De Zalige Joanna Scopelli 1418-1491

Titus Brandsma/Arnoldus Wijtenburg

1928

Book chapter

 

De Zalige Joanna Scopelli 1418-1491

[1]

Mistig grijze nevels trokken langzaam op; de zwarte bergen, die de Noord-ltaliaansche stad Reggio als met een granieten gordel omsluiten, begonnen zich af te teekenen tegen den langzaam lichter wordenden horizon. Welhaast waren de nevelsluiers opgetrokken, en verhief de lachende zon zich aan den hemel, met haar koesterende stralen leven en glans schenkend aan alles, wat zij met haar goud overstroomde. Uit duizend vogelen-kelen klonk den Schepper een lied toe van lof en dank.

In de woningen rondom ontwaakten de menschen, en togen ten arbeid. Daar treed een nijvere landman, het gereedschap op den schouder, zijn eenvoudige woning uit; hij weet, dat arbeiden zonder gebed slavernij is, en heeft eerst Gods zegen over zijn werk afgesmeekt; dan groet hij vrouw en kinderen en begeeft zich opgewekt naar den akker, die tegen de helling van een der heuvelen ligt, het kleine grondbezit van den eenvoudigen landman. [264]

Wel had Simone Scopelli niet meer dan zijn dagelijksch brood voor zich en zijn gezin, maar hij was tevreden, en het geluk zeide hij altijd, bestaat niet in rijkdommen, maar in weinig behoeften. Had de Alwijze Schepper van hemel en aarde hem en zijn huisvrouw slechts spaarzaam tijdelijke goederen toegemeten, de schat dier voorbeeldige christenen bestond in hun drie kinderen, hun drie dochters, die zij in de vreeze des Heeren groot brachten.

Vooral in Joanna, met wie God in 1418 hun echt verblijdde, vonden zij hun troost en vreugde. De oprechte blijdschap, die het vrome echtpaar smaakte in ’t bijzijn van hun Joanna, was de milde belooning voor de wijze raadgevingen, krachtige opwekkingen en stichtend voorbeeld, waardoor zij van hun kind gemaakt hadden een reine maagd, onbekend met het bederf der wereld, een blanke duive gelijk, opstrevend naar de eeuwige liefde-zon.

Alhoewel nog jong had zij begrepen, dat slechts Eén waardig was, de genegenheid haars harten ten volle te bezitten. Aan Hem, die der menschheid zoo groot eene liefde had toegedragen, dat Hij voor haar den dood had doorstaan op het schandhout des kruises, wilde zij haar hart verpanden.

Zóó innig en hartelijk was haar omgang met Jezus, zóó nauw was haar hart vereenigd met dat van den hemelschen Minnaar der menschen, dat zij op haar teederen leeftijd met het licht der goddelijke [265] genade voller en rijker bestraald werd, dan haar deugzame huisgenooten konden vermoeden. Toch moest dit ten slotte wel zeer duidelijk blijken. Want het “Vraagt en gij zult verkrijgen”, ging bij de bevoorrechte ziel volmaakt in vervulling; het scheen, dat haar gebed alles vermocht op den Bruidegom der maagden. Niemand kon bidden, als zij, met zoo’n onwrikbaar vertrouwen, met zulk een vaste hoop verhoord te worden.

Geen wonder derhalve, dat vrienden en magen haar tusschenkomst verzochten, wanneer zij van God een gunst begeerden. Ook hare beide zusters erkenden met een van vreugde stralend gelaat, dat het aan het gebed van Joanna moest worden toegeschreven, dat zij een gelukkig huwelijk hadden gesloten.

Nu zou men verwachten, dat voor die bevoorrechte maagd spoedig de kloosterpoort zou ontsloten worden. Inderdaad, dat was haar vurig verlangen; reeds had zij de dagen geteld, die haar nog scheidden van dat eenig voor haar bestaanbaar geluk, maar God wilde nog, dat zij in de wereld bleef.

Hare ouders hadden door de echtverbintenis hunner beide andere dochters een grooten steun verloren, en om nu nog niet meer in verlegenheid te geraken, gaven zij aan Joanna den wensch te kennen, dat zij alsnog een behulpzame hand zou bieden bij de tal- [266] rijke werkzaamheden in het vaderlijk huis. De stem der ouders was voor haar de stem van God en zij berustte kalm in het onvermijdelijke.

Maar van dien dag zag men Joanna niet meer in het gewaad van jonge dochter in de wereld, maar – naar een in dien tijd meermalen voorkomend gebruik – kleedde zij zich in habijt en scapulier van de Carmelietenorde, en leidde zij in den huiselijken kring een leven, slechts gewijd aan God en de H. Maagd, een leven waarin zij zooveel mogelijk den regel volgde, welke later door Paus Nicolaas V voor de Carmelitessen werd goedgekeurd.

Als haar voorbeeldige ouders eenigen tijd later een godvruchtigen dood gestorven waren, weerhield haar niets meer in de wereld. Ja, in navolging van haren seraphijnschen landgenoot, den H. Franciscus van Assisië verzaakte zij aan haar ouderlijk erfdeel, liet het haren nabestaanden over en trok zich, alleen de beeltenis van haar gekruisigden Heiland voor zich behoudend, terug in de nederige woning van een arme godvruchtige vrouw. Waarschijnlijk hadden toen reeds eenige meisjes aan Joanna haar voornemen te kennen gegeven, dat ook zij God van meer nabij wenschten te volgen: want op zekeren dag deelde Joanna haar gulle gastvrouw mede, dat zij een klooster wilde stichten.

Glimlachend schouwde deze Joanna in de oogen, en twijfelend vroeg zij haar, waar zij wel de schatten [267] dacht te halen, benoodigd voor zulk eene onderneming.

Om die vraag te beantwoorden had de Zalige in haar onwrikbaar vertrouwen op den steun van Boven, slechts weinig woorden noodig, Zij neemt haar kruisbeeld, en terwijl zij het voor de oogen der verbaasde vrouw een weinig in de hoogte heft, zegt zij met kalmen ernst: “Ziedaar den sleutel, die alle schatkisten opent.” Inderdaad, lezer, wel een behartigenswaardig woord voor een ieder, om nooit te versagen in het vertrouwen op Dengene, die den wil doet van die Hem vreezen, en veel eerder nog van die Hem vurig beminnen.

En ziet nu, hoe dat steunen op Gods vaderlijke voorzienigheid beloond werd.

Op zekeren dag komt een rijk. met aardsche goederen gezegende weduwe tot haar. Zij heeft eindelijk in een der zijstraten de arme stulp ontdekt, waar Joanna Scopelli verblijft, van wie men haar zooveel wonderbaars verhaald had. Na den dood van haar beminden echtvriend biedt de wereld haar niets meer aan, waarin zij haar geluk kan stellen, en zij heeft in overleg met haar beide devote dochters het besluit gemaakt haar huis, in de nabijheid van den H. Petrus-tempel, tot klooster in te richten. Voortaan wilde zij in stille afzondering, in gebed, en overweging der eeuwige waarheden, de stonde verbeiden, waarop God haar van [268] deze troostelooze aarde in het verblijf der zaligen zou opnemen.

En wie zou, spraken zij tot elkander, ons beter en gewichtiger diensten kunnen bewijzen bij de uitvoering onzer plannen, dan Joanna Scopelli, de bevoorrechte maagd van Jezus Christus.

Gods liefde prijzend, drukte Joanna haar kruisbeeld in vervoering aan de lippen; die blijde tijding bracht haar een heel stuk verder in de volvoering van haar voornemen.

En nu werd gezamelijk de dag bepaald, waarop zij haar kloosterleven zouden beginnen. Omdat zij waren overeengekomen de onthechting aan het aardsche zoo streng mogelijk door te voeren, was haar kloosterlijk verblijf spoedig gereed, en nu begon dat heldhaftig leven van gebed en boetvaardigheid, afgewisseld door lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid, dat ons bij het lezen der levens van Gods bevoorrechte dienaren en dienaressen zoo dikwijls tot geestdrift stemt, ach, waarom ook niet tot navolging doet besluiten!

Het beschouwend met het werkend leven verbindend, begaven de godgewijde vrouwen zich naar het vertrek als bidplaats ingericht, zoo gauw de torenklok van den St. Pieter zijn twaalf slagen door het nachtelijk duister liet dreunen, en voordat de avondschemering daalde hadden zij met den Profeet zevenmaal zich vereenigd om haar gods- [269] dienstige plichten te vervullen. De tijd, die nog restte, vond haar gebogen over naaldwerk of over het kunstig beschreven perkament van een of ander godvruchtig boek.

Wat kon Joanna zich gemakkelijk met de beminnelijke hemelbewoners onderhouden, terwijl niets op aarde in staat was in die kostbare uren ook maar in lichten graad haar zoete godsvrucht te verstoren.

De heiligen zijn onuitputtelijk in het vinden van middelen, om Gods zegen over de wereld af te trekken en doen dat soms op eene manier, die ons ongeloovig doet glimlachen, terwijl bij nadere beschouwing, wij toch moeten toegeven, dat het alleen onze kleinzieligheid, onze geestelijke ellende en gebrek aan vertrouwen is, welke die twijfelzucht opwekken.

Als Joanna Scopelli in haar werkelijk onbegrensd vertrouwen een gunst van den hemel verlangde, dan nam zij haar toevlucht tot de Moeder van Carmel, de Moeder van Jezus Christus. En dan bad zij, zoo verhaalt ons de geschiedschrijver, den groet van den engel Gabriel tot vijftienduizend maal. Telkens wanneer zij het honderdste Wees Gegroet gebeden had, steeg een Salve Regina uit haar hart op, en had zij eindelijk voor het laatst het aan Maria zoo dierbaar gebed herhaald, dan volgde met onverflauwden ijver zeven maal het “Wees gegroet, o Sterre der Zee” en den lofzang, “O Glorievolle [270] Koningin”. Die heele reeks van gebeden noemde zij in haar kinderlijke godsvrucht “het Kleed van Maria”, geweven van hemelsche zijde, waarin ieder Wees Gegroet een draad vormde.


In zoet verkeer met God en de hemelingen waren nu vier jaren heengesneld, en het volk van Reggio had de kleine kloostergemeente lief gekregen. Nooit ging men tevergeefs zich aanbevelen in het gebed dier vrome vrouwen, nooit ging men ongetroost henen uit hare stichtende tegenwoordigheid, altijd ontving men een wijze voorlichting.

Een troostelooze moeder ging op zekeren dag haar van weedom brekend hart bij Joanna uitstorten. Een andere Monica gelijk, schreide zij over de afdwalingen van haar innig geliefd kind. Als een andere Augustinus was hij, verlokt door de dwaalleer der Manichieën, van den rechten weg afgeweken, en een leven, waarin zingenot en hoogmoed om den voorrang kampten, was nu gevolgd.

Joanna beloofde de ontroostbare vrouw haar steun in het bekeeringswerk, en met veel vasten en strenge nachtwaken trachtte zij van den hemel die groote genade te verkrijgen. Maar de geest der duisternis, de duivel, bevreesd, dat die kostbare prooi hem zou ontglippen, stelde alles in ’t werk om Joanna te overreden van haar godvruchtige werken af te zien. En evenals de groote profeet Elias [271] onder de vervolgingen van koningin Jezabel den moed een oogenblik liet zinken, zoo kwamen ook de nevelen der ontmoediging in het arme hart van Joanna de lichtglanzen van het vertrouwen verduisteren. Maar slechts één oogenblik.

Want de Koning der glorie verscheen haar, omstuwd van een schitterenden stoet van hemelingen en sprak haar weer moed in, de bekeering van dien afgedwaalde beloovend.

Niet lang daarna was de geheele stad inderdaad getuige van Joanna’s triomf over de machten der hel; de jongeling zwoer openlijk zijn dwaling af en zijn rouwmoedig levensgedrag stichtte een ieder. De geschiedenis van de H. Monica en den H. Augustinus had zich weer herhaald.

Ongetwijfeld boden er zich in de eerste drie jaren talrijke heldhaftige zielen aan bij de Zalige, verlangend onder haar ervaren leiding zich op een volmaakt leven te gaan toeleggen. Want haar klooster bleek te klein en de Zalige zag uit naar een geschikter verblijf.

Bij de grijze stadspoort van Reggio lag een klooster bewoond door de Humiliaten, een vereeniging van kloosterlingen, die den regel van den H. Benedictus volgden; de kerk daarbij behoorend was toegewijd aan den H. Bernardus. Wijl het in dien tijd verlaten stond, hoopte de Zalige vurig, het te mogen betrekken. Maar hoe moest zij aan de noodige [272] gelden komen om dat convent te koopen? Het huis, tot dan toe door haar bewoond, bracht nog niet de helft op van hetgeen noodig was, om de nieuwe woning in eigendom te krijgen.

Maar nu zien wij de Zalige den “Sleutel” weer gebruiken, “die alle schatkisten kan openen”. Voor haar kruisbeeld neergeknield, bidt zij weer met een vertrouwen zóó vast en onwrikbaar, alsof zij van te voren wist, dat zij ontwijfelbaar zou verhoord worden.

En zie, daar verschijnt haar de Patroon der vurig begeerde kerk, de H. Bernardus. Wat straalt hij schoon in het glanzende glorielicht; het boetekleed omsluit nog zijn verheerlijkte ledematen; zijn haarkrans schijnt een gouden aureool. Hij komt tot haar als de boodschapper van den goddelijken Bruidegom van haar hart, en in zijn naam verzekert hij haar, dat kerk en klooster binnenkort aan haar zorgen zullen worden toevertrouwd.

En als de verschijning verdwenen is, en rondom haar weer alles zijn gewoon voorkomen heeft, staat zij op en vergadert haar kloosterlingen, om ze deelachtig te maken aan het blijde nieuws.

Nu ging ze onbevreesd tot den bisschop Philippus Zoboli, openbaarde hem in den grootsten ootmoed haar hartewenschen, en liet verder alles aan God over. En God, die de harten der menschen als was kneedt, stemde ook het hart van dien kerkvoogd [273] gunstig. Er volgden nu onderhandelingen met den algemeenen overste van de orde de Humiliaten, die met gunstig gevolg voor de Zalige bekroond werden. Toch ontbrak het ook hier niet aan tegenwerking.

Een vrouw van invloed en stand deed alwat in haar vermogen was, om die overdracht ongedaan te maken; en zelfs een priester ontzag zich niet, haar in dat onedel pogen te steunen. Ja, het scheelde maar weinig, of Joanna was uit het nieuwe klooster weer verdreven; maar zij wist, dat groote verheven zaken nu eenmaal niet tot stand komen zonder moeielijkheden, en dat, waar het kruis is, ook Christus is.

Ten slotte vierde de zaak van God haar zegepraal: Joanna en hare medezusters bleven in het ongestoord bezit van klooster en kerk.

Alhoewel historische gegevens ontbreken, kunnen wij als zeer waarschijnlijk aannemen, dat reeds vóór het betrekken van de nieuwe woning, de vrome vrouwen met de Carmelietenorde in verbinding stonden, en dat zij reeds haar professie als Carmelitessen hadden afgelegd uit kracht van de bulle van Nicolaas V.

Hoe ’t zij, thans konden zij naar waarheid de echt Carmelitische levenswijze volgen, wat tot dan toe, voor het uitwendige althans, niet goed mogelijk was geweest. ’t Was nu een geregelde [274] communiteit, waarin gebed, versterving, zusterliefde, de oefeningen van het gemeenschappelijk leven, zooals het koorgebed en ontspanning de facetten waren, welke de schoonheid nog verhoogden van den schitterenden diamant, die het kloosterleven is.

Als overste van deze heilige kloostergemeente bleef zij, zooals zij altijd geweest was: een voorbeeld voor anderen en zij leidde die uitverkorenen onder de lievelingen van Jezus met zachten drang op den weg der volmaaktheid. Dank zij haar weldadig bestuur waren die verstorven religieuzen door eene innige vereeniging met Jezus, edelmoedigheid en volkomen onthechting. slachtoffers van de goddelijke liefde.

De Schepper van hemel en aarde had aan hare ziel een onzegbaar groote schoonheid geschonken, een schoonheid wel onzichtbaar voor de wereld. maar toch zóó verheven, dat zij in staat was de engelen in verrukking te brengen en met eerbied te vervullen.

Haar opwekkend woord moest dus – hoe kon ’t anders? – voor haar geestelijke kinderen een licht, een kracht en troost zijn.

Hoe hoog zij haar moeielijken post opvatte, blijkt uit het vrome gebed, dat zij dagelijks naar Gods troon opzond:

“H. Vader, almachtige, eeuwige God, verhoor mij, Uw onwaardige dienares Joanna, die U barmhartigheid afsmeekt en op U vertrouwt. Leg in mijn [275] mond het juiste woord en in mijn hart het ware licht, versterk mijn geest, dat hij heilig blijve, opdat niet het geweld van den ouden vijand of de zinnelijke lusten in mijn lichaam strijd doen ontstaan. Laat nooit toe, dat mijn zintuigen mij tot dwaasheden verstrooien; moge geen onwaardige taal, geen kwaadspreken of leugentaal, maar heilige woorden komen van mijn lippen, opdat Uw naam verheerlijkt worde, die in eeuwigheid gezegend zij. Gedenk Heer, degenen, die in Uwen naam vergaderd zijn; sluit den mond niet van hen, die U lofzingen en laat onze smeekingen genade vinden in Uwe oogen”.

De voorzichtige biechtvader wilde haar deugd eens op den proef stellen en gelastte haar, die overdreven gestrengheden, zooals hij voorgaf, na te laten, en wat in ’t bijzonder haar gebed betrof, verbood hij, meer dan één Wees Gegroet te bidden. Wat de beproeving nog zwaarder maakte was, dat het dien dag juist de vigilie was van het feest, waarop de Kerk de blijde boodschap herdenkt van den engel Gabriël aan de H. Maagd. Maar Gods plaatsbekleeder had gesproken, en: gehoorzaamheid boven alles. Zóó aangenaam was deze harde versterving aan den goddelijken Bruidegom van haar hart, dat zij den geheelen nacht in geestverrukking doorbracht. De zoetste vertroostingen en hemelsche vervoering van liefde waren het loon, waarmede Jezus haar schadeloos stelde. [276]

Op gevorderden leeftijd werd zij meermalen in geestverrukking opgevoerd, en dan ontsluierde zich somtijds de toekomst voor hare oogen.

Eens, ’t was in de lijdensweek, vroeg zij de zusters zich met haar in ’t gebed te willen vereenigen, opdat toch de verdiensten van Jezus’ bloedig offer overvloedig mochten nederdalen over de arme menschheid.

Plotseling raakt zij in extase.

Zij ziet het aardrijk door sombere nevelen verdonkerd en de Zon der gerechtigheid achter grauwe wolken van droevig lijden schuilgaan; en haar hart, als ware zij lichamelijk bij dat smartelijk gebeuren tegenwoordig, dreigt te breken van weedom en medelijden. Drie uur lang doorleefde zij dit visioen; het had haar gesterkt in den geestelijken strijd; en opgewekt tot nog vuriger liefde, hervatte zij weer haar dagelijksch werk.

’t Was bij een andere gelegenheid, dat Jezus haar de verzekering gaf, dat Hij voor de tijdelijke aangelegenheden des kloosters zou zorg dragen.

Hoe menigmaal had de zuster met de geldelijke zorgen voor het klooster belast, zich al bij haar beklaagd, dat zij niet over voldoende middelen kon beschikken voor het dagelijksch onderhoud der zusters. “Och kind,” zeide zij dan, “waar is uw vertrouwen; Hij, die de vogelen des hemels voedt, zal immers ook ons niet vergeten. Jezus heeft het [277] mij ten stelligste beloofd, dat Hij ons niet zal verlaten. Moed dus, mijn dochter.”

En zie, niet lang daarna komt een vrijgevig burger, Grisante de Correggio, aan de kloosterpoort en zegt, dat hij in ’t vervolg op onbekrompen wijze voor de geliefde bruiden van Christus zal zorg dragen.

Ook omtrent de toekomst van een edelvrouw der stad, Julia Sessi, had Jezus haar verlicht. Een hevige ziekte had haar aan de lijdenssponde gekluisterd. Doch toen men Joanna Scopelli daarvan in kennis stelde, zeide zij op stelligen toon: “Wacht nog een weinig tijds; weldra zal de genezing intreden en de zieke zal binnenkort haar eersteling aan ’t hart mogen drukken.”

En zoo gebeurde.

Julia genoot spoedig in bloeiende gezondheid de zalige vreugde van het moederschap.


In ’t geestelijk leven gaat het doorgaans zooals in het alledaagsche. Het is niet altijd warme, heldere zonneschijn; niet altijd zien wij blij om ons heen, als hadden wij er behoefte aan, den menschen te verkondigen, hoe gelukkig wij zijn.

Ach neen, ook in ’t leven der ziel schuilt de zon van genade menigwerf achter grauwe, trage wolken, zwaar van beproeving en duisternis; in sombere stemming gaat dan de mensch zijn weg en weet [278] zich maar moeielijk boven zichzelven te verheffen. Totdat weer de heerlijke goddelijke liefde alle nevelen verdrijft en de inwendige vrede terugkeert.

Ook de zalige Joanna ondervond dit, en haar geschiedschrijver teekent een feit aan, dat wel in staat is ons in ’t dagelijksch leven te sterken.

De duivel, die het er altijd op aanstuurt, het rijk der deugd van de aarde te verdelgen, zag in de heilige Carmelites van Reggio zijn verklaarde vijandin.

Op zekeren dag trachte hij haar zelfs van het leven te berooven. Na haar vreeselijk geslagen te hebben, wierp hij haar van de trap des kloosters, die naar de cellen der kloosterlingen voerde. In deerniswekkenden toestand vinden haar de ontstelde zusters, maar Joanna lijdt in stilte en men denkt slechts aan een ongeluk. Doch twee zusters, die op reis waren naar Modena, hoorden onderweg uit den mond van een door den duivel bezeten vrouw, dat het ook de onreine geest geweest was, die de Zalige zoo wreed mishandeld had.

Een heerlijk visioen genoot zij eens op Kerstmis. In strenge boetpleging en lange nachtwake had zij de vier weken, aan de geboorte van Jezus voorafgaande, doorgebracht en zuchtend gebeden: “o Glans van het eeuwig licht, verlicht ons, die in de duisternis neerzitten en in de schaduwen des doods.” En smachtend naar het oogenblik, waarop zij het [279] goddelijk Kind ’t liefste kon bieden, wat zij bezat, had zij zich afgevraagd:

“Welk offer wordt door U gevraagd,
O hemelsch Kind der engelreine Maagd,
O Liefdezon, die ons ten heil gedaagd,
De wolk doorkliefde?
Wat, minlijk Kind, wat anders kan het zijn
Dan liefde? Wederliefde, niet in schijn,
Maar eedle, volle, in vreugd en zorg en pijn
Dezelfde liefde.”

Zulk een aanhoudend en vertrouwelijk gebed verdiende een groote belooning, En daar ziet zij zich op eens vervoerd in de grot van het grijze Betlehem, waar, in de kribbe, het goddelijk voorwerp van haar liefde neerligt. Zij ziet de hemelsche gestalte der H. Moeder-Maagd en haar kuischen Bruidegom en zinkt aanbiddend op de knieën; zij voelt haar boezem van goddelijke liefde zwellen en biedt dien oneindig beminnenswaardigen Verlosser in de aanvallige gestalte van een teeder kind, haar van liefde blakend hart.

Al de jaren van haar verstorven leven in de klooster-eenzaamheid, had zij blijde den dag van ’s Heeren geboorte gevierd, maar nooit als dezen keer, waarop zij als genadegave van Jezus de kracht ontving, om van nu af haar hart geheel te beheerschen.

’t Is dit heugelijk feit uit het leven van Joanna [280] Scopelli, waaraan de dichter herinnert bij een kopergravure van den kunstzinnigen Abraham van Diepenbeke:

Ziehier Joanna neergeknield,
Toen God haar geest geheven hield
In ’t visioen van Betlehem
Bij d’ oude stad Jeruzalem.
Haar liefde zocht den grootsten schat,
Dien zij het Kind te offeren had.
“O Jezus” riep zij blijde uit,
“’k Geef U het hart van Uwe bruid”.
Zij gaf haar hart. Maar wat geschiedt?
Gods bruid verloor haar harte niet.
Want toen zij ’t schonk aan ’t Kindje klein,
Begon het eerst haar hart te zijn.[2]

Nog eenmaal, nu voor ’t laatst in dit tranendal, zou zij verblijd worden met een verschijning van haren goddelijken Beminde.

Het was in 1491, het jaar waarin zij zich voor altijd met Jezus, der maagden Bruidegom, mocht vereenigen.

Weer knielde zij neder in beschouwing der hemelsche dingen: zij had al wat haar omringde, vergeten. Opeens komt een glanzende klaarte over haar bleek gelaat, en onbewegelijk, bijna verstijfd is haar maagdelijk lichaam: en haar oogen blijven al maar onbewegelijk op hetzelfde punt gevestigd.[281]

De kloosterlingen hebben het lang toeven van haar dierbare overste bemerkt en geruischloos naderen zij haar cel en daar vinden zij Joanna in extase. Eerbiedig omringen zij haar en als de Zalige eindelijk tot zichzelve komt, tracht zij te vergeefs de aandacht van zich af te leiden.

Ten slotte moet zij het aan de verlangende zusters wel openbaren.

Jezus is haar verschenen in de gestalte Zijner jongelingsjaren. Uit den bloeienden tuin van het Eden bood Hij haar rozen en prachtbloemen aan en noodigde haar minzaam tot het hemelsch bruilofsmaal.

Maar vóór zij ging juichen op den hemelschen Thabor, moest zij met Christus het kruis dragen naar den Calvarieberg. Een smartelijke ziekte moest zij nog eerst verduren.

Waar echter bemind wordt, wordt niet geleden, of zoo er geleden wordt, wordt het lijden bemind. Haar smarten waren de bekroning van haar liefdeleven op aarde en zij overleed den 9en Juli 1491, toen de Kerk den octaaf-dag vierde van Maria’s bezoek aan haar nicht Elizabeth; zij was drie-en-zestig jaar oud; zij ging het aanschouwen van God niet meer in een voorbijgaand visioen, maar voor eeuwig, van aanschijn tot aanschijn, genieten.

Als een geestelijk testament liet zij aan de treurende zusters eenige kostbare raadgevingen achter, [282] roerend om den eenvoud, kostbaar om het nut voor het dagelijksch leven.

“Mijn innig geliefde zusters, wanneer Onze Heer Jezus Christus het zóó beschikt, dat ik uit dit ballingsoord en dit dal van tranen verlost word, wil ik U, als een testament, eenige raadgevingen achterlaten:

I. Gij, die vrijwillig, met ’t oog op ’t bezit der eeuwige glorie aan de tijdelijke goederen hebt verzaakt, wekt U op, dat ge al uwe verplichtingen trouw nakomt, de H.H. Sacramenten dikwijls ontvangt en gaarne gehoorzaamt.

II. Houdt niet op, het zaad uwer goede werken uit te strooien, gebruikt veelvuldig de schoffel eener heilzame versterving en wiedt het giftige plantje der eigenliefde met wortel en al uit den akker van uw hart.

III. Uw tong en uw lippen moeten steeds Gods lof verkondigen en laat als geurige wierook uw gebed opstijgen voor ’t aanschijn van God.

IV. Houdt den vreeswekkenden dag van uw sterven altijd in de gedachte.

V. Overdenkt, dat de komst van den rechtvaardigen Rechter onverwacht kan zijn; onzichtbaar schouwt hij achter onze muren en door ons venster; aan Hem moet ge nauwgezet rekenschap geven van de minste handeling. Hem kunt ge niet met beloften brengen tot vrijstelling van straf, door vrees bedreigen of door gebed vermurwen. En wanneer [283] ik u in ’t licht van die eeuwige waarheid beschouw, mijn geliefde kinderen, kan ik mij wel troosten, maar niet geheel en al gerust zijn.

VI. Weerstaat oogenblikkelijk en met heilig vuur aan de verleiding der wereld, opdat ge den overvloed van hemelsche vertroostingen waardig moogt zijn.

VII. Weest moedig in ’t verdragen van tijdelijken tegenspoed om voortdurend het recht te behouden op eeuwige belooning.

VIII. Dan zult ge eerst goed kunnen begrijpen, dat het harde in uw overigens gering lijden, met liefde voor Christus doorstaan, het genieten der eeuwige zaligheid ten gevolge heeft; ge zult inzien dat al die verschillende kruisjes in parelen veranderen ten sier van uw hemelsche kroon.

IX. Hoe vuriger iemand uwer is in tegenspoed, des te grooter zal haar geluk in den hemel zijn; hoe ijveriger in het volbrengen der dagtaak, hoe gelukkiger in ’t ontvangen van het eeuwig loon. En als gij mij als moeder blijft beschouwen, zal ik in u altijd mijne dochters zien. Intusschen zal ik voortdurend bezorgd zijn, om u den weg te bereiden naar beter Leven.”

En haar belofte kwam zij trouw na.

Met moederlijke belangstelling bleef zij over haar klooster waken. Vooral zuster Hieronyma, waarschijnlijk haar opvolgster in het ambt van Priorin, mocht dit ondervinden. [284]

Om ongestoord met God te kunnen omgaan, niet afgeleid door de beslommering en verstrooiende zorgen, wilde zij ontheffing vragen van den drukkenden last van haar officie. Dagen lang had zij reeds ernstig over het plan nagedacht en den hemel een heilig geweld aangedaan, om Gods wil te kennen. Op eens ziet zij de Zalige Joanna voor zich, verklaard door een bovenaardschen glans. Ernstig is haar gelaat en op stelligen toon beveelt zij de sidderende zuster, dat zij den post haar door de gehoorzaamheid opgelegd, niet moet zoeken te ontkomen “Gij moet niet uw eigen zienswijze volgen, maar den wil der hoogere oversten volbrengen”, eindigt de Zalige haar moederlijke terechtwijzing en als de verschijning voorbij is, en de lichtende glanzen zijn verdwenen, heeft Hieronyma het moedig besluit gevormd te berusten in haar lot.

De zoozeer door den hemel begenadigde zuster verlangde nu vurig een relikwie van haar gezaligde overste in bezit te krijgen,

In alle stilte opende zij het graf, waarin het kostbaar lichaam rustte en nadat zij den rechterarm van het heilig lijk had losgemaakt, wilde zij dien begeerden schat op haar cel bewaren. Doch in den volgenden nacht verscheen haar de Zalige wederom en ondervroeg haar over den wel wat onberaden ijver, waarmede zij gehandeld had.

“Nu weet ik, dat U niets verborgen is, zalige [285] moeder,” riep de ontstelde zuster. Maar wederom moed vattend, en denkend aan het onzekere lot van haar overleden vader en zuster, voor wie zij niet ophield de barmhartigheid Gods af te smeeken, maakte zij de Zalige moeder met haar angst bekend. En als de Zalige haar geopenbaard heeft, dat haar vader nog in den kerker des vagevuurs verzucht, doch dat haar zuster reeds tot de aanschouwing Gods was toegelaten, keert de gemoedsrust weder.

Achttien maanden waren nu daarheen gesneld sinds den dood der Zalige en reeds was gekomen het blijde uur, door Gods Voorzienigheid bepaald, waarop de met heilig ongeduld verbeide vereering der Zalige haar begin zou nemen.

Een laatste verschijning van Joanna gaf daartoe aanleiding.

Zuster Hieronyma, van wie wij U boven verhaalden, was weer de bevoorrechte. Zij vertoefde in het klooster te Ferrara, naar welke stad zij, ter regeling van dringende zaken geroepen was. En zie, als zij des avonds zich in ’t gebed bevindt, heeft zij een verrukking des geestes, waarin zij haar verheven moeder in de glorie aanschouwt en de opdracht ontvangt, haar graf te openen, zoodra zij te Reggio zal teruggekeerd zijn.

Zoo geschiedde.

Bij haar tehuiskomst laat zij de kloosterklok luiden, roept hare zusters in het kapittel bijeen, en als zij [286] haar met den wil des hemels heeft bekend gemaakt, schrijden de vrome vrouwen, in haar witte mantels gehuld, en onder het zingen van vrome gezangen naar het graf van de Zalige.

Een geur, die aan welriekenden balsem, rozen en leliën deed denken, verspreidt zich door de kloostergangen, zoo gauw men het graf geopend heeft. O wonder, daar vindt men het lijk ongeschonden. Als was zij zoo pas gestorven, ziet men de Zalige Joanna daar nederliggen met een zoeten glimlach om de frisch roode lippen.

Eerbiedig neemt men het lichaam op en legt het in een smaakvol versierde kist. Ondertusschen stelt men den Prior der Carmelieten met het gebeurde in kennis. Vergezeld van den biechtvader des kloosters begeeft hij zich naar het voorloopige graf en als de voorzichtige priesters zich nauwkeurig omtrent het gebeurde hebben laten voorlichten, meenen zij den bisschop der stad, Francesco Arlotti, te moeten raadplegen.

  • * *

De laatste stralen der ondergaande zon vielen door het venster van het bisschoppelijk paleis van Reggio en overgoten het wit marmeren Madonnabeeld aan een der muren van het studeervertrek met een rood gouden glans. [287]

De Ave-klok der kathedraal noodigde de bewoners der stad tot den avondgroet aan de H. Maagd.

Ook Monseigneur Arlotti had aan de ingeving van zijn devoot gestemd hart gehoor gegeven, en was gaan knielen op den eikenhouten bidstoel voor het hem zoo dierbaar beeld van Gods Moeder.

Dan stond hij op, om zich te vermeien in een lezing van de H. Schrift. Het boek der Gezangen vroeg ditmaal zijn aandacht. Gebogen over de schoon verluchte perkamenten bladen, met zijn eerbiedwaardig hoofd leunend op de linkerhand, was hij gekomen tot de plaats, waar de Bruid uit het Hooglied juichend uitroept: “De bloemen zijn in ons land verschenen, de snoeitijd is aangebroken.”

Maar was het gezichtsbedrog, was het op ingeving van Boven?

Het latijnsche woord “putationis” is voor zijn oog onvindbaar; in de plaats daarvan ziet hij duidelijk het woord “publicationis” geschreven, wat in onze taal “openbaarmaking” beteekent.

Nog denkt hij peinzend na over die onbegrijpelijke zinsverandering, als de paleisdienaar de komst meldt van den Prior der Carmelieten en den biechtvader der kloosternonnen.

Nauw heeft hij hen tot den ring-kus toegelaten en gezegend, of de Prior verhaalt hem van de door God zoo begenadigde Carmelites.

Veel reeds heeft de bisschop van haar vernomen, [288] maar als hij hoort van hare laatste verschijning, rijst hij plotseling van zijn zetel op, en aan de verbaasd hem aanschouwende monniken zegt hij met ten hemel geheven gelaat, en uitgestrekte armen: “Waarlijk, dat is het werk Gods en het werd mij geopenbaard, toen ik zooeven het Hooglied las; de tijd der openbare vereering der Zalige is aangebroken.”

Tranen van heilige aandoening ontwelden aan het oog van die mannen, als zij hoorden, hoe God hun ijveren met den gewenschten uitslag bekroonde, en nu werd de dag bepaald, die gewijd zou zijn aan de verheerlijking van Reggio’s beroemde dochter.

’t Was een schitterende stoet van geleerde priesters en mannen uit alle rangen des volks, die zich met de kanunniken der kathedraal en den bisschop in vol ornaat des morgens door de straten der stad naar het Carmelitessenklooster voortbewoog. Een ademlooze stilte heerschte er, toen de opperherder daar de kist opende, waarin de religieuzen het lijk van hare medezuster hadden neergelegd. En allen schouwden eerbiedig op die kostbare overblijfselen van de Zalige die daar nederlag, als sluimerde zij.

Engelachtig schoon was haar rozig gelaat; in die edele trekken lag iets bovenaardsch, iets hemelsch. De mantel en de grove pij, die haar kuische ledematen omhulden, waren evenmin aan eenig bederf onderhevig geweest. [289]

Na een wijle sprak de bisschop, en zijn stem trilde van aandoening, toen hij de woorden van de koningin van Saba over Salomon aanhaalde: “Waarachtig was het woord, dat ik in mijn land hoorde; ik geloofde niet, wat men mij vertelde; maar nu ik het zelf aanschouw, kom ik tot het besluit, dat men mij nog niet de helft verhaald had.”

Een ontelbare menigte was intusschen naar het klooster gesneld, en had zich aangesloten bij de reeds talrijke scharen van mannen en vrouwen, die het oogenblik verbeidden van den plechtigen Hoogdienst, door den bisschop op te dragen.

De bisschop in vol ornaat celebreerde de plechtigheid en het heilig lichaam tusschen licht en bloemen stond ondertusschen uitgesteld ter godvruchtige vereering der ontzaggelijke menigte.

En als de opperherder zijn kudde gezegend heeft, neemt men de heilige overblijfselen eerbiedig op en terwijl uit de wierookvaten de geurige wolken langs de gewelven en om de pijlers van het heiligdom zweven, plaatst men ze in een kostbaar praalgraf ter linkerzijde van het hoogaltaar.

En op den sluitsteen vereeuwigt men de woorden:

“Hier ligt de maagd Joanna, het sieraad, en – om haar verheerlijkt lichaam – een der grootste gloriën der Carmelieten. Terwijl haar ziel met de hemelingen jubelt, is haar heilig omhulsel ongeschonden gebleven. – Dat hare medezusters zich [290] verheugen en ook de afstammelingen der Scopelli’s. Luid klinke het jubellied van de blijde inwoners van Reggio ten hemel voor deze gezaligde maagd. Heilige kloostervrouw, wees voor allen goedertieren en goedgunstig. Wees voor den troon van God ons gebed gedachtig.”

In 1771 eindelijk keurde de Apostolische Stoel haar vereering goed, en stond toe, dat men jaarlijks den 11en Juli ter harer eere de H. Mis las en de kerkelijke getijden vierde.


  1. Published in: Titus Brandsma, Arnoldus Wijtenburg, Carmels Heiligen. De Heiligen en Zaligen van de Orde der Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, Vol II, Oss 1928, 263-290. Reprinted in: Titus Brandsma, Arnoldus Wijtenburg, Helden van den Carmel. Heldenevens van Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, Amsterdam [1940], 263-290.
  2. [TB] P. B.: Carmelrozen 4e jg. [Bos] See: ‘Joanna Scopelli, Carm. bij de kribbe’, in: Carmelrozen, 1915, p. 180 picture and ‘P.B. Carm, ‘Een zalige van den Carmel bij de kribbe’, in: Carmelrozen 1915, p. 181 text.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021