De Zalige Ludovicus Morbioli

Titus Brandsma/Arnoldus Wijtenburg

1928

Book chapter

 

De Zalige Ludovicus Morbioli

[1]

Het jaar 1457 spoedde ten einde.

Wie in dien tijd de Italiaansche stad Bologna zou hebben bezocht, zou haar niet hebben teruggekend.

Verstorven was er alle vreugde, slechts rouw- en klaagtonen hoorde men. Ernstig ging ieder zijns weegs. De sombere indruk, dien de bouw der stad ondanks haar schoone ligging maakt, werd in die dagen nog versomberd door de droefheid, die op aller gelaat te lezen stond.

De plaatsen van vermaak en spel waren verlaten, slechts in de kerken en bedehuizen kwam het volk te zamen. De San Pedronio, de hoofdkerk der stad, telde bij duizenden de geloovigen, die de voorspraak van den stadspatroon inriepen in deze dagen van ellende. Voortdurend klommen pelgrims den heuvel op, waarop het hoogvereerde heiligdom van Santa Maria di San Luca ligt.

De arcaden langs de straten, anders het tooneel van druk verkeer en handel, lagen thans bezet met [320] treurenden en zieken, niet zelden met rijen dooden.

De pest woedde in de stad.

De pest, de schrik der bevolking, joeg honderden de oude via Flaminia en Aemilia op om verre van de plaats van verschrikking haar besmetting te ontgaan, maar ook langs dezen weg waren bij honderden de vluchtelingen neergevallen. Het gif der besmetting, die zij ontvluchtten, droegen zij reeds in hun ledenmaten mede en vóór zij het grondgebied der stad verlaten hadden, ondermijnde het hun krachten en deed het hen sterven met de anderen.

Bij de verschrikkingen van de pest voegden zich die der aardbeving. Onophoudelijk deden zich aardschokken gevoelen en van tijd tot tijd hielden deze zoo lang aan en met zulk een hevigheid, dat de hechtste gebouwen scheurden, minder goed gebouwde ineenstortten en de bevolking in waanzinnigen angst, niet wetend, waar zich te bergen, de straat opvluchtte en eerst na uren van rust te bewegen was naar de bedreigde woningen terug te keeren.

Vreeselijk was de geesel der pest.

Maar angstwekkender was nog de steeds weer dreigende aardbeving.

In die dagen dacht men in Bologna nog slechts aan den dood. Boete maakte plaats voor zingenot, gebed verving de ijdele gesprekken. Men zou het niet mogelijk wanen, dat in die dagen een zondaar volhardde in zijn boosheid en men zou het als een [321] zegen bij zooveel rampspoed willen beschouwen, dat in die dagen van verschrikking de mensch den weg terugvindt tot God.

Vele zondaars kwamen zeker in die dagen tot inkeer.

Maar wie zich niet bekeerde was de jonge Ludovicus Morbioli. Hij spotte met het gevaar. Het was hem een aanleiding tot de grootste godslasteringen. In stee van zich te beteren en boete te doen voor hetgeen hij reeds misdreven had, dreef hij zijn euvelmoed steeds verder.

Hij wilde zich met de rozen kronen, voor zij verwelkten. Hij wilde van het leven nog genieten, zoolang het hem niet door de loerende vijanden van pest en aardbeving was ontnomen.

Hij werd een ergenis voor de stad.

Hij stoorde er zich niet aan.

Zijn brave ouders, van een oud vermaard geslacht, de vrome Lucia di Giovanni Tura, met wie hij zich op aandringen zijner ouders in den echt verbonden had, trachtten te vergeefs in dezen bangen tijd een invloed ten goede op hem uit te oefenen, hij dwong hen tot nieuw geduld.

Slechts één lichtpunt was er in dit lichtzinnig leven. Vanaf zijn prilste jeugd bleef Ludovicus ondanks zijn niet te toomen hartstocht liefde koesteren tot Maria. Hij getuigt dit in een brief in of omstreeks 1462 geschreven. Maria waakte dan ook over hem, maar het uur van Gods barmhartigheid was nog [322] niet geslagen. Steeds verder dwaalde hij af. Het kwam zoover, dat hij in 1462, naar het schijnt, de stad moest ontvluchten om zich te onttrekken aan zijn schuldeischers.

Hij vluchtte naar Venetië.

Hij werd er liefdevol opgenomen door de Reguliere Kanunniken van S. Salvator.

Hier sloeg voor hem het uur van Gods barmhartigheid.

Een hevige koorts met alle verschijnselen van pest greep hem aan en bracht hem in enkele dagen aan den rand des grafs. Het vooruitzicht op een welhaast zekeren dood stemde hem tot nadenken.

Vol ootmoed riep hij Gods barmhartigheid in.

Vol vrees voor den dood na zulk een leven beloofde hij met een oprecht hart beterschap, zoo God hem de gezondheid wedergaf. Hij beval zich aan aan Maria, de toevlucht der zondaren, de moeder, tot wie zijn liefde nooit geheel was verflauwd.

God verhoorde zijn gebed en schonk hem de gezondheid weder. Hij stond van ’t ziekbed op, naar lichaam en ziel genezen.

Zijn eerste zorg was thans het gepleegde onrecht te herstellen. Niet aanstonds echter trok hij zich uit de wereld terug, neen, vanuit de Lagunenstad regelde hij zijn zaken en eerst toen dit geschied was, keerde hij naar Bologna weder om er boete te doen voor de ergenis, welke hij er had gegeven. [323]

De rijke weelderige kleeding, tot nu toe gedragen, legde hij nu af om in plaats daarvan een habijt aan te trekken van ongeverfde wol, een kleed, gelijk de Z. Baptista Mantuanus in zijn leven zegt, zooals de Orde van Carmel volgens hare oude instellingen droeg. Aan haar verbond hij zich. Haar regel wilde hij voortaan onderhouden, maar hij achtte zich niet waardig, in het klooster te worden opgenomen. In de wereld zou hij van verre de kloosterlijke volmaaktheid trachten na te volgen.

Reeds sinds het eerste bestaan der Orde hadden vrome personen in de wereld de instellingen der Orde, voorzoover dat met hun staat vereenigbaar was, trachten te onderhouden. Van tijd tot tijd vindt men sporen van zulke godvruchtige personen in meer of minder nauw verband met de Orde. Een eigenlijk gewettigde en geregelde instelling werd deze wijze van leven eerst in het midden der vijftiende eeuw, toen de Z. Joannes Soreth die levenswijze, door talrijke personen in de onderscheiden landen gevolgd, door pauselijk gezag deed bekrachtigen en van Paus Nicolaus IV de goedkeuring ontving van de Derde Orde van O.L.Vrouw van den Berg Carmel. Volgens deze instelling nu wenschte voortaan de boetvaardige Ludovicus Morbioli te leven en wij mogen in hem dan ook zien een der heldhaftigste beoefenaars van dit kloosterleven in de wereld. Juist wijl hij daarvan in de eerste tijden [324] harer instelling zulk een glorievol beoefenaar was, is zijn vereering in de Orde geworden als die van een Ordebroeder, die in gebed en versterving de volmaaktheid des kloosters voorbijstreefde en ook voor de leden van de eerste en tweede Orde mag gelden als een voorbeeld in de beleving van den geest van de oude Orde van Carmel. Niet aanstonds beoefende hij de groote gestrengheid, waarvan zijn later leven zulk een heldhaftig voorbeeld werd. Naarmate hij in volmaaktheid toenam, zegt de Z. Baptista van Mantua, nam ook zijn gestrengheid toe.

Zijn lichaam dekte hij slechts met een enkel habijt van grove wollen stof. Later scheen hem dit habijt nog te mooi en te zacht en verwisselde hij het met een ruw meer gevlochten dan geweven hemd van grijswitte kleur, dat hem, naar hij meende, meer gelijkvormig maakte aan den Zaligmaker, in het kleed zijner bespotting bij Herodes.

Steeds ging hij blootvoets, ook bij de felste koude. In sommige streken van Italië moge dit niet zulk een groote versterving zijn, in het bergland van Bologna, waar de sneeuw even lang op de bergen ligt als op onze Nederlandsche laagvlakten, was het een zware boete voor den in weelde groot geworden jongen man.

Nooit at hij vleesch, en als hij een enkele maal zich tot het eten van visch liet overhalen, dan [325] moest het al zeer gewone visch zijn, die ook de armsten eten.

Onverzorgd bleven haren van baard en hoofd, vroeger gezalfd en met overdreven zorgen gekamd.

In de plaats van de schitterende zilveren halsketen droeg hij nu een toevallig gevonden koord om de hals gestrikt, zoodat de beide uiteinden langs zijn kleeding afhingen en hem het aanzien gaven van een misdadiger, wien een koord om de hals is geslagen om hem naar de gevangenis te brengen.

Niet slechts deed hij afstand van have en goed en wilde hij voortaan nog slechts in volstrekte armoede leven, maar ook zeide hij – wel met haar instemming – vaarwel aan zijne echtgenoote om in voortdurende onthouding en zuiverheid te herstellen, wat hij in de jaren der losbandigheid had misdreven. Velen meenden, dat hij hierin de gestrengheid te ver dreef. Zij laakten zijn gedrag ten opzichte zijner echtgenoote, doch de Z. Baptista neemt hem in bescherming. Hij wil de redenen niet opsporen, welke hem tot die daad brachten, maar dit staat wel vast, zoo zegt hij, dat hij het deed uit liefde tot een zuiver leven. Zou wellicht de daad in zichzelf niet zijn te prijzen, zij werd door hem gesteld met de meest prijzenswaardige bedoeling. De omstandigheden van zijn leven maken het overigens zoo goed als zeker, dat de scheiding der beide echtgenooten in overeenstemming was met de voorschriften van het recht. [326]

Zonder huis, zonder dak zwierf hij van stad tot stad, zijn brood bedelend langs den weg, totdat hij na jaren zwervens een vaste woning ontving in een klein kamertje onder de trap in de woning van zekeren Paulo Lupari. Het zonlicht drong er zelfs op klaarlichten dag nauwelijks door. Bij een hoogte van ruim drie meter had het slechts een diepte van twee, een breedte van nog geen twee meter. Hier kon hij zich ongestoord aan de overweging wijden, ongestoord ook in de uren van rust voor anderen zijn lichaam kastijden en het de strengste boetedoeningen aandoen. Hij sliep er op den naakten grond of op wat takkebossen. Slechts in ziekte stond hij toe, dat men hem op een stroozak neerlegde. Zijn hoofdkussen was een steen of een ruw blok hout, tot deken diende een oude mantel. Doodsbeenderen vormden de versiering van deze rustplaats om hem dag en nacht te herinneren aan den dood. Zijn gewone voedsel bestond in wat brood met als toespijs een appel, een paar noten of wat groente, die hij slechts zelden kookte of liet koken, nooit met olie toebereidde, gelijk de smaak van het land eischte. Zijn drank was slechts water; was hij nu en dan gedwongen, wat wijn te nemen, dan vermengde hij dien zoodanig met water, dat hij den smaak had verloren. Zoo verstierf hij zich in spijs en drank tot het uiterste. Den tijd, die hem overbleef tusschen de lange uren van ge- [327] bed, besteedde hij om de ledigheid te vluchten aan het snijden van figuren in been. Vooral beelden van heilige personen en zaken sneed zijn vaardige hand. Zij leefden in zijn geest, zegt de Z. Mantuanus, zijn kunst zocht ze ook te doen leven voor zijn oogen. En wat hij door kunstenaarshand deed leven, was weder voor hem een prikkel om zijn geest naar het gekozen model te volmaken. Zoo wekte hij zijn geest op tot steeds vuriger liefde, tot steeds trouwer navolging van zijn goddelijk Voorbeeld. Soms was het vuur der liefde te sterk, dan dat hij het langer in zichzelf kon besloten houden. Dan trad hij uit zijn kleine cel met het beeld van den Gekruiste in den vorm van een banier in de hand. Dan predikte hij de liefde van dien gekruisten Heiland en wekte allen op tot boete voor hun zonden. Was zijn voorbeeld welsprekend, door dat voorbeeld gesteund wrochtte zijn woord wonderen.

Als hij moede was van het prediken, ging hij rusten bij Jezus, dien hij had gepredikt. Uren kon hij vertoeven voor het H. Tabernakel en het was zijn grootste vreugde, het te kunnen omringen met licht. Het Allerheiligste wilde hij zien in een krans van lichten en gaarne bedelde hij, om kaarsen te kunnen koopen. Als hij zijn Jezus in een aureool van licht had geplaatst, voelde hij zich gelukkig. Had hij de middelen niet om lichten te ontsteken, het vuur zijner liefde bleef branden en door gebeden [328] en bezoeken vulde hij aan, wat aan uiterlijke eerbewijzen te kort schoot. Blootsvoets stond hij uren lang op het ijskoude marmer voor den troon van Jezus, de gloed zijns harten maakte hem ongevoelig voor de koude, die heel zijn lichaam doortrok.

Vijftien jaren bracht bij aldus in boetvaardigheid en in overweging van de wet des Heeren door. De laatste jaren kluisterden hem aan het ziekbed of liever dwongen hem, in zijn kleine cel te blijven in afwachting van den dood. Herhaalde koortsaanvallen verzwakten hem dermate, dat hij niet meer in staat was, zijn eenzame en kleine woning te verlaten. Men wilde hem een bed brengen, hij weigerde het. Het lichaam is maar stof, zoo zeide hij, legt het maar neer in het stof. Ook in zijn laatste ziekte legde hij zijn strenge levenswijze niet af. Negen maanden voor zijn dood voorspelde hij nauwkeurig den dag van zijn sterven. Door goddelijke openbaring wist hij, dat dan zijn stervensuur zou slaan. Het kan ons niet verwonderen, dat hij weinig waarde hechtte aan hetgeen de geneesheeren nog wilden doen om zijn leven te redden. Hij haakte naar het oogenblik zijner ontbinding en weigerde alwat dat gezegend oogenblik nog zou trachten te vertragen.

Eindelijk werd zijn toestand van dien aard, dat niet slechts hij zelf, doch ook de omstanders begrepen, dat zijn einde nabij was. Nieuwe koorts- [329] aanvallen van hevige neusbloedingen vergezeld sloopten zijn laatste krachten. Men diende hem de laatste H.H. Sacramenten toe.

9 November was de door God bepaalde dag daar, waarop zijn ziel het afgemartelde lichaam mocht verlaten om in eeuwigheid te smaken, met welk een hemelsche heerlijkheid God de boetvaardigheid beloont. Hij was toen 52 jaar.

In welk jaar juist zijn dood is te stellen, staat niet vast. Een oude afbeelding spreekt van 1472, anderen stellen zijn dood in 1477,weer anderen in 1485, nog anderen in 1495. Het laatste is zeker niet juist, daar de Z. Baptista van Mantua zijn leven beschrijft in een gedicht aan Paus Innocentius VIII opgedragen. Hij vroeg daarin den Paus om zijn zaligverklaring. Deze Paus nu regeerde van 1484 tot 1492, zoodat de dood des Zaligen in elk geval is te stellen voor het jaar 1492. Op het einde van genoemde levensbeschrijving zou men echter geneigd zijn te lezen, dat het niet lang na zijn dood werd geschreven.

In verband met het vermoedelijk tijdstip zijner bekeering en den duur van zijn boetvaardig leven schijnt het jaar 1477 wel het meest waarschijnlijke jaar van zijn dood.

Was zijn leven zonder luister, zoo besluit de groote Mantuanus zijn levensbeschrijving, glorievol was zijn graf. Eerst voor de deur der Petruskathedraal begraven werd zijn lichaam reeds na zes maanden [330] verheven en overgebracht naar het inwendige der kathedraal om de geloovigen, die als om strijd zijn graf vereerden, daartoe een meer geschikte gelegenheid te bieden. De vereering des volks werd door buitengewone gebedsverhooringen gezegend. Zieken herkregen er hun gezondheid, zwakken de kracht des lichaams weder, zelfs kreupelen en blinden verlieten, naar het getuigenis van Mantuanus, genezen zijn graf.

Met vertrouwen wendde zich dan ook de dichter tot den Paus om zijn zaligverklaring te vragen. De Paus keurde, naar het schijnt, de vereering goed, zonder tot een plechtige verheffing van het gebeente over te gaan of een formeele zaligverklaring uit te spreken. Maar wat Innocentius in dien tijd wellicht niet noodig oordeelde om de vereering te wettigen, deed eenige eeuwen later Paus Gregorius XVI, toen hij door een plechtig decreet de vereering, zooveel eeuwen reeds aan den Z. Ludovicus Morbioli bewezen, bekrachtigde.



  1. Published in: Titus Brandsma, Arnoldus Wijtenburg, Carmels Heiligen. De Heiligen en Zaligen van de Orde der Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, Vol II, Oss 1928, 319-330. Reprinted in: Titus Brandsma, Arnoldus Wijtenburg, Helden van den Carmel. Heldenevens van Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, Amsterdam [1940], 319-330.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021