De vlucht naar Egypte: legenden

1915

Article


De vlucht naar Egypte: Legenden

Door P. Dr. Titus Brandsma, Ord. Carm. Oss.[1]


De H. Driekoningen hadden den pasgeboren Koning der Joden gezocht in het paleis van Herodes. Zij vonden er hem niet. De Priesters verwezen hen naar Bethlehem. Daar was de Godmensch geboren in een stal en in een kribbe neergelegd op een handvol stroo. Was dat een koning, wiens aardsche macht Herodes had te vreezen? Neen, maar Herodes begreep de komst van de Messias niet.

Terwijl de H. Driekoningen in aanbidding neerlagen voor de kribbe, zon hij op middelen, waardoor hij den kleinen Jezus om het leven kon brengen. God waakte echter en zond zijn Engel tot Jozef, dat hij met het Goddelijk Kind en zijn H. Moeder moest vluchten naar Egypte.

Het Evangelie verhaalt ons slechts, dat, zoodra Herodes last had gegeven, te Bethlehem alle kinderen beneden de twee jaar te dooden, een Engel Jozef in naam van God het bevel gaf, met het Goddelijk kind en zijne Moeder naar Egypte te vluchten. Geen enkele bijzonderheid van dien langen tocht is ons opgeteekend. Maar de overlevering heeft van die reis in tal van legenden een vrome schildering bewaard. Zij stelt ons Maria voor, gezeten op een ezel, het kind aan hare borst, terwijl Jozef steunend op zijn staf langs het lastdier voortschrijdt.

Een eerste legende spreekt ons [200] over dien staf van den H. Jozef. Het was, zoo verhaalt de legende, dezelfde, welke bij de keuze van een Bruidegom voor Maria bloeide en den H. Jozef als haren bruidegom aanwees. Sinds de eerste tijden der kerk bewaarde men dien wonderbaren staf te Jeruzalem. Bij de verwoesting dier stad werd hij gered en kwam hij in het bezit van Antonius, bisschop van Nicaea. De beroemde Bessarion, eens de opvolger van Antonius op den stoel van Nicaea, gaf den staf later aan zijn Florentijnschen vriend Ambrosius Traversari, Generaal der Camaldulensen, die hem nog heden bewaren in hun kerk van hun H. Maria der Engelen in het schoone Florence.

De legenden wijzen ons ook den weg, dien het H. Huisgezin volgde op zijn vlucht. Het eerst gingen zij naar Hebron. Dicht bij die stad wijst men nog de ruïnen aan van een dorp, “dorp van Maria” genoemd ter gedachtenis, dat Maria en Jozef met hun Kind het aandeden op hun reis naar Egypte. Een heel eind verder in de nabijheid van Pelusium of liever van de huidige ruïnen dier stad wees in de negende eeuw de monnik Epiphanius een tweede plaats aan, waar de H. Familie zou hebben uitgerust op dien moeitevollen tocht. Weer een grooten afstand verder ligt Belbeïs, waar volgens getuigenis van Dionysius den Karthuizer, die het aan de overlevering ontleende, de afgodsbeelden ter aarde stortten, toen Jezus op zijn vlucht naar Egypte daar aankwam. Nog heden leeft bij de bevolking de herinnering aan den doortocht van het H. Huisgezin voort. De pelgrims worden er opmerkzaam gemaakt op een boom, die volgens Christenen en Mahomedanen de plaats aanduidt, waar de vluchtende Godmensch met zijn Moeder en Voedstervader een tijdlang rustte. De Mahomedanen noemen den boom “boom van Maria”, onder welks schaduw slechts de hoogst in aanzien staande monniken mogen worden begraven.

Weer veel verder, wordt in de nabijheid van het tegenwoordige Kairo, in de Koptische kerk van Abou-Sarga een crypte vereerd als de vroegere rustplaats der H. Vluchtelingen. Waarschijnlijk werd de plek reeds in de eerste jaren des Christendoms met een muur omheind en werd er in de 2de of 3de eeuw een kapel gebouwd, later, omgebouwd in de tegenwoordige crypte. Van Kairo moet de tocht zijn voortgezet naar Heliopolis, de stad der Joden in Egypte. Hun weg leidde hen langs de bekende piramiden. Ook de Nijl moest een eindweegs worden gevolgd. De schilders, die het H. Huisgezin voorstellen aan de voeten van Sphinx en piramide, of op de wateren van den Nijl, zijn dus geheel in overstemming met de overlevering. Hermopolis, aan den Nijl gelegen, bewaart nog de herinnering aan den doortocht van het H. Drietal. Een boom aan den weg, waarlangs de Vluchtenden kwamen, liet zijn takken tot op den grond hangen als om den Verlosser te aanbidden en Hem een schaduwrijke rustplaats aan te bieden. Het was de persea, nog steeds in aanzien bij de bevolking, die de heilzame werking van zijn vruchten, [201] bladen en schors toeschrijft aan de zegening des Heeren, nadat Hij onder zijn lommer had mogen rusten. Ten slotte staat dicht bij Heliopolis, waar het H. Huisgezin in de Joodsche kolonie woonde, in het dorp Matarieh nog een oude vijgenboom, geplant in de plaats van andere vijgenboomen, daar in eere gehouden, omdat Jezus, Maria en Jozef in hun schaduw rustten. Ook toont men er een wonderbaar ontsprongen bron, waarin volgens Koptische overleveringen Maria herhaaldelijk het lijnwaad voor den kleinen Jezus zou hebben gewasschen. Een heiligdom, bediend door de Paters Jezuieten, houdt er nog steeds de gedachtenis aan het verblijf van het H. Huisgezin levendig.


Worden ons hier en daar de plaatsen gewezen, waar de afgodsbeelden ter aarde stortten, de boomen hun kruinen bogen ter aanbidding en beschutting, het water door den grond brak, om in de behoeften van het H. Huisgezin te voorzien, de legende verhaalt ons, dat op zeer vele andere niet meer aan te duiden plaatsen die wonderen zich herhaalden en de kleine Jezus, op de armen zijner Moeder gedragen, reeds toen weldoende rondging en overvloedigen zegen schonk, aan wie hem hielpen aan wat voorzag in zijn behoefte. Poësie en schilderkunst omgeven het vluchtende Drietal met een schare van Engelen als zoovele dienende geesten, gezonden om hen te helpen. De redelooze natuur wordt voorgesteld, als erkende zij haren Schepper. Waar het H. Gezin behoefte had aan water en het niet vond, borrelde het als een frissche bron uit den drogen zandgrond of uit de harde rotswanden. De dadelpalm bukte zijn kruin om zijn vruchten aan Maria aan te bieden; tot loon ontsprong een bron aan zijn voet om zijn wortels te laven en genoot zijn tak het voorrecht het symbool te worden van de overwinning, door den Verlosser op den duivel bevochten.

In de eerste dagen der vlucht, toen de soldaten van koning Herodes het H. Drietal nog achtervolgden en zij, zoo verhaalt de legende, een schuilplaats zochten, zagen zij uit naar een boom, welks takken hen zouden beschutten en verbergen. Hun oog viel op den espeboom, doch uit louter vrees voor de bijl der soldaten stak deze zijn takken omhoog, zijn bladeren werden wit en rezen ten berge als het haar bij den mensch, die in angst en vrees is. Onder zijn loof kon het vluchtende Drietal zich onmogelijk verschuilen; tot straf bleef de boom tot heden sidderen en beven; zelfs als heel de natuur stil is, beeft nog het espeblad; ook verdiende de boom, omdat hij Jezus niet opnam onder zijne neerbuigende takken, dat Judas zich aan zijn onbuigzaam hout verhing. Het oog van Maria viel nu op een hazelnootstruik; deze sloeg zijn takken ter aarde en hulde het H. Gezin in een mantel van loof. Maar een koekoek vloog in zijn takken en wilde, volgens Duitsche legende, hun schuilplaats verraden. Zijn roep “koekoek” dat in die taal beteekent “Zie eens hier” zou den soldaten van Herodes de langgezochten wijzen. Daarom werd [202] de koekoek gevloekt. Als een zwerver dwaalt hij rond zonder eigen woning, zonder nest, waarin hij zijn jongen grootbrengt. In Provence leeft nog een andere legende voort. In een groote vruchtbare vlakte vol bloemen en planten, maar zonder schuilplaats, welke de vluchtelingen aan het oog der vervolgers onttrok, zag Maria tevergeefs uit naar een beschutting, zij beschouwde de rozen, welke er bloeiden, de anjelieren, welke er geurden, doch deze waren zoozeer met zichzelve ingenomen, dat zij er niet aan dachten, zich hoog op te richten, haar takken uit te spreiden, en een dak te vormen over de hoofden der drie H. Reizenden. Maar het nederige saliekruid, nauwelijks opgemerkt, begon opeens zoo snel te groeien, dat Maria en Jozef en het Goddelijk Kind zich onder zijn lommer konden verbergen. Het saliekruid werd door den Heer gezegend, het bekwam genezende kracht en werd een weldaad voor den arme, zijn nederige bloempjes noemt men in Provence de bloempjes van de H. Maagd en men siert daarmede in den Mei hare beelden en altaren.

Schoon is ook het verhaal van den zaaier. Terwijl het H. Gezin vluchtte voor de soldaten, die het Kind dreigden te dooden, kwamen zij aan een akker, pas omgeploegd, waarop een landman juist begon de tarwe uit te zaaien. Het was een groote akker en Maria vreesde, dat onverwacht de soldaten zouden komen en er niets zou wezen, dat haar aan hun oogen onttrok. Zij groette den landman van verre met de woorden “God zegene U” . “God loone U, schoone Vrouw” antwoordde de landman, waarop Maria tot hem zeide: “Heden zaait gij de tarwe, morgen reeds zult gij ze maaien”. De landman, riep blijde: “Ik zal U altijd zegenen, als ik hier morgen mijn tarwe maai”. Daarop legde Maria het Kindje in de armen van zijn Voedstervader, zij schortte haar kleed op, nam het zaad uit de handen van den steeds meer verwonderden landman en schreed door de voren om er de tarwe uit te strooien. En terwijl zij voortging over den akker, schoot het zaad reeds wortel en groeide het graan al hooger en hooger. Tusschen de wuivende aren trok het H. Huisgezin verder, terwijl de landman opgetogen van blijdschap den sikkel sloeg in zijne wonderbare tarwe. Nauw was hij zijn arbeid begonnen, of daar kwamen de soldaten van Herodes. “Trokken hier niet een Moeder met een kind voorbij, begeleid door een reeds ouderen man?” vroegen zij den landman. En nader omschreven zij het vluchtend Gezin. “O, ja”, antwoordde deze, “ik heb mij zelf langen tijd met hen onderhouden. Zij rustten hier uit van hun vermoeienden tocht.”

“Wanneer?” vroegen de soldaten.

“Zij trokken hier voorbij, toen ik deze tarwe zaaide”, zeide de landman. Misnoegd wendden zich de soldaten om. “Dan zijn zij reeds te ver en kunnen wij de vervolging wel staken”, bromden zij wrevelig. Het H. Gezin was in veiligheid.

(Wordt vervolgd.)


De vlucht naar Egypte: Legenden (slot)

Door P. Dr. Titus Brandsma, Ord. Carm. Oss.[2]


Was het H. Drietal aan de soldaten van Herodes ontkomen, nog andere gevaren bedreigden het op zijn vlucht.

Het stond nog aan velerlei ontberingen ten prooi. Weder trokken zij door een woud, het meegenomen voedsel was verteerd en nergens zagen zij iets, dat hun honger kon stillen. Het Kindje schreide, wijl zijn Moeder Het wegens gebrek aan voedsel niet kon voeden. Een voor een schouwde Maria op de planten aan haar voet.

Daar viel haar oog op de varens, welke tusschen het groen der boomen verscholen, de armen naar haar uitstrekten, als wilden zij zeggen: wij zullen U voedsel geven. Doch Maria zag niets dan de spichtige bladeren. “Gij hebt niets om ons te spijzigen”, dacht zij. Opeens ziet zij een varen, welke zich op haar wortels als het ware uit den grond heft en haar toeroept: die wortels, welke mij in het leven houden, zullen het ook onderhouden in U. Maria is gered. Zij trekt den wilden wortel uit den grond en in haar handen wordt hij zoet. Zij zegent de varen. Haar zegen veredelt haar smaak. Tot op heden is zij het voedsel van den dolende in de wouden en behoedt zij hem voor den hongerdood. Spoedig kon nu Maria haar Goddelijk Kind weder het noodige voedsel geven. Toen zij dit deed met moederlijke teederheid vielen een paar druppelen melk op een distel, welke aan haar voeten groeide. Een witte vlek vormde zich op de bladeren ter plaatse, waar de melk gevallen was en verdween niet meer. De distel plantte zich voort, maar bleef de witte vlekken behouden. En nog heden noemt men de witgevlekte distel de Mariadistel.

In het woud woonde ook een berucht roover. Hij had het schreiende kind gehoord en sloop nu naderbij, de door bloed roodgeverfde bijl op den schouder om de weerlooze reizigers te overvallen. Doch op eens ziet hij een helder licht en in dat licht Jezus, Maria en Jozef. Het is hem, of dat licht bliksems schieten zal, welke hem neer zullen slaan. Hij voelt, tegenover dit Drietal is hij onmachtig. Verlegen met zichzelven vraagt hij de ontstelde reizigers, die in het licht ook hem hebben gezien: “Wat doet Gij hier in deze koude, komt mee naar mijn huis in het woud; ik zal U herbergen”. Zij wilden niet weigeren. Wel zag [223] de roover er verschrikkelijk uit, doch zij stelden zich in Gods hand en volgden hem. De vrouw van den roover verschrikte hevig, toen hij met hen binnentrad. Zij had medelijden, met Maria vooral. Stil fluisterde zij haar in het oor, dat zij haar huis zouden ontvluchten, wijl de dood er hen bedreigde. Zij dacht, dat de roover hen naar zijn huis had gelokt om ze in den nacht te vermoorden. Doch Maria stelde haar gerust met de verzekering, dat God hen beschermde. Toch nog angstig bereidde de vrouw hun nu een sober maal en gaf Maria een kuip met water om haar kindje te baden. Toen zij het schoone kindje zag, werd zij droeviger en weende stil over de wieg van haar eigen kindje. “Reik mij uw kind”, zeide Maria, “dan zal ik het tegelijk met Jezus baden.” Nu begon de vrouw luide te schreien. “Och, kon ik dat doen, maar het mag niet met uw schoon kindje in hetzelfde bad worden gewasschen, want het is geheel met uitslag overdekt”. En onder tranen nam zij haar ziek kind in haar armen. Doch Maria stond op en ontnam haar zachtjes het kind en plaatste het naast den kleinen Jezus in het water. Nauw had zij met hare zachte moederhand het kind in het bad gedompeld, of alle uitslag was verdwenen. Gezond gaf zij het knaapje aan de opgetogen moeder weer. Jezus had op Maria’s stille bede het rooverskind van de melaatschheid des lichaams genezen, later zou hij het ook genezen van de melaatschheid der ziel. De kleine groeide op en werd een roover, als voordien zijn vader geweest was en toen Jezus werd gekruisigd, hing hij naast Jezus aan het schandhout. Maar toen hij de onschuld van Jezus erkend had, ontsloeg hem de Verlosser van zijn zonden en beloofde hem het paradijs. Had in zijn jeugd Jezus zijn tengere lichaampje met water bespat en daardoor van alle ziektesmetten gereinigd, nu hij aan het kruis hing, zoo verhaalt de legende, spatte het water uit Jezus’ doorboorde zijde op zijn zondig lichaam, doopte het en reinigde hem van alle smet der zonde.

Door Gods bijzondere tusschenkomst waren de drie H. Vluchtelingen aldus ontkomen aan het drievoudig gevaar, dat hen op den weg bedreigde, aan de soldaten, aan den hongerdood en uiteindelijk aan den roover. Behouden kwamen zij in Egypte aan en bleven er, totdat weer de Engel aan Jozef verscheen en hem zeide, dat Herodes was gestorven en hij uit Egypte weer moest terugkeeren naar het H. Land. Uit vrees voor Archelaüs ging Jozef echter niet meer naar Bethlehem, doch naar Nazareth. Waarschijnlijk volgde hij dan ook, zoodra hij de grenzen van het H. Land naderde, een anderen weg. De groote verkeersweg liep langs de zee over den Carmel. De legende verhaalt, dat de kluizenaars, die in navolging van den Profeet Elias de grotten van het schoone Carmelgebergte bewoonden, in Jezus den Verlosser erkenden en met Maria en Jozef spraken over den verwachten Messias. Het H. Drietal toefde een korte wijle onder de monniken van den Carmel en loofde met hen den Heer, wijl Hij zijn volk was komen bezoeken. De Orde van Carmel heeft die legende bewaard; zij [224] [225] stelt er een eere in, dat haar voorloopers op den Carmel gastvrijheid mochten schenken aan Jezus, zijn Moeder en zijn voedstervader, dat reeds zij door de erkenning van haar Zoon hulde brachten aan Maria en haren kuischen Bruidegom. Lieflijk is dit tafereel door den bekenden Vlaamschen schilder Abraham van Diepenbeke in een zijner kopergravures in teekening gebracht. De stilte op den Carmel is verbroken. Als op een ingeving Gods snellen de kluizenaars toe, vragen elkander af, wie toch dat Kind mag zijn en die Moeder, die daar onder de schutse van een grijsaard het gebergte beklimmen. Nog zien zij elkander verwonderd en vragend aan, als een der eerbiedwaardigsten onder hen aanbiddend ter aarde zinkt en tot Maria de woorden richt, haar door den Engel toegesproken: “Wees gegroet, Gij, vol van genade, de Heer is met U”.

Na de blijde en vrome begroeting op den Carmel kwam na enkele uren het H. Huisgezin eindelijk te Nazareth. De Verlosser woonde weder te midden van het volk, dat Hij verlossen kwam, doch dat Hem niet kende.


  1. Published in: Carmelrozen, Vol. III, Jan. 1915, p. 199-203.
  2. Published in: Carmelrozen, Vol. III, Febr. 1915, p. 222-225.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019