De Zalige Archangela Ghirlani

1939

Article

 


De Zalige Archangela Ghirlani

[1]


Een derde bloem in den tuin van den Carmel te Mantua.

Terwijl in het klooster der Paters te Mantua de Zalige Bartholomaeus Fanti en zijn illustre leerling de Zalige Baptista Mantuanus in groote heiligheid leefden en dit klooster tot een centrum maakten van innige herleving van den geest der Orde, bloeide in het klooster der Zusters ter zelfder plaatse een niet minder schoone bloem.

Ze was daar niet ontloken, maar daarheen overgeplant, werd ze er de luister en de roem van.

Zij werd geboren in Trino in Monte Ferrato in Noord-Italië omstreeks 1460. Terwijl, toen zij was opgegroeid, haar ouders er over dachten haar uit te huwelijken en haar daarover de meest belovende voorstellen deden, dacht zij aan niets anders, dan zich aan God te wijden. Bij de Benedictinessen op school geweest, had zij van deze zusters reeds als kind de heerlijkheid van het leven met God geleerd, terwijl haar godsvrucht tot Maria haar naar den Carmel trok. Zoo welsprekend was zij in haar geestdrift, dat zij niet alleen van haar ouders toestemming wist te verkrijgen, maar ook haar twee zusters Maria en Scholastica voor hetzelfde ideaal wist te begeesteren en met zich het klooster deed intreden. Zij ontving het kleed der Orde in het klooster in Parma en was er van stonde af aan een voorbeeld. Zoo hoog stond zij spoedig aangeschreven, dat toen zij na haar proeftijd hare geloften had afgelegd en kort daarna een nieuwe overste moest worden gekozen, de stemmen der zusters zich op haar vereenigden. Zij vervulde er die bediening echter maar kort. In Mantua had men van de deugd dier zusters gehoord. De vrijgevigheid van de Gonzaga’s, de hertogelijke familie van Mantua, maakte het mogelijk, ook daar een Carmelitessenklooster te stichten. Men gaf het den naam ‘Klooster van Onze Lieve Vrouw van het Paradijs’. De Priorin van Parma zou er de eerste Priorin van zijn. De keuze was wel gelukkig. In korten tijd bracht zij het nieuwe klooster tot den hoogsten bloei. Een groot aantal meisjes werd door de faam van haar deugd naar het ‘Paradijsje’ van Mantua getrokken. Haar bestuur werd als een zegen gevoeld. Men noemde haar een Engel, die in dit Paradijs thuishoorde. Maar ook hier duurde haar bestuur slechts kort. Nog geen drie jaar was zij Priorin, of de Hemelsche Hovenier verplantte dit bloempje reeds naar zijn eeuwigen lusthof. Zij kan nauwelijks dertig jaar zijn geweest, wellicht bereikte zij zelfs dien leeftijd niet. 25 Januari[2] 1494 stierf zij. Haar laatste woorden waren, wat ook het devies van haar leven was: “Jezus, mijne liefde”.


  1. Published in: Carmelrozen, Vol. XXVII, Jan. 1939, p. 204.
  2. In the publication erroneously: '28 Januari'.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020