De Zalige Jacobinus de Canepaciis

Titus Brandsma/Arnoldus Wijtenburg

1928

Book chapter

 

De Zalige Jacobinus de Canepaciis

[1]

Een groot uitgestrekt dal, ’n bijna horizontale vlakte, door de rivier de Po in tweeën gesneden, strekt zich uit op de grenzen van Zwitserland. Slechts naar het Oosten, waar het Lago Maggiore en de Tessino de grensscheiding met Lombardije vormen, is het land open, en vrij loopt het groote Po-dal in ’n effen vlakte voort tot aan de Adriatische zee. Aan alle andere kanten wordt Piemont door hooge bergen ingesloten. Hier verheffen zich de geweldige Monte Rosa, de groote St. Bernard, de reus onder de europeesche bergen, de Mont Blanc en andere ver boven de linie der eeuwige sneeuw omhoog stijgende rotskruinen. Hoe verder men zich van deze hooge grensmuren verwijdert, des te milder wordt het klimaat, en in het eigenlijke Po-dal ontwikkelt zich, beschut voor den ijzigen noordenwind, ’n weelderige overdaad van zuidelijke plantenteelt in haar ganschen omvang. [334]

In deze liefelijke streek, aan den weg van Turijn naar Milaan, ligt het thans 20.000 inwoners tellende stadje Vercelli, denzelfden naam voerend als het in de derde eeuw gestichte bisdom, nu de zetel van een aartsbisschop.

In de nabijheid van genoemd stadje, in de wijk Plascha, werd in het midden der 15de eeuw – algemeen neemt men aan in 1438 – de zalige Jacobinus de Canepaciis of gelijk anderen lezen de Cravacorio geboren, over wiens leven de geschiedenis helaas weinig bijzonderheden bewaard heeft. Zijn ouders waren arme, maar echt christelijke menschen, die met hard werken moesten voorzien in hun onderhoud. Ze waren zooals de H. Kerk dat van haar trouwe kinderen verwacht. De vader was de strijder, die in het bewustzijn van plicht en kracht, fier de stormen des levens trotseerde; de moeder was door God en de engelen bewonderd, ’n heldin, tentoonspreidend aan ziekbed en wiege, schatten van toewijding en liefde. De huiselijke haard was ’n heiligdom, waar vrede ten troone gezeteld, onschuld veilig is; ’t was ’n bakermat van manneneer, hechte deugd en kinderlijk plichtbesef. Kort na z’n geboorte werd dit jeugdig knaapje uit de ouderlijke woning gebracht naar de woonstede Gods, het zieltje werd blank gewasschen van de noodlottige erfsmet en door de H. Olie en Chrisma het lichaam gewijd den H. Geest tot levenden tempel. [335]

Als z’n nijvere vader rusteloos arbeidde en zwoegde en de zorgzame moeder drijven en streven der wereld vergat om alleen voor man en kroost te leven, dan ging het nog geen zorgen des levens kennend knaapje naar buiten, zich één voelend met de hem omringende, van leven stralende natuur, om in vroolijkheid z’n lied te zingen, of zich, tevreden met sobere spijs in het spel te verpoozen.

Maar bij het toenemen der jaren, moest hij ook groeien in behagen bij God en de menschen; de ouders kenden hier hun zware verplichtingen. Met wijsheid en liefde gewenden zij hem van jongs af aan zelfbeheersching, beteugeling van eigen zin en kleine verstervingen; ze wisten te goed, dat zonder zelfoverwinning z’n deugd niet duurzaam, niet bestand was tegen de vuurproef der bekoring. De met mededeelingen zoo uiterst spaarzame geschiedschrijver wijst hier vooral op één deugd door de ouders aan hun lieveling geleerd: de vereering der H. Maagd, waardoor hij z’n zieleleven sterkte; het beeld van Gods Moeder, waarvoor hij zoo menigmaal neerknielde ter volharding in den strijd bij het ontluiken der hartstochten, was z’n grootste schat. Maar die Maria-vereering was voor den vurigen Italiaan, die bij het klimmen der jaren te meer het jonge bloed onstuimig in de aderen voelde bruisen, geen gevoelsgodsvrucht; hij zag in Maria niet alleen de teedere Moeder, maar ook de sterke [336] Vrouw. Het dikwijls en devoot herhaald Wees Gegroet, de overweging van des engels lofspraak, Maria’s berustend antwoord, de beschouwing van haar overgave aan God, leerde hem ootmoed, voorzichtigheid, en vertrouwen op ’s Hemels voorzienigheid. En de gedachte aan de droeve Moeder onder het kruis staalde hem, deed hem niet ondergaan bij ’s levens wee, maar vol vertrouwen betere dagen afwachten.

’t Zal eerst op den jongsten dag blijken, maar nu reeds kunnen we er met groote waarschijnlijkheid toe besluiten: het getal kloosterlingen, dat zich aan God toewijdt, zonder het bederf der wereld gekend te hebben, is veel grooter dan dat van hen, die in de boetvaardige eenzaamheid der kloostercel hun kruisbeeld met berouwvolle tranen moeten besproeien, de grove afdwalingen van ’n zondig wereldsch leven beweenend. Al werden de eersten door deugdzame ouders en ervaren zieleherders voor veel geestelijke ellende bewaard, al hebben ook zij reden in overvloed om met den koninklijke Zanger het Miserere aan te stemmen in vermorzeling des harten, – indien Ge op onze ongerechtigheden acht geeft, Heer, wie zal bestand zijn – het zaad der kloosterroeping ontkiemt gemakkelijker op ’n veld, dat vrij is van het onkruid der zonde, dan op de dorre akker waar het jonge sprietje zich eerst door de distels en doornen moet wringen, om zich te kunnen koesteren in Gods liefdezon. [337]

Evenals de jonge man uit het evangelie vernam Jacobinus ook in ’s levens lente ’s Heeren woord: Indien ge volmaakt wilt zijn, ga, verkoop al wat ge hebt, geef het den armen en ge zult ’n schat in den hemel bezitten; kom en volg mij. En beter dan bij het evangelisch voorbeeld, vond die goddelijke stem weerklank in zijn onbedorven gemoed; zijn besluit stond vast: hij wilde het enge bergpad op van den Carmel. Zag hij niet in het gouden nevelig licht met z’n schuldelooze oogen de torens van de hemelsche stad Jeruzalem wenken? Met St. Petrus, die toch ook maar ’n visschersboot en wat netten te missen had, juichte de aan aardsche goederen arme jongen: Heer, we hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. Maar hij begreep ook, dat de goddelijke Meester z’n hart van alles wilde losmaken.

Te Vercelli, het vijfde der veertien Carmelietenkloosters der Lombardijsche ordesprovincie, bood hij zich aan: hij wilde ’n heilige worden, het simpele grauwe gewaad der leekebroeders om z’n lenden gorden, en tot de nederigste diensten zich altijd bereid toonen. Hij wist, dat de volmaaktheid van z’n staat geheel besloten lag in z’n plichten jegens God, zijn naaste en zichzelven, en die te volbrengen met onvermoeibaren ijver, met een door niets te breidelen vurigheid. Z’n plicht! Dat was geheel z’n bezigheid, geheel z’n leven, want hij wist, dat hij daarvan eenmaal aan God rekenschap moest geven. [338]

Met z’n heiligen vader Elias herhaalde hij het: De Heer leeft, voor wiens aangezicht ik sta, en de stage oefening der tegenwoordigheid Gods schonk hem een krachtig gevoel van verantwoordelijkheid in de deugd, wat juist den man Gods kenmerkt. Geen streven naar deugd zonder versterving, zeide hij tot zich zelf, en het “verdraag en onthoud u” der ouden heiligde hij door de Sacramenten.

Met toestemming der oversten vastte hij vier dagen in de week op water en brood. In ’t Brood der engelen, dat in zijn voorafbeelding aan Elias de kracht schonk op zijn weg naar den berg Horeb, vond hij alles, om goed kloosterling, degelijk Carmeliet te zijn.

Meen niet, lezer, dat z’n kloosterleven zorgeloos daarheen ging, dat hij iederen dag in jubel des harten zijn Alleluja kon aanheffen. Neen, zegt de geschiedschrijver, het grootste gedeelte van z’n leven was hem het door de natuur weinig gezochte ambt opgedragen van collecte-broeder; bijna vijftig jaar bracht hij door met het inzamelen der liefdegaven voor het hem dierbaar klooster. Hij had het dikwijls noodig zich in den geest te vereenigen met z’n heilige Moeder op haar in bange zorgen ondernomen tocht naar Betlehem, haar moeizame voetreis naar ’t bergland van Hebron, haar nachtelijke vlucht naar ’t heidensch Egypte. Want smaadwoorden bleven hem niet gespaard; ’n spotlach was soms ’t grievend antwoord op z’n nederige bede, ’n smaadvolle af- [339] wijzing het loon zijner moeite. En hij berustte.

Maar wat verstond hij het, met geestelijke aalmoezen – zachte woorden vol innige liefde – de blijde gevers te loonen. Wat klonken ze bemoedigend van z’n vriendelijke lippen de woorden van troost voor de arme weduwe, haar penningske offerend; de dankbare heilwenschen voor de met aardsche goederen rijk gezegenden, die hem hun goud aanboden. En God stemde de harten der geloovigen gunstig, zoo zelfs, dat hij met van vreugde schitterende oogen den tevreden lachenden overste de blijde tijding kon brengen, dat de stichting van Luino’s klooster verzekerd was. ’n Stralende vreugde daalde over z’n ziel en ’n innige liefde doorhuiverde hem dien avond, toen hij voor z’n Maria-beeld knielend Gods Moeder bedankte voor die machtige voorspraak bij haar goddelijken Zoon.

Jarenlang had nu de Heer zijn rechtvaardigen dienaar langs de rechte wegen geleid van ’t religieus leven; Hij had hem getoond, dat hij daar het rijk Gods had te zoeken; Jacobinus was al dien tijd ’n trouwe en voorzichtige dienstknecht geweest, en toen de Heer kwam aankloppen, werd hij wakende bevonden; nu verdiende de goede getrouwe ook de vreugde des Heeren binnen te treden.

Men verhaalt, dat Maria hem verscheen in zijn armoedige cel om hem de naderende belooning aan te kondigen. [340]

Weer herdacht hij, de nu zeventigjarige grijsaard, den herinneringsdag van z’n doopsel; dien dag zou ook de stralende zon van z’n hemelsch geluk ter kimme rijzen. Afgetobd in het harde werk, verzwakt onder den last der jaren, lag hij daar ter neer op z’n ziekbed, dat ook z’n stervenssponde werd. O, de wereld kende den eenvoudigen man niet anders dan als den bedelmonnik, die den zak op den gekromden rug de straten afliep, maar in Gods oog welke tegenstelling! Van het oogenblik, dat hij den Carmel begon te beklimmen, had hij elken dag z’n geweten onderzocht, z’n kwade neigingen onderdrukt, elk jaar z’n rekening opgemaakt, dikwijls gebiecht en hoogtijd gehouden. Tucht, zoo getuigden altijd z’n levensdaden, was de groote drijfveer van z’n sterk en edel leven. Hij leefde aan de zijde van Jezus en Maria, begon en eindigde met hen z’n kloosterdag. Kon hij dan niet met den grijzen abt Hilarion vredig kalm tot zich zelf spreken: Ge hebt bijna zeventig jaar Christus gediend, en zoudt ge dan voor den dood vreezen?

Neen, niemand sterft zoo gelukkig als ’n goed kloosterling omringd van z’n broeders.

Jacobinus ondervond het.

De diepe klanken der bronzen klokkenstemmen gingen over de stad, en meldden den dood van Gods dienaar.

De heilige aartsbisschop van Milaan, kardinaal [341] Carolus Borromaeus, aan wien de orde van Carmel zooveel verplichtingen heeft, als aan z’n machtigen beschermheer, zag er ’n bewijs van dankbaarheid in, als men hem het stoffelijk overschot van den heiligen leekebroeder wilde schenken, opdat hij het ten altare zou verheffen in zijn kathedraal. Hij mocht, helaas, z’n vurigen wensch niet in vervulling zien gaan; God had het anders beschikt. Aan Paus Gregorius XVI, die van 1831 – 1846 Gods Kerk bestierde, was het voorbehouden, hem de eer der altaren te schenken.


  1. Published in: Titus Brandsma, Arnoldus Wijtenburg, Carmels Heiligen. De Heiligen en Zaligen van de Orde der Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, Vol II, Oss 1928, 333-341. Reprinted in: Titus Brandsma, Arnoldus Wijtenburg, Helden van den Carmel. Heldenevens van Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, Amsterdam [1940], 333-341.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021