De Zalige Archangela Girlani

Titus Brandsma/Arnoldus Wijtenburg

1928

Book chapter

 

De Zalige Archangela Girlani

[1]

Aan de groene boorden van de Po, den stroom, die den vlakten van Noord-Italië leven, schoonheid en vruchtbaarheid schenkt, leefde omstreeks het midden der vijftiende eeuw het oude adellijk geslacht der Girolani of, gelijk het korter gewoonlijk genoemd werd, Girlani. Het stond er in hoog aanzien, niet het minst bij den markies van Monferrato Michael VIII, verwijderden afstammeling van den Griekschen Keizer Paleologus.

Wel kon diens bescheiden hof niet halen bij dat van zijn doorluchten stamvader, maar toch was markies Michael een der meest geëerde vorsten van Italië, die om zijn beleid zoowel als om zijn godsdienstzin door Paus Sixtus IV, door de machtige Sforza’s van Milaan en vele andere heerschers over grooter grondgebied op voet van gelijkheid werd behandeld. Na den dood van zijn eerste echtgenoote huwde hij in 1469 met een dochter van Franciscus [294] Sforza, hertog van Milaan. Maar ook zij, die lager stonden, zagen met eerbied op naar Michael en Eleonora en de Girlani’s beschouwden het als een eer, het dochtertje hun 25 Januari 1461 geboren naar de markiezin te mogen noemen. Met de ouders mocht wederkeerig ook de kleine Eleonora zich in de gunst van het hof verheugen en, toen zij vijf jaar was geworden, ging zij met de kleine meisjes uit de hofkringen mede naar het klooster der Clarissen, die zich in de nabijheid harer geboorteplaats Trino wijdden aan oefeningen van gebed en boetvaardigheid, maar tevens aan de opvoeding van de meisjes uit de deftigste standen van Noord-Italië.

Zij was nog een kind, maar er leefde in dit kind een geest, die haar vóór haar jaren maar toch steeds op kinderlijke wijze bracht tot oefeningen van godsvrucht. Het onderwijs nam het gretig in zich op, voor de fijne vrouwelijke handwerken als stikken en borduren zoowel als voor de meer gewone van naaien en breien, legde het bijzonderen aanleg en ijver aan den dag; zij was het engeltje, neen, gelijk zij later heeten zou en toen reeds genoemd werd, het aartsengeltje van de school om haar liefde tot den kleinen Jezus, van wien zij alleen het kindje en de bruid wilde zijn.

Steeds sterker werd dit verlangen in haar. Op een leeftijd van nauwelijks tien jaar trok zij zich gaarne terug in haar klein kamertje om daar stil en god- [295] vruchtig te verkeeren en te spreken met Jezus. Zij was zoo graag met Jezus alleen.

In een van die uren van afzondering meende zij een stem te hooren, die haar zeide: “Mijn aartsengeltje, voortaan zijt ge niet meer van u zelve, ook niet van de wereld, maar van Mij. Gij moet in een arm en streng klooster gaan. Ik zal veel meisjes U doen volgen.”

Voor haar was er geen twijfel over, wie die woorden tot haar had gericht, maar aanstonds openbaarde zij ze aan haar biechtvader, die haar na rijp beraad sterkte in het bewustzijn harer roeping tot bijzondere volmaaktheid.

Zij zou niets liever hebben gedaan dan aanstonds den sluier aannemen in het strengste klooster, dat zij kende, doch nog ernstige hinderpalen zouden haar roeping op de proef stellen.

Vooreerst hoopten de vrome Zusters, bij wie zij hare opvoeding genoot en wier lieveling zij was om haar heilige kinderlijk-onschuldige levenswijze, dat zij bij haar hare intrede zou doen. En toch lag dit niet in hare bedoeling. Hoe hoog zij deze Zusters schatte, haar ideaal was een veel strenger, armoediger en van de wereld meer afgesloten leven.

Veel grooter moeilijkheid bereidden haar echter haar ouders. Hoe vroom ook, hadden zij zich toch als toekomst hunner Eleonora, de lieveling van allen, iets anders voorgesteld dan een verborgen [296] leven in een der strengste kloosters. Vooral de vader kon dit denkbeeld niet verdragen. Het eerste, dat hij meende te moeten doen om zijn idealen ten opzichte van zijn dochtertje te verwezenlijken, was haar wegnemen uit de stille heilige omgeving, waarin zij tot die hemelsche roeping was gekomen. De moeder aarzelde nog en trachtte hem te weerhouden, maar haar tegenstand was niet sterk genoeg om hem van zijn voornemen te doen afzien.

Op een schoonen lentedag werden de paarden gezadeld en reed Giovanni Girlani door zijn edelknechten vergezeld naar de bergen, waarin het eerwaardig Clarissenklooster verscholen lag. Noch de aanschouwing van het geluk van zijn dochtertje te midden harer gezellinnetjes en onder de leiding der deftige vrome zusters noch het aandringen der Overste waren in staat, hem zonder zijn kleinen engel huiswaarts te doen keeren.

Eleonora zelve wist niet, of zij lachen of schreien moest. Zij zag er een beschikking in van God, van wiens roep zij zeker was en die machtig genoeg moest worden geacht om wat een hinderpaal scheen te veranderen in een middel om zijn doel te bereiken. Het afscheid van de meisjes en de Zusters viel haar hard, maar het weerzien van moeder en zusjes thuis maakte haar weer blijde. Zoo kwam zij blij en toch ernstig thuis. Zij gevoelde de noodzakelijkheid van den strijd, hoe klein zij ook was, maar [297] hij drukte haar niet, omdat zij met kinderlijke blijheid Gods wijsheid voor oogen hield en in de bevelen harer ouders zijn stem en zijn leiding voor dat oogenblik erkende.

Zij was toen elf jaar.

Haar ouders wilden, dat zij zou gekleed gaan, zooals hun stand dat eischte. Zij verzette er zich niet tegen, al hechtte zij weinig aan dien opschik. Zij leefde in het ouderlijk huis met haar zusjes en ging om met de andere meisjes van haren stand, zooals haar ouders verlangden, en niets onderscheidde haar van dezen dan een bijzondere lieftalligheid ten opzichte van eenieder en een meer dan gewone godsvrucht.

Zoo groeide de kleine Eleonora op. Hare ouders moesten erkennen, dat geen hunner kinderen gehoorzamer was dan zij, geen meer dankbaarheid toonde voor hun zorgen, meer liefde voor hen aan den dag legde. En toch beantwoordde zij niet aan hun bedoelingen. Haar geest was te zeer verslonden in God, dan dat zij op kon gaan in de ijdele genoegens, welke hare ouders haar bereidden, en zij zich thuis voelde in de omgeving, waarin dezen haar gaarne zagen. Te ernstig was naar de opvatting harer overigens vrome ouders de uitdrukking van haar gelaat, haar oogen waren meestal neergeslagen, geheel haar houding vertoonde een rust en zedigheid, welke al te zeer afstaken bij de houding harer gezellinnetjes. [298]

Toen zij veertien jaar oud was, vierde men te Trino en nog veel meer in de hoofdplaats van het markiezaat, Casal Monferrato een schitterend feest. De markies had van den Paus de verheffing zijner hoofdstad tot zetel van een bisschop verkregen en op luisterrijke wijze wilde hij den eersten kerkvorst inhalen. Het feest had naast een kerkelijk ook een wereldsch karakter. Onder de genoodigden behoorde ook de familie Girlani en de ouders hadden een stille hoop, dat deze grootsche lang voorbereide feestelijkheden, die heel de bevolking van het markiezaat in Casal Monferrato deden samenstroomen en de zonen en dochters der adellijke familie’s ter feestviering samenbrachten, den geest van hun engel zouden afleiden en in haar voor liefde zoo ontvankelijk hart genegenheid zouden doen ontstaan voor een der jongelingen van de omwonende adellijke familiën.

Zij wisten niet, hoe onherroepelijk zij haar hart aan Jezus had verpand en hoe er van al de feestelijkheden slechts één was, waarin zij opging, de plechtige intocht in de voor kathedraal bestemde hoofdkerk, waar de bisschop de H. Mis zou opdragen en ook de H. Communie zou uitreiken. Slechts voor deze plechtigheid tooide zij zich met al de sieraden, welke haar ouders haar verstrekten. Slechts bij deze plechtigheid straalde haar gelaat onder den fijnen witten sluier van niet te verbergen vreugde. [299]

Haar roeping was als een vuur.

De storm van tegenkanting deed dit vuur nog feller branden. Het deelde zijn gloed zelfs mede aan anderen. En terwijl de ouders poogden hun Eleonora terug te houden van het kloosterleven, ontbrandde het verlangen daarnaar ook in het hart harer twee zusters. De boetvaardigheid, het gebed, de bezoeken bij het Allerheiligste en zoovele andere goede werken der kleine Eleonora waren bronnen van nieuwe genaden en steeds inniger werd daardoor niet alleen voor haar zelve doch ook voor hare zusjes de vereeniging met God.

Weinig hielp het den vader nog, dat hij eens Eleonora bij zich riep om haar met vaderlijke overredingskracht van haar voornemen af te brengen. “Uw plannen”, zoo zeide hij, “stroken niet met de mijne. Als gij geen huwelijk wilt aangaan, zal ik u daartoe niet dwingen; in dit opzicht kunt gij uw zin volgen. Wilt gij in een vrome heilige omgeving leven, zie, hier zijn uw moeder en uw zusters, zij hebben u lief en zouden met u eveneens een vroom en heilig leven willen leiden. Waarom haar en mij te bedroeven door elders te zoeken, wat Ge ook hier kunt vinden? Wees tevreden met hetgeen wij u hier bieden”.

Tranen alleen waren het antwoord.

Maar spoedig droogde zij die tranen bij de overweging, dat God te zijner tijd de inzichten haars vaders zou wijzigen. [300]

Toch meende zij nog een poging te moeten wagen en nog een uitweg te moeten beproeven, dien de menschelijke voorzichtigheid scheen aan te wijzen.

Zij wendde zich tot den markies, opdat hij door zijn machtigen invloed bij haar vader nog een poging ten haren gunste zou willen aanwenden. De nobele landheer was aanstonds bereid, doch ook zijn invloed was niet in staat, den vader te bewegen zijn liefste kind toe te staan, zich voor altijd te verbergen achter de strenge afsluiting van een arm gesloten klooster.

Al wat hij verkreeg was, dat de vader toestond, dat zijn engeltje zich met hare beide zusters aan God toewijdde in het klooster, waar zij hare opvoeding genoot, waar hij haar vrij zou kunnen bezoeken, zij minder streng en veel minder afgezonderd zouden leven, waar in één woord de banden met het ouderlijk huis niet geheel en al werden verbroken.

Eleonora onderwierp zich, zonder echter hare idealen prijs te geven. Hare zusjes verheugden zich, dat hare toewijding aan God haar met elkander vereenigd hield.

Een groot afscheidsfeest werd gegeven. De ouders zelve zouden daarna hare drie dochters aan den Heer toewijden en naar het klooster begeleiden. In het klooster was alles voor de ontvangst der drie maagden gereed. God kwam echter tusschenbeide. [301]

Op onverklaarbare wijze wilde halverwege het rijdier, waarop Eleonora was gezeten, niet verder. Niets was in staat het dier tot verder gaan te bewegen.

Hierin zag de vader den vinger Gods.

Hij gaf bevel terug te keeren naar het ouderlijk huis. Zóó wilde hij zijn plannen niet doorzetten. De vrees kwam bij hem op, dat zij in strijd waren met de bedoelingen Gods. Eerst wilde hij nog eens het oordeel inwinnen van een door God verlichte ziel.

God zelf zond hem in die dagen een zijner eerbiedwaardigste dienaren. Het was een Carmeliet van groote volmaaktheid.

Nadat hem alle omstandigheden waren meegedeeld, sprak hij als zijn oordeel uit, dat God de drie maagden riep tot een streng en afgesloten klooster en de vader zich niet langer tegen deze roeping mocht verzetten. Hij stelde een keuze voor tusschen de Carmelitessenkloosters te Parma en te Reggio. Alhoewel de faam van heiligheid van de Z. Joanna Scopelli, priorin van het klooster te Reggio, de drie zusters tot dit laatste aantrok, viel toch ten slotte haar keuze op het klooster te Parma, toegewijd aan de H. Maria Magdalena, tot wie alle drie een bijzondere godsvrucht koesterden. Het had bovendien den naam, nog armer te zijn dan dat van Reggio.

Reeds sinds 1313 leidden daar een aantal vrome maagden een aan God toegewijd leven in kleine [302] huisjes rondom de kerk van het H. Graf. Door giften en schenkingen waren de vrome vrouwen geleidelijk in staat geweest een eigen kapelletje te bouwen ter eere van de H. Maria Magdalena en ook de omliggende terreinen te koopen. Zoo waren zij bij machte een afgesloten klooster te stichten en na vele onderhandelingen geraakten zij ten slotte in 1454 tot afscheiding van de oude parochiekerk en konden zij zich met goedvinden van den bisschop Mgr. Delfini stellen onder de rechtsmacht van de Orde van Carmel, welker regel zij zich hadden uitgekozen. Tot eerste Priorin koos men de eerbiedw. Bertolina da Manzano. Twintig jaar leefden zij nu volgens den strengen Carmelregel, toen de drie zusters uit het adellijk geslacht der Girlani haar intrede in het klooster deden en vooral Eleonora er door heldhaftige beoefening van deugd nieuwen luister aan schonk. Eleonora was bij haar intrede nog niet ten volle zestien jaar; zij was de oudste der drie; haar verschil in leeftijd bedroeg echter niet meer dan ongeveer een jaar.

Zonder strijd ging ook voor Eleonora de proeftijd niet voorbij. Een oude kroniek van het klooster van Piacenza verhaalt, hoe zij dikwijls werd bekoord in de wereld terug te keeren, doch alle bekoringen verdreef door de overweging, dat de wereld vol onrust is, als het ware blootgesteld aan voortdurende aardbeving, vol hoogmoed en hebzucht, zonder liefde [303] of vrees voor God, vol zingenot en overdaad, maar zonder vrede, het klooster daarentegen overvloed van vrede en genade schenkt, daarmede het eeuwig leven waarborgt en daardoor gelijkt op het aardsche paradijs.

Die overweging drong er haar soms toe, hare medezusters deelgenoot te maken van haar geluk.

Zooveel geluk en blijdschap stortte God bij die overweging in haar ziel, dat zij ze niet besloten kon houden en met eerbied luisterden de zusters naar haar gloedvolle beschouwingen. Als zij na hare overwegmgen hare gevoelens uitsprak, scheen een der aartsengelen, geheel in vuur ontstoken, in haar te spreken. Men noemde haar in het klooster ook niet meer Eleonora, men gaf haar den naam Archangela.

Telkens kwam zij in hare gesprekken terug op de vergelijking van het klooster met het aardsch en hemelsch Paradijs. Het was voor haar een onuitputtelijke bron van opwekkende gedachten.

Zoozeer begeesterde zij hare medezusters, dat dezen haar vroeger, dan de regel het eischte, hare eeuwige geloften deden afleggen en met algemeene stemmen tot haar overste verkozen. Zij was nog haast een kind, nauwelijks zestien jaren, maar God vulde aan, wat de leeftijd niet schonk. Hij schonk haar hemelsche wijsheid en vervulde haar met zijn genade. Hij openbaarde haar zijn geheimen en schonk haar zijn [304] wondermacht. Vertrouwelijk ging Hij met haar om. Door haar wilde Hij het geheele klooster opvoeren tot de hoogste volmaaktheid en de innigste vereeniging met Zich.

In haar nederigheid wilde zij zich nog aan den verantwoordelijken post van overste onttrekken, doch de Bisschop zoowel als de biechtvader verplichtten haar, in de keuze te berusten.

Als overste drong zij er bij hare medezusters voortdurend op aan, zich vrij te houden van zonde: “Liever zou ik”, zoo herhaalde zij, “de pijnen der hel lijden dan ook maar in het geringste den Heer beleedigen” en in naam der H. Drievuldigheid, waarin zij steeds hare woorden tot de kloostergemeente richtte, bezwoer zij hare medezusters, van God dienzelfden afschuw van de zonde te vragen.

Naast die innerlijke reinheid vorderde zij een stipte uiterlijke netheid. “Wij zijn arm”, zoo zeide zij dikwijls, “en de armoede is een schoone, zeer schoone deugd, omdat zij vergoddelijkt is door het voorbeeld van Christus, maar wij moeten daarbij de uiterlijke netheid in het oog houden. Als bruiden van den luister van het eeuwige licht is voor ons de innerlijke zuiverheid onzer gevoelens onontbeerlijk, maar is het toch ook passend, dat wij niet door besmeurde en gescheurde kleederen de menschen ergeren”.

Zeer streng was zij hierin. Zelve zou zij haar [305] brevier niet gebruiken zonder eerst hare handen te hebben gewasschen, De heilige boeken wilde zij niet dan met zuivere handen aanraken. In het koor eischte zij een nette houding, een ordelijk harmonieus gebed en gezang. Zij wees daarbij op het voorbeeld der engelen voor Gods troon. Zij herhaalde de woorden van den Psalmist: “Zingt met den geest, zingt met het hart, zingt met wijsheid en verstand”.

Om hare medezusters tot godsvrucht bij de kerkelijke getijden op te wekken, trachtte zij haar den schoonen inhoud der kerkelijke gebeden te verklaren en te doen begrijpen.

Geheel verslonden door honger naar geestelijke spijs, vergat zij vaak het voedsel des lichaams. Dikwijls stelde zij zich tevreden met water en brood. Niet zelden ook was de H. Communie haar eenige spijs gedurende den geheelen dag. Zoo ver dreef zij de onthouding, dat haar biechtvader zich soms verplicht zag, haar zoo lang vasten te verbieden.

Bij het vasten voegde de tengere maagd strenge lijfskastijdingen. Altijd droeg zij een pijnlijken boetegordel en steeds meende zij nog geen boete genoeg te doen voor hare zonden, vooral als zij dacht aan de heiligheid van de heilige oudvaders der woestijn en de strenge boetedoeningen, welke dezen ondanks hun groote heiligheid meenden te moeten verrichten.

Den grondslag van al hare deugden vormde echter haar geest van gebed. Steeds was zij met God [306] vereenigd en in Hem verslonden. Zij benijdde de Serafijnen, maar was als een andere Serafijn staande voor Gods troon om van Hem onmiddellijk of door zijn plaatsvervangers zijn wil te vernemen en steeds hooger tot Hem opstijgend, door gelijkvormigheid van haar wil met dien van God.

Vijftien jaar had zij aldus in Parma geleefd het klooster ten zegen, haren medezusters ten voorbeeld, in wijden omtrek vermaard, toen op verzoek van Ludovicus Gonzaga, bisschop van Mantua, en Isabella d’Este, gemalin van markies Franciscus Gonzaga, met instemming van den Vicaris-Generaal der Mantuaansche Observantie der Carmelietenorde en van den markies in 1490 Paus Innocentius VIII haar het bevel gaf, zich met twee andere zusters naar Mantua te begeven om er de leiding te nemen over een nieuw te stichten klooster. Negen adellijke meisjes hadden de markiezin het verlangen geopenbaard, God in den Carmel te dienen en drie dienstmaagden hadden zich aangeboden om haar in dien H. Dienst ter zijde te staan. Noode zag de markiezin haar de stad verlaten en spoedig rijpte bij haar het plan, te Mantua zelf een Carmelitessenklooster te stichten. De bisschop zoowel als de markies steunden haar en dezer machtige invloed bracht haar tot het toppunt harer wenschen, de wijd vermaarde en als een heilige vereerde priorin van Parma aan het hoofd harer stichting te zien gesteld. [307]

Reeds 8 Febr. 1491 werd de eerste steen gelegd van het kleine kloosterkerkje. De naam zegt ons reeds, dat de Zalige Archangela hem koos: Sint Maria van het Paradijs. Het klooster werd eveneens aan Maria toegewijd, dit onder den titel van haar Bezoek aan Elisabeth, wel ter wille van de markiezin Isabella of Elisabeth, die Maria in de gedaante harer kinderen kwam bezoeken. In den volksmond heette het “het kleine Carmelklooster”: “il Carmelino”.

Nog op het einde van hetzelfde jaar of in het eerste begin van het volgende kwam de zalige te Mantua. Parma treurde. Het boog slechts noode voor hooger macht. Om ongeregeldheden te voorkomen ontvluchtte de Zalige, vóór men het verwachtte, in den nacht de stad.

Blijde werd zij te Mantua ontvangen. Hing haar hart aan het klooster van Parma, Gods wil riep haar bij monde van het bevel des Pausen naar Mantua, met blijdschap nam zij haar intrek in Sint Maria van het Paradijs aan de groene boorden van den Mincio. “Ziet, zusters,” zoo zeide zij, “nu zijn wij waarlijk in het Paradijs. Weest blijde en tevreden en verheugt u in den Heer, gij hebt er reden toe”. Zij herinnerde aan het woord van den pas overleden patriarch van Venetië, onder wiens opperrechtsmacht ook Mantua stond, dat niets meer op het hemelsch paradijs gelijkt dan een kloostergemeente aan den dienst van God gewijd. En dan wekte zij [308] hare nieuwe zusters op, te leven als in een hemelsch paradijs, onbekommerd over hetgeen op aarde plaats grijpt.

Spoedig verbreidde zich door de stad de faam harer heiligheid en van de bijzondere gunsten haar door God verleend. Die faam trok vele meisjes naar het klooster en allen ontstak zij in vurige liefde tot God. Onweerstaanbaar was haar invloed. Gods wonderwerken versterkten dien steeds meer.

Als de zusters haar in hare cel bezochten, vonden zij haar meer dan eens van de aarde opgeheven, ongevoelig voor hetgeen op aarde gebeurde, in verrukking met God vereenigd. Op het Kerstfeest van het jaar 1492 geraakte zij in den nacht bij de overweging van de geboorte des Heeren in een armen stal in geestverrukking. Het was haar, of zij zich in den stal bevond en de zuchten van het Goddelijk Kindje, de lofzangen der engelen tegelijk met de liederen der herders hoorde en zij bleef in die verrukking tot den morgen, toen de zusters bij het tweede opstaan haar nog in hare opgetogenheid vonden.

Bij de kruisvereering op Goeden Vrijdag van het volgend jaar geraakte zij op het zien van de wonden des Heeren in een dusdanigen staat van medelijden met haren liefsten Bruidegom en van afschuw van de slechtheid der menschen, dat het haar niet mogelijk was dien dag eenige spijs te nuttigen. [309]

Velen vroegen – het spreekt wel van zelf – om haar gebed en wonderbaar waren dikwijls de gunsten op haar voorbede verkregen. Niet slechts genezingen van lichamelijke ziekten, maar nog veel meer bekeeringen van hardnekkige zondaren werden op haar gebed verkregen.

Bijzonder merkwaardig was een gebedsverhooring, die in het klooster een diepen indruk maakte en plaats greep tijdens een overstrooming van de omgeving der stad. Het overvloedig van Alpen en Apenijnen stroomende water had, gelijk nu en dan bij snel intredende warmte nog steeds pleegt te geschieden, het grondgebied van Mantua met zijn schoone velden en landouwen overstroomd. In plaats van welvaart bracht dat jaar het water schaarschte van levensmiddelen, zoodat de aalmoezen voor het arme kleine klooster kleiner en kleiner werden en na eenigen tijd de nood ten top steeg. Toen alle voorraad verbruikt was en geen hulp van buiten meer was te verwachten, riep de Zalige de zusters samen: “Ons rest nog slechts de hulp des hemels” zeide zij, “maar, als wij er God vurig en nederig om vragen, zijn wij zeker, dat deze ons niet wordt onthouden. Laat dus ieder in het bewustzijn van den grooten nood, waarin wij verkeeren, haar hart tot God verheffen en op Hem haar eenige hoop stellen.”

“Heer”, zoo riep zij uit, “nu is het uur gekomen, dat [310] Gij ons barmhartigheid moet bewijzen. – Ostende nobis Domine misericordiam tuam. – Gij zijt de Heer des levens, Gij voedt de dieren, zelfs de kleinste vogeltjes voorziet Gij van spijs. Den Israelieten gaaft Gij in de dorre woestijn het manna en uit de harde rots overvloed van water; in den leeuwenkuil bracht Gij Daniel het noodige voedsel; om onzen vader Elias te spijzigen zondt Gij eerst een raaf, later de medelijdende weduwe van Sarepte. Heb dan ook medelijden met ons, die uw zuivere en trouwe bruiden zijn, wij hebben op U onze hoop gesteld. Geef ons heden ons dagelijksch brood”.

Nog bad zij met de zusters, toen voor de rol werd gebeld. De zuster met de bediening van de rol belast vond haar vol met het heerlijkste brood, schooner en fijner, dan men ooit had gezien. Zij vroeg, wie haar dit bracht: “Hij, die mij tot u zond, zal zijn belofte aan u niet ontrouw worden noch hier noch hiernamaals”. Die woorden bevestigden de zuster nog in haar zekerheid, dat dit brood haar gebracht werd op onmiddellijk bevel van God. Zij riep haar medezusters en de heilige priorin, en allen loofden Gods barmhartigheid.

Aan het gebed van Archangela schreven ook de Mantuanen toe, dat de wind van het Zuiden naar het Noorden ging, de Mincio sneller deed stroomen en het water dra binnen zijn bedding terugbracht.

Nog verhalen haar oude levensbeschrijvingen, dat, [311] toen eens bij het aftappen van wijn aan de kelderzuster de stop van het volle vat ontschoot en de wijn met stroomen begon weg te vloeien, de Zalige juist aanwezig, vol geloof een kruisteeken maakte op het vat en de wijn als gestold ophield te vloeien, totdat de kraan in het vat was gestoken.

Nog waren geen drie jaren sinds de komst der Zalige te Mantua verloopen, nog was haar 34ste levensjaar niet voleind, of een ernstige en pijnlijke ziekte zeide haar, dat haar Bruidegom haar reeds tot de glorie des Hemels riep.

Hevige rheumatische koortsen wierpen haar op het ziekbed, deden haar vreeselijk lijden en namen in korten tijd al hare krachten weg. Zij voelde, dat het einde van haar levensweg bereikt was. Met blijdschap vroeg zij haar biechtvader Pater Angelus da Pontevico, haar de laatste H.H. Sacramenten toe te dienen en bij haar te blijven tot haar dood. De aardsche geneesmiddelen, haar door den geneesheer en hare medezusters vol liefde en hoop verstrekt, weigerde zij niet, doch zij wist en zeide, dat ze haar leven niet zouden behouden. Zwak en toch weder krachtig richtte zij zich tot hare medezusters: “Ziet, ik heb u met Gods genade geleerd naar de volmaaktheid te streven volgens de instellingen onzer Orde, thans nu ik door God van dit aardsch paradijs naar het hemelsche word opgeroepen, zou ik meenen in mijn plicht als leerlinge van den [312] Gekruisten Jezus en in mijn liefde jegens u, mijn kinderen, mijn zusters en mijn leerlingen in zijn school, te kort te schieten; als ik u niet vanaf mijn sterfbed zou vermanen, steeds in dit huis den geest des Heeren te bewaren, die is een geest van zelfverloochening, van versterving, van liefde en van vrede. Bovenal ga u de liefde ter harte, de band van alle deugden. Richt die liefde allereerst op uw beminnelijken Bruidegom Jezus. Bemint na Hem bovenal Maria, die het met wederliefde zal vergelden en u met genaden zal vervullen. Bemint verder elkander met edelmoedigheid en geduld. Doet gij dit, dan zult gij een paradijs op aarde bezitten, een geestelijken tuin, waar de schoonste rozen van deugd zullen bloeien, weliswaar niet zonder doornen, maar met doornen, wier wonden zoetheid en voldoening schenken, zij het soms vermengd met eenige dorheid des geestes. Blijft vurig in den dienst des Heeren en weest tot het uiterste gehoorzaam van verstand en van wil aan overste en geestelijken leidsman. Laat dit klooster niet zonder zin de naam paradijs zijn geschonken. Het zal een paradijs voor u zijn, als gij het Lam volgt, dat gehoorzaam is geweest tot den dood des kruises. Het beteekent weinig met Hem den Thabor, veel met Hem Calvarië te bestijgen, Hem te volgen in den nood, in de bekoring, de dorheid, de verlatenheid, ontbering, ziekte en andere wederwaardigheden van dit leven. Blijft [313] ge met de drie nagelen der beloften met Hem aan het kruis, dan zult gij ook met Hem zegepralen. Maar prent diep in uw geest, dat gij uit u zelve niets vermoogt. De nederigheid is de grondslag van alle deugden. Eindelijk beware de vreeze des Heeren als een balsem al uwe deugden, maar matigt toch uw vrees door het vertrouwen op de barmhartigheid van een God, die zich ter liefde van u liet kruisigen.

Bewaart ge deze lessen, dan zal de H. Geest u verlichten en door de gehoorzaamheid den weg doen bewandelen, die u zeker voert naar het hemelsch paradijs.”

Zij mocht zoo spreken. Zelf was zij dien weg gegaan. Thans wenkte haar de Bruidegom aan de poort van het Paradijs.

“Op U, Heer, heb ik mijn hoop gesteld, nooit zal ik beschaamd worden, in eeuwigheid niet”, riep zij nog uit met den Psalmist. En onder het lispelen van haar gewone schietgebed: “Jezus, mijn liefde en Zoon van den levenden God, ontferm u mijner” sloot zij voor altijd de oogen des lichaams om met die des geestes in alle eeuwigheid te schouwen in het eeuwige Licht.

De klokken der kloosterkerk hadden juist het uur der Metten geluid. Met die Metten was de vier- en-dertigste verjaardag van haar geboorte begonnen. Op denzelfden dag, waarop haar aardsche oogen [314] het levenslicht aanschouwden, werden ook de oogen harer ziel voor de aanschouwing van het hemelsch Licht geopend. 25 Januari 1495 was de roos, die ruim vijftien jaar in de wereld, andere vijftien in den Carmelhof van Parma en nu ruim drie jaar in Carmels Paradijs te Mantua had gebloeid, in de oogen van den hemelschen Hovenier schoon genoeg om naar de hemelgaarde te worden verplant.

De kloosterklokken hadden juist het uur voor de Metten geluid, ook in het klooster te Parma. De Zusters waren reeds bijeen om de Metten te beginnen. Daar opent zich een deur, die wegens uitzetting van het hout door het vocht noch geheel gesloten noch geopend kon worden. Niet zonder eenige ontsteltenis zien de Zusters deze deur opengaan, doch verder bespeuren zij niets. Alleen de eerbiedwaardige Priorin Scolastica de Lotesi, ziet de beminde Moeder Archangela, die zij voor drie jaren opvolgde, binnentreden. Zij ziet de ontsteltenis der zusters, doch begrijpt die niet en vraagt haar: “Ziet ge dan Moeder Archangela niet?” Zij gaat haar tegemoet en fluisterend zegt zij: “Wees welkom, Moeder, neem uw plaats in in ons midden, want gij zijt nog altijd onze moeder, na de Metten kunnen we verder spreken”. En Moeder Archangela nam hare plaats in en volgde een kwartier lang het godvruchtig koorgebed. Toen zag haar ook Moeder Scolastica niet meer. [315]

Na de Metten werd de wonderbare verschijning besproken. De stipte overste gevoelde, dat er reden was het strenge stilzwijgen te verbreken. Alleen zij had, zooals nu bleek, de verschijning gezien, maar de opening der deur was voor allen een aanduiding, dat haar gezicht geen spel der verbeelding was.

Al spoedig rees het vermoeden, dat de Zalige was gestorven en nog een laatsten groet aan haar dierbaar Parma had mogen brengen.

Al spoedig bleek dit vermoeden werkelijkheid.

Nog andere wonderbare feiten bevestigden intusschen Archangela’s hemelsch geluk. Niet slechts werd drie jaar na haar dood haar lichaam geheel ongeschonden, buigzaam en als dat van een slapende weergevonden, maar tot driemaal toe steeg bij die blijde ontdekking uit haar borst een vlam op, die een bij het lijk geplaatste kaars ontstak. De bisschop beschouwde dit als een aanduiding, dat God hare openlijke vereering wilde en vroeg dan ook aan Paus Alexander VI verlof tot die vereering. De Paus stond de verheffing harer overblijfselen toe, die nu in een kostbaar schrijn op een rijk marmeren altaar ter openlijke vereering werden uitgesteld. Steeds meer gunsten bevestigden en verspreidden die vereering, totdat deze eindelijk als sinds onheugelijke tijden haar geschonken plechtig door het pauselijk gezag bevestigd werd in 1864, toen Pius [316] IX haar naam in de lijst der Zaligen deed opnemen.

Intusschen hadden te Mantua zware stormen over het kleine klooster gewoed.

In 1782 kwamen gewelddadige handen het op last van Keizer Jozef II sluiten. Op de goederen werd beslag gelegd. De kostbare relikwie stond voortaan onder keizerlijk toezicht. Het stond met een ontheiliging gelijk. Om haar daarvoor te behoeden vroeg de Overste der Annunciaten van Archangela’s geboorteplaats Trino, de heilige relikwie voor Trino. Zij werd haar toegestaan en met grooten luister werd nog in September van hetzelfde jaar het heilig lichaam van de Zalige Archangela overgebracht naar Trino. Het geniet er nog heden de vereering der geloovigen.

Haar feest is in de Orde van Carmel gesteld op 6 Februari.



  1. Published in: Titus Brandsma, Arnoldus Wijtenburg, Carmels Heiligen. De Heiligen en Zaligen van de Orde der Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, Vol II, Oss 1928, 293-316. Reprinted in: Titus Brandsma, Arnoldus Wijtenburg, Helden van den Carmel. Heldenevens van Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, Amsterdam [1940], 293-316.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021