheiding is tussen het gesproken en geschreven woord, men geen beeld heeft van het Friese naast dat van het Nederlandse woord, maar alleen de klank van het Friese. Wij kunnen er nu niet dieper op ingaan om te verklaren hoe het komt dat het dubbel taalonderwijs profijtelijker en geschikter is, de feiten wijzen het uit, niet alleen in Wales maar in alle streken waar twee talen naast elkaar gangbaar zijn. Als men ze beide spreekt, is het beter als men ze ook beide lezen kan. Dat komt beide talen ten goede die anders schromelijk verhaspeld worden.

Het belang van dit dubbel onderwijs heeft dan ook op heel wat scholen de twee Friese uren een plek gegeven. Er zijn nu al 150 scholen in ons kleine Friesland waar die aan de beide hoogste klassen gegeven worden. Wij roomsen gaan er groot op dat wij onze eigen goede scholen hebben en ik zal de laatste zijn om er kwaad van te zeggen. Maar dit stoort mij toch voor de eer van ons eigen roomse onderwijs dat er onder die 150 scholen maar 3 roomse zijn.

Kijk, wij lezen de laatste tijd nogal eens over isolement. Wij moeten ons als roomsen niet te veel isoleren, zegt men. Men bedoelt dat wij ons niet te veel terug of afzijdig moeten houden. Doen wij dat in Friesland niet te veel bij het mooie rijke leven van de Friese taal?

Wij hadden in oude tijden, professor Gosses heeft er zo mooi over gesproken, onze Friese Lievevrouw met het oorijzer op. Wij pasten ons aan. En wij brachten ook in het Fries eer aan God die geprezen moet worden in alle taal.

Laten wij onze tradities niet varen. Laten wij – wij doen het toch zo graag – weer zingen, maar dan ook lezen in het Fries. Wij krijgen nu ons Friese kerkboek[5]. Dat gaat erin, dat vliegt weg, daar zijn wij zeker van. Als men maar over het ongewone heen is, zal men er inniger uit bidden omdat [het] de taal is van ons dagelijkse leven.


  1. Doorgehaald is: “Het eerste argument was niet dat een groepje Friezen het graag wilde, daarom riep en men hun tegemoet wilde komen.”
  2. Voor Rooms Friesland
  3. De Zonde van Haitze Holwerda
  4. Het Hogeland, het noordelijke deel van Friesland; evenzo in de provincie Groningen.
  5. Zie: Sneinsmissael. Oersetting yn it Frysk fen J.H. Galama R.K. Pr. Mei Gebeden oerset fen Ts. van der Zee. Yn opdracht en ûnder taforsjuch fen it Roomsk Frysk Boun, Leeuwarden 1940. Titus Brandsma schreef een woord vooraf (pagina 5-6).

Translation: Jan K.H. van der Meer

Published: Titus Brandsma Instituut 2022