Dierenbescherming

1936

Speech

 


Dierenbescherming in het schoolprogram

Speech, 13 May 1936, for the working group 'Dierenbescherming en Opvoeding' (DEO).[1]


De een heeft meer gevoel voor orde en schoonheid dan de ander. Maar van de orde en schoonheid der natuur, zoo rijk en zoo schitterend, geniet wel een ieder.

Wij mogen vol bewondering staan, telkens weer, voor veel, dat ’s menschen handen maken, de natuur biedt ons zoo overvloedige schoonheid, dat wij niet ophouden, haar telkens weer te bewonderen en ons te verlustigen in haar heerlijkheid.

Hoevelen heeft de aanschouwing der natuur reeds in verrukking gebracht. Dichterlijke naturen moesten er van zingen. Meer gesloten naturen genieten in stilte, maar hun stilte is een getuigenis te meer voor het welsprekende schoon van de natuur.

Die orde en schoonheid in de natuur, vastgelegd in de niet-noodzakelijke natuur der dingen, die moeten zijn, gelijk zij zijn, omdat een Wezen vol wijsheid en goedheid hun zoo het aanzijn gaf, zij spreken ons van den Schepper der natuur. Als wij de natuur bewonderen en hare wondere orde en schoonheid, dan blijven wij niet daarbij staan, maar gaat de blik van ons redeneerend verstand hooger en dieper en brengen wij die bewondering over op Hem, die dat alles heeft gemaakt en steeds in stand houdt. Wat Gezelle zoo mooi van het ‘Schrijverke’ zegt, waaraan hij vraagt, wat het toch op het water krinkelend en teekenend[2], neerschrijft, zou ik willen herhalen:

”Wij schrijven”, zoo sprak het, “al krinkelend af

het gene onze Meester, weleer,

ons makend en leerend, te schrijven gaf,

één lesse, niet min nochte meer;

Wij schrijven, en kunt gij die lesse toch

niet lezen, en zijt gij zoo bot?

Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,

den heiligen Name van God”

Tot Hem gaan mijn gedachten op de eerste plaats, als ik hier enkele minuten spreken mag over dierenbescherming, omdat de gedachte aan Hem deze mooie beweging wel den sterksten steun, welken zij kan ontvangen, geeft.

Danken wij zelve dagelijks God voor het bestaan, dat Hij ons geeft, wij weten en zien, dat ons bestaan het medebestaan insluit van de geheele natuur, waarin Hij ons plaatste als haar koning. Ons bestaan is vertakt met dat van millioenen wezens, wij duizelen als wij de betrekkingen zoeken, waarin wij tot de schepping staan, in afhankelijkheid, zoo gij wilt, maar dan toch in een zeer weldadige afhankelijkheid, welke mis- [52] kennen van enge bekrompenheid zou getuigen.

Wij moeten niet aan de natuur voorbijgaan, alsof zij ons niets te zeggen had. Wij kunnen zoo heerlijk genieten van de natuur, maar wij moeten daarbij ook ons verstand laten spreken, na het eerst te luisteren te hebben gelegd.

Als de ziele luistert,

heeft het al een taal, dat leeft;

’t lijzigste gefluister

nog een taal of teken heeft.

Spreekt de sterrenhemel met haar betooverende pracht en haar tintelend lichtgewemel elken avond en nacht van God, die ze alle naar haar natuur in haar banen houdt, staan we niet minder verbaasd, als het microscoop ons tot in onvoorstelbare kleinheid orde en regelmaat doet ontdekken in de levenlooze stof, zoodat het eerst ondeelbaar geachte atoom weer een wereld op zich blijkt, niets maakt meer onze bewondering gaande dan de levende natuur. Hier staan we voor onuitsprekelijke wijsheid, voor een ordening, waarvan wij niet in staat zijn, de geheimen ook maar in grooten aanleg te doorgronden.

Het is wel merkwaardig, dat God naast den mensch ook het dier schiep, in de groote verscheidenheid der dingen ook wezens schiep, welke met den mensch zintuigelijke waarneming hebben, zintuigelijk kunnen genieten en ook pijn kunnen hebben. Hij gaf hun dat niet om ze te doen lijden, maar om een bewijs te meer van zijn goedheid te geven. God[3] gaf dat vermogen aan het dier. Wij menschen achterhalen met ons verstand, dat het God is, die den dieren gevoel gaf en hun dat gaf als een bron van genot, om hun bestaan mooier te maken, het hoogst en het mooist in de lange rij van het levenlooze tot den mensch, die boven heel de stoffelijke wereld staat.

God maakte den mensch tot koning van de schepping. Hij maakte hem heer over al zijn bezittingen. Hij gaf het al in ’s menschen handen, opdat hij er vrij over zou kunnen beschikken en het dienstbaar maken aan zijn geluk. Maar hij schiep den mensch met rede en verstand, met inzicht en edele neigingen. Hij schiep hem naar zijn eigen beeld en gelijkenis.

Slaan wij het Boek der Schepping open: Heerlijk wordt daar de macht van den mensch over de dieren geschilderd, maar in woorden, die van ons dezelfde gevoelens eischen, welke God had, toen Hij de dieren schiep, gevoelens van goedheid en liefde, niets anders dan liefde en goedheid. [53]

Als wij in ons een gezonde en redelijke liefde tot de natuur en in het bijzonder tot de met ons voelende en vaak lijdende natuur opwekken, zullen we voor noodelooze hardheid ons in acht nemen en beschermend optreden, waar het dier noodeloos lijden wordt aangedaan.

Ik moge er echter nog de aandacht op vestigen, dat Sint Thomas de dierenbescherming niet alleen negatief ziet in dien zin, dat hardheid voor de dieren het menschelijk hart verhardt, wreedheid voor het dier ook voor den mensch wreed maakt en wij derhalve om dit te voorkomen goed voor de dieren moeten zijn, neen, hij ziet het evenzeer positief en wijst er op, dat wij goed moeten zijn voor de dieren en weldoen aan de dieren een veredelende strekking heeft op de opvoeding en ontwikkeling onzer natuur. Hij wijst daarop in verband met een gebod in de wet van Mozes, waarop ook Sint Paulus wijst: dat men een dorschenden os niet moet muilbanden. Het is hard, zoo wordt daar gezegd, dat terwijl dit dier daar het koren dorscht en rondloopt in den overvloed van het versche heerlijke voedsel, men het muilkorft om het de genieting van de spijs welke het ziet en ruikt onmogelijk te maken. De H. Paulus wijst er op, dat dit gebod niet op de eerste plaats is gegeven zegt Sint Thomas om de ossen, maar om de menschen. Niet dat God ook niet het welzijn der ossen heeft gewild, maar hij heeft dit gebod gesteld, opdat de mensch daardoor zou leeren en telkens er aan zou worden herinnerd, dat de werkman zijn loon verdient, dat als men dit het dier niet onthoudt, men het zeker den mensch niet mag onthouden of hard voor den mensch mag zijn.

Daarom mag men zeggen, dat in de dierenbescherming voor den mensch een groot eigenbelang gelegen is. En wel zeer in het bijzonder een allergrootst belang in de opvoeding van de jeugd. Het is toch al zoo moeilijk, in het kinderhart edele gevoelens aan te kweeken, het kind te bewaren voor de opkomende niet door de rede nog beheerschte neigingen. De dierenbescherming goed begrepen is hier van onschatbaar voordeel en ik juich het van ganscher harte toe, dat men krachtens besluit der Regeering voortaan in de school aan dit punt aandacht moet schenken. Het zal de jeugd niet alleen, het zal onze twintigste-eeuwsche- beschaving, die zoo gevaarlijk naar verruwing gaat, ten goede komen.[4][54]

Het is wel een schande voor den mensch, dat hij met betrekking tot het dier vaak zoo weinig de bedoelingen van den Schepper, die het in zijn dienst stelde, in het oog heeft gehouden en met de dieren omgaat, alsof er geen orde in de natuur is, of niet alles op orde en regelmaat is gegrond, alsof de mensch geen verhoudingen heeft te erkennen.

De mensch is koning der Schepping en de schepping moest door den mensch, die toch met rede en verstand begaafd is, nog in orde en schoonheid winnen. De mensch moest er op uit zijn, haar verhoudingen en betrekkingen te verstaan en te erkennen met woorden en met daden.

Maar een oud schrijver, Theodoretus, heeft eens gezegd:

In plaats van haar verheffing te vinden in den mensch wordt de natuur[5] door hem verlaagd en misbruikt tegen haar bestemming en tegen den wil van den eeuwigen Schepper, zoodat zij nu dikwijls de zonde, het verkeerde dienstbaar moet zijn in plaats van een werktuig te zijn en dienstbaar te wezen voor het Heilige.

Zonde is een sterk woord en wij moeten het niet te licht gebruiken, maar het heeft ook een wijderen zin voor alles, wat in meer of mindere mate indruischt tegen de regelingen en ordeningen Gods. Wij behoeven daarbij nog niet aanstonds van werkelijke schuld te spreken. Vooral op het gebied van dierenbescherming en dierenmishandeling bestaan er zoo gebrekkige begrippen en voorstellingen, dat men te goeder trouw en zonder zich voldoende rekenschap te geven met de dieren omgaat op geheel willekeurige wijze, alsof er geen orde of regeling was.

Als redelijke menschen moeten wij ons af en toe eens bezinnen op onze verplichtingen. Wij zijn hoog gesteld. Noblesse oblige.

Ik haalde zoo juist eenige regelen aan uit de H. Schrift om daaruit reeds eenige aanwijzing te geven omtrent onze houding tegenover het dier. Ik begrijp echter, dat het wenschelijk is, de strekking dezer woorden nog eenigszins nader te omschrijven.

De Katholieke Kerk heeft dan ook naast de H. Schrift steeds bijzondere waarde gehecht aan het leergezag, waarmede zij zich door Christus bekleed ziet. Zij heeft steeds weer getracht, de waarheid, in de H. Schrift geopenbaard, door het Leergezag der Kerk beter te doen verstaan en nog weder nader te doen omschrijven. De Kerk heeft haar traditie, haar Kerkvaders en Kerkleeraren om niet te spreken van de leiding haar gegeven in de uitspraken van de Pausen en de Algemeene Concilies. Het is algemeen bekend, dat onder de leeraren der Kerk geen hooger staat door de groote harmonie van zijn betoogen, de gesloten- [55] heid van zijn stelsel, de wijsgeerige behandeling der behandelde vraagstukken dan Sint Thomas van Aquino, de meester der school.

Hij heeft getracht, in overeenstemming met de openbaring in de H. Schrift vervat en door hem geloovig aangenomen, op zuiver wijsgeerige gronden aan te toonen, om welke redenen de mensch goed voor de dieren moet zijn, de dieren moet beschermen.

Zijn standpunt mag ik wel het Katholieke standpunt noemen en ik verwijs gaarne naar hem om dit standpunt in zijn gronden te doen kennen.

Het is wel merkwaardig, dat hij de dierenbescherming op de eerste plaats ziet in het belang van den mensch. Hij erkent aanstonds, dat het dier gelijk heel de schepping ten dienste is van den mensch. God heeft het welzijn der dieren niet rechtstreeks gewild, doch slechts indirect, in zooverre in zijn wereldplan de mensch op den voorgrond staat en voor den mensch alles werd geschapen. Dat wil echter niet zeggen, dat God al heeft hij het welzijn der dieren afhankelijk gemaakt van het welzijn van den mensch, op de eerste plaats bedoeld, God daarom het welzijn der dieren niet uitdrukkelijk heeft gewild. Hij heeft het dier zoo dicht bij den mensch geplaatst om hem door zijn betrekking tot het dier nog beter en gemakkelijker te doen beantwoorden aan zijn verplichtingen in zijn betrekkingen tot de menschen. De menschen moeten elkander dienen. Die dienst moet gegrond zijn op de liefde, welke zij elkander moeten toedragen. Die liefde moet weder geheiligd zijn door de liefde tot God, in wien en door wien de menschen elkander moeten beminnen. Hij heeft van beide een gebod gemaakt. “Ik geef U een nieuw gebod”, zegt Christus, “dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad”. Met betrekking tot de liefde zegt Hij, dat het eerste en grootste gebod is, God te beminnen. Maar het tweede daaraan gelijk is, dat wij elkander liefhebben. Gelijk nu de liefde tot God in en door God ons elkander doet beminnen, zoo moeten we ook zeggen, dat wij God beminnend noodzakelijk ook beminnen, wat Hij bemint, onze liefde uitstrekken tot de natuur gelijk Hij die heeft gewild en gemaakt. Het eene hangt met het andere samen en het eene strekt tot nakoming van het andere. De liefde tot de natuur werkt mede om ons elkander, om ook God edeler en dieper te beminnen. In zeer bijzondere mate geldt dit van de liefde tot de dieren. Het is, alsof God ons door liefde in ons op te wekken voor het dier de liefde tot elkander gemakkelijker heeft willen maken. [56] En omgekeerd zien wij, dat onderdrukking van de liefde tot het dier in den mensch de kiemen van liefde tot den evenmensch doodt. Wie wreed is voor het dier, loopt groot gevaar ook wreed te worden voor den mensch. Wie zacht is voor het dier, zal den evenmensch niet met hardheid behandelen. Liefde tot het dier, bescherming van het geplaagde dier, verzorging van het lijdende dier kweekt in den mensch wondere gesteltenissen van liefde en zorg voor zijn evenmensch. Ik weet wel, dat wij leven in een tijd, waarin men op grond van nieuwe wijsgeerige theorieen de liefde in het leven veroordeelt en alles op strijd, meedoogenloozen strijd om het hoogste ingesteld wil zien, maar ik heb nog zooveel vertrouwen in de menschheid, dat ik gerust de liefde in de samenleving als een deugd durf proclameeren, dat ik de liefde nog durf prediken als het eerste en hoogste gebod, dat ik op beoefening der liefde durf aandringen als de beste waarborg voor een verbetering der menschelijke samenleving. Waar de liefde zoo dikwijls wordt gemist, begroet ik het werk van de dierenbescherming als een machtig door God zelven gewild hulpmiddel in den strijd voor de liefde. Als wij zooveel verruwing van de zeden, zooveel ontaarding van de heiligste gebruiken zien en betreuren, dan begroeten wij het als een gelukkig verschijnsel, dat daartegenover liefde gevraagd wordt voor het arme dier, dat in zoovele omstandigheden bedreigd wordt met noodeloos, neen, met onzinnig lijden.

Ik kom hier niet pleiten voor een overdreven dierenliefde, voor een ziekelijke vertooning, waarbij aan honden of paarden, katten of vogels gegeven wordt, wat aan menschen wordt onthouden. Ik veroordeel, geheel in overeenstemming met hetgeen ik reeds gezegd heb, een liefde voor het dier, welke niet is ondergeordend aan de liefde tot den mensch. Het dier moet den mensch dienen. Die dienstbaarheid is een grootere, een zwaardere dan die van den eenen mensch aan den anderen. Als nu in den dienst van den eenen mensch aan den anderen niet voorkomen kan worden, dat de mensch den arbeid voelt als een juk, hem opgelegd, als dit voor den mensch lijden en offers medebrengt, dan spreekt het wel van zelf, dat wij er niet aan denken, alle lijden alle smart van het dier verwijderd te houden, waar het belang, het leven van den mensch dienst en zwaren harden dienst van het dier vraagt. Hoever we mogen gaan in de toelating van lijden en smart in het dier, is natuurlijk steeds moeilijk te zeggen. Niets is moeilijker dan het trekken van grenzen en scheidingslijnen. Maar het voornaamste daarbij is, dat wij ons door gezonde beginselen laten leiden en ons voor uitersten hoeden. [57]

Christus noemt zich den Goeden Herder, die het verloren schaap in de woestijn opzoekt en op zijn schouders neemt, de legende in de literatuur, de schilderkunst van onze primitieven hebben hem in het midden der dieren geplaatst als vertrouwelijk met hen omgaand, als hun vriend en beschermer, hun weldoener. Vele groote Heiligen hebben in die liefde uitgemunt, zoodat het welhaast een glorie van de Kerk mag heeten, in hare Heiligen nader tot het dier te zijn getreden, de levens der Heiligen zijn vol van de heerlijkste trekken van liefde tot het dier, van vertrouwelijken omgang met het dier, als bewijs van hun onschuld, van hun leven in Gods geest, van hun kinderlijke maar toch zoo gezonde opvatting van de natuur.

De tijd is te kort om hierop dieper in te gaan, maar laat ik één[6] met hen en in hun geest jubelen over de schoonheid van de schepping, vooral het dier als het wezen[7] ons het meest nabij beschouwen, en in onze verhouding tot het dier de aanwijzing, hoe wij staan tot God en het werk zijner handen, denken in zijn geest, beminnen met zijn liefde, beschermen, wat Hij met zooveel zorgen omringt, zoodat gelijk Hij zegt, zelfs geen musch van het dak valt, zonder dat de Hemelsche Vader het toelaat. Zijn wij niet zoo eng en zien wij de wereld niet zoo klein, zien we onszelve in het groote plan der Schepping om denkend met God en beminnend met God de dieren lief te hebben, de dieren wel te doen, de dieren te beschermen, gelijk Hij dat van ons vraagt volgens het voor ons verstand toch sprekende plan zijner Schepping.

Aan het dier zijn hooge, zijn mooie[8] plaats in ons leven!



  1. Typescript, pagenumbering NCI: 51-57. Published in : Prof. Dr. Titus Brandsma, 'Dierenbescherming' (Werelddierendag 4 October), s.l., [1950]. In the typescript corrections are made with a pencil. We present the final text with the written corrections in italics.
  2. Titus corrected 'schrijvend' into 'teekenend'
  3. Underlined with pencil.
  4. Titus crossed out: ‘Het bespreken van dit punt zal het edele in den mensch naar voren brengen, het edele, waar zooveel dichterlijke naturen ontvankelijk voor bleken, heilige personen in hebben uitgemunt’. In the publication of 1953 this line is included.
  5. Titus corrected 'zij' into 'de natuur'.
  6. In the typescript: ‘een’.
  7. Titus corrected 'vooral in het dier het wezen' into 'vooral het dier als het wezen'.
  8. Titus writes: 'mooi'


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019