De vraag, waarin

1935, Niagara Falls

Notes

 


De vraag, waarin

Niagara Falls, 1935[1]


De vraag, waarin het hoogtepunt van het mystieke leven moet worden gezocht in de verlichting van het verstand danwel in de liefde van den wil, wordt m.i. in de school van Carmel het best in dezen zin beantwoord, dat men vooreerst niet te scherp tegenover elkander moet stellen, wat in de menschelijke natuur op de meest innige wijze vereenigd is en ook in de natuur van God, naar Wiens beeld en gelijkenis de mensch geschapen is, ondanks de onderscheiding tusschen beide één is. De school van Carmel ziet in de mystieke vereeniging meer de vervolmaking der menschelijke natuur dan de bijzondere vervolmaking van haar vermogens. De school van Carmel neemt gaarne tal van stellingen over van de school, die de verlichting des verstands als het hoogste beschouwt, maar even gaarne aanvaardt zij tal van stellingen van de school, die op de liefde en de bevrediging van den wil den nadruk legt. Zij ziet vooral in de hoogste fasen van het mystieke leven beide vermogens zoo in elkander opgaan, zoo elkander helpen en steunen, zoo innig en voortdurend samenwerken, dat haar de vraag, wie van beide het hoogste staat, aan wie van beide de kroon moet worden gereikt, eenigszins onaangenaam is.

Terwijl ik dit zit te schrijven, luister ik naar het ruischen en bruischen van de Niagara Falls. Deze waterval openbaart mij op een schitterende wijze, hoe het water onderworpen aan de wetten van de zwaartekracht, overeenkomstig den aard eener vloeistof naar de lager gelegen deelen der aarde stroomt. In mijn [2] vaderland, de Lage Landen aan de Zee, de Nederlanden, kent men geen waterval. Vol bewondering staar ik naar de bruischende wateren, die van de hooge bedding onophoudelijk neerploffen in de opeens meters lager gelegen nieuwe bedding. Wat is nu het mooie, het eigenlijk mooiste van dit wonder der natuur? De metaphysisch aangelegde of geschoolde geest verliest zich misschien hier in de aanschouwing van de wondere potentialiteit van het water om door de zooveel grootere massa van de aarde te worden aangetrokken. Had het water niet deze zeer bepaalde, met zijn natuur overeenkomende potentialiteit, niet deze drift naar het zwaartepunt der aarde, de waterval was er niet. Had het water niet den vloeibaren toestand, het zou niet in droppels uiteenspatten en het gelijk maken aan een sneeuwlawine. Was het niet in zijn deeltjes ontvankelijk voor de opslorping en weerkaatsing van het licht, de watermassas zouden niet glinsteren als kristal, de regenboog zou er niet aan onze voeten liggen. Had het water niet den weerstand , dien het heeft, het zou niet in onze ooren donderen wanneer we ons in de onmiddellijke nabijheid wagen. Ook bij ons is het water mooi. Maar hier in den schitterenden eenigen waterval openbaart het zich in al zijn heerlijkheid en grootheid.

Maar zoo beziet niet iedereen de Falls. De meesten niet. Duizenden bewonderen ze zonder aan potentialiteit van het water te denken, zonder daar ooit van [3] gehoord te hebben. Ze komen hier niet om de heerlijkheid van het water te zien, den rijkdom van zijn natuur te bewonderen, maar om het grootsche imponeerende gezicht der steeds maar weer nader komende wateren, opeens neerploffend met donderend geweld om dan op te spatten in wolken die meters ver regenen, maar weer neerkomen in de schuimend voortjagende rivier. Zij luisteren naar het ruischen en bruischen en krijgen niet genoeg van die wilde muziek. Zij vermeien zich in het kleurenspel, dat in het water gespeeld wordt, niet slechts door den regenboog, die er midden in staat, als de zon er op schijnt, maar ook door de kleuren, welke het water aanneemt, naarmate het minder of meer overvloedig over de rotswanden heenwentelt. Hier is het groen als smaragd, daar wit als zilver, elders parelgrijs, op andere plaatsen laat het nog den donkeren ondergrond der rotswanden zien.

Nu kan men wel zeggen, er is goede grond voor, dat de eerste wijze van beschouwing van dezen beroemden waterval veel hooger staat dan de tweede, dat de intellectueele beschouwing veel edeler bevrediging geeft dan de laatste welke meer sensitief is te noemen, maar we staan daar nu eenmaal voor als menschen, welke beide vermogens bezitten en in wie de beide vermogens elkander wonderbaar helpen en aanvullen. We zouden maar het liefst beide beschouwingswijzen ineen zien vloeien en elkander versterken en bevestigen. Zoowel het object als het subject vragen hier vereeniging, geen scheiding. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat, hoe minder oppositie wij hier maken en hoe [4] meer wij in onze beschouwing de zoo innig op elkander aangewezen vermogens laten samenwerken, hoe hooger en edeler en rijker en vollediger genot wij in onze, nu eenmaal samengestelde natuur zullen smaken.

Nu zal men misschien zeggen, dat ik een heel verkeerd beeld heb gebruikt. Het ging over de samenwerking van wil en verstand en nu geef ik een beeld waarin de samenwerking van zintuig en verstand aan den dag treedt.

Vooreerst geloof ik, dat dit voorbeeld ook met betrekking tot de verhouding van verstand en wil veel leert. Er blijkt toch uit, dat we niet te veel de tegenstelling, maar veel meer de vereeniging der vermogens in onze samenstelde natuur in het oog hebben[2] te houden.

Maar er is nog iets anders. Ik ga weer naar het zich voor mij uitgietende water. Het is een beeld ook van onze natuur. Deze wondere waterval wordt door millioenen bezocht om zijn weergalooze schoonheid. Ik voor mij zie het liefst naar den dieperen ondergrond van dit heerlijk natuurverschijnsel, niet oog en oor alleen zijn geboeid, maar veelmeer mijn verstand, dat nadenkt over hetgeen in het water door God is gelegd. Ik zie niet slechts den rijkdom van de natuur van het water, zijn niet te meten potentialiteit, ik zie God werken in het werk zijner handen en de openbaring zijner liefde. Niettemin ook mijn oor en oog zijn geboeid en telkens keer ik terug om te zien en te hooren. Ik heb menig oogenblik, waarin het laatste genot overheerscht.



  1. This text is written in August 1935, in the Carmelite monastery nearby the Niagara Falls. The NCI preserves the typescript, on ‘Mount Carmel College. Carmelite Fathers. Niagara Falls, Ontario’ stationary, 4 pages A5, without title. In the summer of 1935, Titus Brandsma visited America. He was invited by the Catholic University of Washington, by Mount Carmel High school Chicago and by Mount Carmel College Niagara Falls, to teach Carmelite mysticism.
  2. The typescript has erroneously the singular ‘heeft’.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019