Duisternis

1935

Article


Duisternis

1935[1]


1⁰ Goddelijke Duisternis. Wordt God dikwijls het Licht, het Eeuwige Licht genoemd, omdat Hij de bron is van alle waarheid en kennis, van den anderen kant wordt Hij ook genoemd de ondoordringbare Duisternis, omdat zijn Wezen al onze kennis te boven gaat. Er is dan ook naast de positieve theologie reden voor een negatieve theologie, die er den nadruk op legt, dat alwat wij ons van God voorstellen zoo ver afblijft van de waarheid, dat het in vergelijking daarmede niets genoemd moet worden en wij derhalve meer in overeenstemming zijn met de waarheid, wanneer wij Gods Wezen zoekende ons verliezen in de Goddelijke Duisternis. Deze beschouwing is vooral bevorderd door de werken van Pseudo-Dionysius den Areopagiet over Gods benamingen, uit het Grieksch vertaald door abt Hilduinus en Joannes Scotus Eriugena en sinds de 9e eeuw zeer sterk in West-Europa verspreid. Vooral in de mystiek onder [499] neo-Platoonschen invloed vond deze negatieve Godsvoorstelling ingang.

Brandsma.


2⁰ Mystieke Duisternis heeft een tweevoudige beteekenis. Op de eerste plaats wordt hier bedoeld een vrijmaking van den geest van alle beelden, zoodat de ziel als een zuivere geest God in het ongebeelde ziet. De ingang tot deze duisternis heeft verschillende graden, naarmate de ziel zich eerst losmaakt van alle zintuigelijke beelden en ten slotte ook van alle verstandelijke. Die ingang kan voor een deel door den mensch zelf worden nagestreefd, maar wordt eerst in den vollen zin bereikt, als God zichzelf in een visioen des verstands verheven boven alle bepaling of gelijk Ruusbroec zegt ‘in unwisen’, d.i. niet op eenigerlei wijze bepaald, doet kennen. Die actieve en passieve onthechting en vrijmaking van alle beelden wordt ook wel ‘de ‘donkere nacht’ genoemd, waardoor de ziel moet gaan om tot het Eeuwig Licht te geraken. Vooral de H. Joannes van het Kruis heeft deze mystieke duisternis meesterlijk omschreven in zijn Opgang tot den Berg Carmel en in zijn Donkere Nacht der Ziel.

Op de tweede plaats spreekt men van mystieke duisternis, in zooverre door de schrijvers van het geestelijk leven wordt aangeraden, zich in het duister terug te trekken om door geen beelden te worden verstrooid en gemakkelijker met God te verkeeren. Voor velen heeft reeds de donkerte van vele Romaansche maar ook van sommige Gotische kerken, waarin door gebrandschilderde ramen het licht in zeer sterke mate getemperd is, iets van die mystieke duisternis, welke gemakkelijker met God doet verkeeren.

Brandsma.


  1. Published in: De Katholieke Encyclopaedie, Vol. IX. c. 498-499. The NCI preserves the typescript.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019