Een nieuwe bloem op den ouden stam

1939

Book introduction

 


Een nieuwe bloem op den ouden stam

[Book introduction][1]


Het mag wel algemeen bekend worden geacht, dat in de laatste helft der zestiende eeuw de H. Teresia van Avila en de H. Joannes van het Kruis de oude Orde van de Broeders en Zusters van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel, korter Carmelieten en Carmelitessen genoemd, zooveel mogelijk tot den oorspronkelijk zoo mystieken geest trachtten terug te voeren en zij met de bijzondere genade door God hun geschonken, er ook in slaagden, in die Orde een Hervorming tot stand te brengen, die heerlijke vruchten van mystiek leven voortbracht.

Dit heeft geleid tot een verdeeling der Orde in twee groote takken, die der Oude Observantie gewoonlijk die der Geschoeiden genoemd, en die der Hervorming, meestal Ongeschoeiden genaamd.

Er is uiteraard eenig verschil tusschen beide Observanties.

De Geschoeiden volgen met betrekking tot de beoefening van de eenzaamheid en het overwegend gebed alsook tot het eten van vleesch eenige verzachtingen, in de veertiende eeuw door de Pausen toegestaan. De Ongeschoeiden hebben deze verzachtingen prijsgegeven en leiden een eenigszins meer teruggetrokken leven, wijdden een uur per dag meer aan het overwegend gebed en onthouden zich van vleesch. Doordat zij bovendien in den regel barvoets gaan, heeft men hun den naam van Ongeschoeiden gegeven. Deze strengere levenswijze brengt hen echter niet in tegenstelling met de Oude Observantie der Geschoeiden, die, al namen zij eenige verzachtingen aan, toch een levenswijze volgen, welke blijkens zooveel Heiligen en Zaligen uit vele eeuwen den bloei van den mystieken geest der Orde niet slechts niet in den weg staat, maar in hooge mate bevordert en steunt. Meer dan de helft van de dagen van het jaar geldt ook bij hen het gebod der Vasten. Minstens vier uur per dag zijn aan gebed gewijd. Het overwegend gebed is de eerste oefening van den morgen en des avonds wordt nog weder een half uur daaraan gewijd. Het vleeschgebruik is toegestaan, maar beperkt tot vier dagen in de week, waarop het niet meer dan tweemaal, één dier dagen in den regel slechts eenmaal per dag is toegestaan. De tegenstelling, in theorie al niet groot, is in de practijk van het leven vaak nog meer opgeheven. Wat van de Paters Carmelieten geldt, is in nog hoogere mate waar met betrekking tot de Carmelitessen. Het leven der Geschoeide en Ongeschoeide Carmelitessen is zoo nauw verwant en gelijkvormig, dat, als de scheiding niet historisch was gegroeid en de onderscheiden Observantie niet om kleine dingen elke groep was lief geworden, er nauwelijks reden tot tegenstelling en scheiding wezen zou. Dit is vooral gekomen, omdat kort na de scheiding der beide takken ook in de Oude <II> Observantie een hervorming en vernieuwing intrad, welke wel eenigszins minder ingrijpend was en de aangenomen verzachtingen niet deed prijsgeven, maar wat den geest betrof, dezen ook tot niet minder hooge mystieke wegen opvoerde, door God op gelijke wijze gezegend en vruchtbaar gemaakt. Zoo werd reeds zeer kort na de scheiding en splitsing door een vernieuwing ook van de Oude Observantie de gemaakte tegenstelling tot de kleinst mogelijke afmetingen teruggebracht en opnieuw het bewijs geleverd, dat de aangenomen verzachtingen aan de Orde haar verheven mystieke roeping niet alleen niet ontnamen, maar alleszins vereenigbaar waren met de hoogste mystieke begenadiging. Voor de Carmelitessen sprak dit nog sterker, omdat zij tot ontstaan en eersten bloei kwamen, toen die verzachtingen algemeen waren aangenomen.

Het is dan ook eigenlijk jammer, dat de wereld, die vaak naar enkele kleine en ondergeschikte uiterlijkheden tegenstellingen oproept, den heerlijken gemeenschappelijken ondergrond, den eenen zelfden geest van den Carmel niet meer aandacht schenkt. Eén geest bezielt beide Observanties gelijkelijk, één ideaal staat beiden voor oogen. Eén roeping vereenigt hen, die er hun leven aan gaven, een verheven mystieke roeping, reeds neergeschreven in de oude Institutio monachorum, die hetzij in de elfde, hetzij in de dertiende eeuw ontstaan, de uitdrukking zijn van het dubbele doel, dat aan de Broeders van Sint Maria op den Carmel door de Goddelijke Voorzienigheid gesteld is.

Aan de Orde van Carmel is een dubbel doel gesteld. Het eerste moeten wij door eigen arbeid en gestadige oefening met de hulp der goddelijke genade trachten te bereiken en is niets anders dan God een hart aanbieden heilig en gezuiverd van alle smet van zonde. Wij moeten m.a.w. onze verplichtingen nakomen en daarbij alle zonde trachten te vermijden, wij moeten ons toeleggen op de deugd en ons daarin gestadig oefenen en mogen daarbij rekenen op de hulp der goddelijke genade. Maar daarnaast is ons een tweede veel verhevener doel gesteld, dat ons slechts door een loutere gave van Gods goedheid gewordt. Dit is, dat wij niet slechts na den dood, maar reeds hier op aarde levend eeniger mate de inwerking van de goddelijke tegenwoordigheid en de zoetheid van de hemelsche heerlijkheid in ons hart smaken en in den geest ervaren. Hier is wel, reeds in de eerste tijden der Orde, haar mystieke roeping, haar mystieke instelling omschreven in voor geen misverstand vatbare termen. In de roeping tot de Orde van Carmel ligt de roeping tot het mystieke leven opgesloten als een gave Gods, een loutere gave Gods, maar als een gave, die hij aan de geroepenen tot den Carmel wil geven, indien zij hun hart slechts voor Hem open stellen en zich ontvankelijk maken voor deze buitengewone goddelijke begenadiging. <III>

Het kan ons niet verwonderen, dat bij zulk een hooge en verheven roeping het aantal mystiek begenadigden in den Carmel buitengewoon groot is en de Orde van Carmel onder dit opzicht een eigen plaats in de Kerk schijnt in te nemen.

In elke Orde komt een bepaalde trek van het geestelijk leven naar voren. Munten de zonen en dochters van Sint Franciscus uit, moeten zij uitmunten in liefde tot de Armoede, de Bruid van hun Stichter, bewonderen wij in de zonen van Sint Ignatius de voorbeeldige gehoorzaamheid, en zien wij zoo in alle Orden en Congregaties bepaalde deugden naar voren komen, waarvoor God in deze Orde meer dan gewone genade schijnt te verleenen om ze zoo heerlijk mogelijk in die Orde te doen uitstralen en een eigen stempel op die Orde te doen drukken, dan mogen we wel zeggen, dat God aan de Orde van Carmel blijkens haar instelling en haar geschiedenis zeer bijzondere genade heeft geschonken om er het gebed te doen liefhebben en de innigste vereeniging met God te doen zoeken met inbegrip van de hoogste trappen van het mystiek leven.

Het gebed, het overwegend gebed, de schouwing van God nemen in de levens van de Heiligen en Zaligen der Orde, toch haar grootste glorie en roem, een heel voorname plaats in onder de deugden en genaden, welke wij daarin zien uitstralen. Zij zijn er door bekend in de geschiedenis der Kerk en, waar in die geschiedenis sprake is van het gebedsleven en de mystieke begenadiging, nemen zij de meest eervolle plaatsen in. De ‘mystieke kerkleeraar’ Sint Jan van het Kruis, de ‘Moeder van het Geestelijk Leven’ de H. Teresia van Jezus van Avila, wier levensprogram een zoo innig mogelijke beleving is geweest van den geest van den Carmel en die aan de Orde haar grootste glorie hebben geschonken, zijn tegelijkertijd de meest gezaghebbende leidende figuren in de Kerk in de vragen van gebed en geestelijk leven tot in de hoogste begenadiging.

Onder de tallooze geestelijke schrijvers van de Orde van Carmel neemt een blinde leekebroeder uit de zeventiende eeuw, Broeder Jan van Sint Samson van het klooster van Rennes in Frankrijk een heel bijzondere plaats in. Behoorend tot de oude Observantie en levend onder de verzachtingen van den Regel door de Pausen toegestaan, heeft hij, nadat de H. Teresia en Sint Jan van het Kruis door hun Hervorming aan de Orde haar oude glorie hadden hergeven, door leven en geschriften getoond, dat de geest der Orde kon worden vernieuwd ook met behoud dier verzachtingen. Trouwens dat had de H. Teresia reeds zoo uitdrukkelijk mogelijk uitgesproken, toen zij haar eigen klooster van de Menschwording geen afstand liet doen van die verzachtingen, omdat onder haar bezielende leiding de geest er hare volle tevredenheid weg- <IV> droeg. Ook waarschuwde Onze Lieve Heer haar zelf bij zijn opwekking tot hervorming der Orde, dat zij zich wachten moest voor de meening, dat wie haar op dien weg niet volgden, daarom den waren geest niet bezaten en door Hem niet evenzeer werden bemind en begenadigd. Hij wilde slechts, dat zij een groep offervaardige zielen tot nog strenger eenzaamheid en afzondering, strengere onthouding en boete zou opwekken om door hun voorbeeld en geestdrift den geest in de Orde te vernieuwen en te verinnigen. Haar hervormingswerk voltrok zich onder leiding en de volle instemming van den Generaal der Orde en van een tegenstelling of afscheiding was in den eersten opzet geen sprake. Gelijk een H. Maria Magdalena de Pazzi te Florence in het verband van de Oude Observantie met instemming harer Oversten geen gebruik maakte van de toegestane verzachtingen, zoo wilde ook de H. Teresia met haar terugkeer tot den Regel van 1246 allerminst treden buiten het bestaande Ordesverband. Eerst vele jaren na haar dood is door de houding van enkele personen een tegenstelling gegroeid en heeft deze tot een afscheiding geleid, welke oorspronkelijk allerminst in de bedoeling der heilige Hervormers heeft gelegen.

Het is dan ook heel begrijpelijk, hoe in Frankrijk in het begin van de zeventiende eeuw in het verband van de Oude Observantie, naar het voorbeeld en onder inspiratie van het hervormingswerk van een Teresia en een Jan van het Kruis een niet minder schitterende hervorming van den Carmel tot stand kwam met behoud van de verzachtingen, door de Pausen toegestaan. Het is de ‘strictior observantia’ of strengere Observantie gepropageerd door een groep kloosters uit de provincie van Tours of La Touraine, met het klooster van Rennes aan het hoofd.

Gods Voorzienigheid had in dit klooster een merkwaardig driemanschap samengebracht. De Prior Petrus Behourt gaf reeds in 1604 den eersten stoot. In zijn Supprior Philippus Thibault had hij reeds aanstonds een geestdriftigen aanhanger, die na zijn dood de groote stuwkracht der beweging werd en hem ook als Prior van Rennes opvolgde. Maar de ziel van de beweging werd na korten tijd de blinde broeder Jan van Sint Samson, die in 1606 in het klooster te Dol ingetreden, in 1612 door Pater Thibault naar Rennes werd geroepen en daar in 1636 overleed.

Hij wordt om zijn mystiek leven zoowel als om zijn diepe geschriften vaak de Jan van het Kruis van de Oude Observantie genoemd en verdient onder vele opzichten inderdaad dien naam. Een der schoonste geschriften, uit de school van den Carmel voortgekomen en handelend over haar geest is wel een door hem geschreven tractaat over den geest der Orde.

Geschiedschrijvers over het geestelijk leven der Orde, <V> leden van de Hervormde Orde allerminst uitgesloten, beschouwen hem dan ook als een der meest gezaghebbende schrijvers van den Carmel. Pater Hieronymus van de Moeder Gods van de Orde der Ongeschoeide Carmelieten in België, die zelf zeer verdienstelijke werken over het geestelijk leven schreef en ook over de opvatting van het geestelijk leven op den Carmel een zeer gewaardeerde studie uitgaf, noemde Broeder Jan van Sint Samson nog onlangs ‘un témoin autorisé’ ‘een gezaghebbend getuige’ van het mystieke leven op den Carmel. De bekende Henri Bremond wijdt hem in zijn machtig werk ‘Le Sentiment religieux en France’ een zeer uitvoerige studie en aarzelt niet hem ‘un de nos mystiques les plus sublimes’, ‘een onzer verhevenste mystieken’ te noemen.

Jan van Sint Samson of eigenlijk Jean du Moulin was niet van zijn geboorte af blind, maar werd dit door een ondeskundige behandeling bij een ziekte op reeds zeer jeugdigen leeftijd. Hij groeide op in de grootste armoede en vond na veel omzwervingen een toevlucht in den Carmel te Parijs. In ruil voor de zorgen hem gewijd, speelde hij vaak het orgel in de kerk en hij werd in deze kunst na korten tijd zoo ervaren, dat velen door zijn spel tot de kerk van den Parijschen Carmel getrokken werden. Men had in het klooster een stille vereering voor hem om zijn innige vroomheid, die zonder ook maar op eenigerlei wijze gekunsteld te zijn, door haar warmte en diepte opviel.

Hij was al 35 jaar oud, toen hij, geleidelijk meer in den geest van de Orde van Carmel doorgedrongen, aan een jongen Pater Matthaeus Pinault, die zijn studies te Parijs beeindigd had en naar zijn klooster in Dol terugkeerde, zijn verlangen kenbaar maakte, met hem mee te gaan naar Bretagne en te Dol in de Orde te worden opgenomen. Door Pater Matthaeus voorgelicht maakte men te Dol geen bezwaar, hem aan te nemen en spoedig was in geheel de Provincie bekend, welk een vromen broeder men te Dol in hem rijker was geworden. De faam van zijn heilig leven deed Prior Thibault van Rennes besluiten, hem naar het centrum der jonge bloeiende strengere Observantie te halen om den geest er van nog meer te verinnigen. Hier was men geheel op een hooger leven ingesteld. Hoewel dit eenerzijds voor Broeder Jan, die naar den Patroon van de stad Dol den naam van den H. Samson als tweeden naam had ontvangen en daarom voortaan nog als Jan van Sint Samson bekend zal wezen, een vreugde was en een heerlijke voldoening, van den anderen kant raakte hij, de weinig geletterde blinde Broeder er in verlegenheid, zoo druk kwam men bij hem om over geestelijke dingen te spreken en voorlichting van hem te ontvangen op de wegen van het geestelijk leven. En niet slechts uit het klooster zelf. Neen, priesters van andere Orden, hooggeplaatste geestelijken uit de wereld <VI> kwamen naar Rennes om hem te spreken. Het was zeker iets ongewoons en dit werd voor den Prior aanleiding, hem te bevelen, zijn wijze van bidden en van verkeer met God nader te omschrijven.

Ook de H. Teresia kreeg eens zulk een bevel. Haar antwoord was het bewonderingswaardige Boek van haar Leven. Het antwoord van Broeder Jan van Sint Samson was een verhandeling onder den titel ‘Over het zich verliezen van het onderwerp in zijn voorwerp’. De Prior gaf het ter inzage aan mannen gevormd in de school van het geestelijk leven, ook aan enkele Ongeschoeide Carmelieten, met wie hij in groote vriendschap leefde. Hun aller antwoord was oprechte waardeering en bewondering en de verzekering, dat hij veilig kon toelaten, dat men den ongeletterden Broeder in vragen van het geestelijk leven om raad en voorlichting vroeg. “Hij heeft den goeden geest” was de korte samenvatting van het antwoord der geleerden.

Zoo gebeurde het dat hij een kring van vrienden van het geestelijk leven rondom zich verzamelde en het klooster van Rennes in korten tijd in verren omtrek bekend werd als een huis van bewonderenswaardige Observantie en van het innigste geestelijk leven. Een bijzondere gave had hij om de jonge novicen tot geestdrift en volkomen overgave te brengen en in en door hen voor geslachten den geest der Orde te bevestigen. De strengere Observantie ging van Frankrijk naar België en de Nederlanden, naar Duitschland en Oostenrijk, Polen en Rusland, naar Ierland en leidde in al deze landen tot een nieuwen bloei der Orde. Vooral in België en de Nederlanden heeft deze geestelijke herleving rijke vrucht gedragen. Van tegen de helft der zeventiende eeuw is hier een ongekende bloei, die zich niet slechts afteekent in het groot getal personen om hun deugd en heiligheid vermaard en in geur van heiligheid gestorven, maar ook in tal van geestelijke werken, welke daarvan nog heden getuigen. Met den heropbloei van het geestelijk leven ging een opbloei van studie en beoefening vooral van de wijsgeerige en theologische wetenschap hand aan hand. Een natuurlijk gevolg van dien bloei was weer de stichting van nieuwe kloosters. Een vrucht van die expansie was de stichting in de Noordelijke Nederlanden van het klooster te Boxmeer in 1653, spoedig gevolgd door de stichting van een Carmelitessenklooster terzelfder plaatse in 1672, welke de moederhuizen werden van de thans zoo bloeiende Nederlandsche Provincie van de Paters Carmelieten van de Oude Observantie en van de vier Carmelitessenkloosters dierzelfde Observantie in de Noordelijke Nederlanden. Wij noemen uit deze school en dezen tijd slechts Pater Daniel van de H. Maagd Maria (van Audenaerde), in 1678 te Antwerpen overleden, in den volks- <VII> mond bekend als ‘de heilige Pater’, schrijver van een vijftiental geestelijke en geschiedkundige werken, van welke wel de meest sprekende en voornaamste zijn een uitvoerige geschiedenis der Orde in vier deelen onder den titel ‘Speculum Carmelitarum’, een beknoptere onder den titel ‘Vinea Carmeli’ en het heerlijk mooie werkje in het Nederlandsch ‘Inleiding tot een godvruchtig leven’, en naast dezen Pater Michael van Sint Augustinus (van Ballaert), overleden te Brussel in 1684, wel den meest gezaghebbenden schrijver dezer school. die in negen werken den vollen rijkdom van het geestelijk leven op den Carmel heeft geschilderd. Hiervan zijn een Latijnsche ‘Inleiding tot het innerlijk leven’, waarin hij tot de beschouwing van het hoogste mystieke leven opklimt, en een Nederlandsche ‘Inleiding in het land van Carmelus’ met een klein werkje over ‘het Maria-vormig leven’ wel de meest beteekenende zijn, zoodat het ons niet verwonderen kan, dat van het eerste en het laatste in 1926 van de hand van Pater Gabriel Wessels nog weder een nieuwe uitgave het licht heeft mogen zien en weder groote verspreiding heeft mogen vinden. Wij mogen in de ascetische en mystieke werken dezer twee Nederlandsche Paters een weerklank hooren in onze landen van den geest, welke er in de strengere Observantie van Touraine leefde en waarvan de blinde Broeder Jan van Sint Samson reeds de ziel is genoemd.

Keeren wij tot deze bron van geestelijk leven op den Carmel terug, dan putten wij daaruit allereerst de blijde gedachte, dat allen, die tot de Orde van Carmel zijn geroepen, in die roeping tegelijk een roeping tot het hoogste geestelijk leven, de mystieke begenadiging niet uitgezonderd, mogen zien. God wil dit innig verkeer met Zich, die genieting van Zich aan velen schenken, maar de roeping tot de Orde van Carmel is een aanwijzing, dat Hij deze geroepenen op bijzondere wijze daartoe uitverkiest, mits zij geen beletselen aan zijn genade stellen en blijven beseffen, dat de mededeeling er van toch altijd blijft, naar het woord van de van ouds in de Orde bekende ‘Institutio monachorum’ of ‘Onderrichting voor de kloosterlingen’ een vrije gave Gods.

Op deze roeping en uitverkiezing legt Jan van Sint Samson wel heel sterk nadruk. Het moet de eerste zorg van allen, die tot de Orde geroepen zijn, wezen, dat zij aan de genade Gods, die hun in zoo overvloedige mate is toegedacht, geen beletsel in den weg stellen. Het is noodig, dat zij werken en studeeren, preeken en andere werken van zielzorg verrichten, maar al hun werkzaamheden mogen nooit verhinderen, dat zij met God leven en het innigst verkeer met God onderhouden. Dat is hun eerste en hoogste roeping, welke door geen andere wordt te niet gedaan. En daarom moet eerst die grondslag wor- <VIII> den gelegd en op dien grondslag worden verder gebouwd. Hieruit volgt ook, dat hij wil, dat vooral de novicen van stonde af aan, dat zij in de Orde zijn, zich toeleggen op een innig en diep geestelijk leven en zich geheel voor de genade Gods open stellen, opdat God Zich met hen vereenige en hen tot de innigste gemeenschap met Zich opvoere en zij niet tot werkzaamheden van welken aard ook zouden moeten worden toegelaten, zonder dat eerst deze grondslag is gelegd en zij daarop hecht en innig met God verbonden staande ongehinderd de verstrooiïng van de werkzaamheid kunnen verdragen.

Nadat hij klaar en duidelijk in het licht heeft gesteld, dat het mystieke leven niet bestaat in gezichten en visioenen, in wondteekenen of opheffing van den grond, maar eenvoudig in het zien van God voor ons en met ons en in ons en in het daardoor tot liefde tot God zijn ontstoken, zoodat deze als een vuur in ons brandt en wij niets meer verlangen, dan dat God ons met zijn vuur verteert en in Zich doet opgaan, verwerpt hij zoo nadrukkelijk als hij kan de gedachte, dat dit mystieke leven niet voor ons zou zijn, niet iets voor ieder van ons. Natuurlijk verzuimt hij niet, er op te wijzen, dat de gesteltenis daartoe en de trappen in dien opgang naar God gaven en genaden Gods zijn, dat wij daartoe uit onszelf niet komen, maar hij wijst er niet minder nadrukkelijk op, dat God er ons ontvankelijk voor heeft gemaakt en wij die ons geschonken ontvankelijkheid toch moeten ontwikkelen en van alle hindernissen moeten vrijmaken. En dan merkt hij op, dat dus niet voldoende is een negatieve verwijdering van alwat onzen opgang naar God een hindernis in den weg kan stellen, maar wij ook positief tot dien opgang kunnen en moeten medewerken door de gestadige beoefening van de deugd.

Een tweede blijde gedachte bij Jan van St. Samson is zijn voorstelling van de Orde als een school of als een huisgezin, waar wij in onderlinge gemeenschap en met elkanders hulp naar hetzelfde verheven doel streven. Wij kunnen, zoo zegt hij, in het geestelijk leven evenmin als in het natuurlijke het element der opvoeding niet missen. Wij hebben behoefte aan leermeesters en leiders. Het is een uitzondering, dat God niet de medewerking van een geestelijke Orde vraagt om zijn uitverkorenen tot de hoogere trappen van het geestelijk leven op te voeren. En daarom is het van zoo groote waarde en beteekenis, zegt hij, dat er in de Kerk vele scholen van geestelijk en mystiek leven zijn, alle met haar eigen tradities en opvatting, die aldus langs verschillende wegen de zoo verschillend ingestelde menschen over den voor hen geëigenden weg naar God leiden. De wegen mogen gerust wat van elkander verschillen, zij komen alle in God uit en vinden in hun gemeenschappelijk doel hun aller ge- <IX> lijkelijke rechtvaardlging. God heeft in de natuur een grooten rijkdom, een rijke verscheidenheid gewild. Zoo wil Hij ook in het geestelijk leven een aanpassing aan de verscheidenheid van aanleg en vorming en toont Hij, dat Hij zijn gaven en genaden onder een menigte vormen weet mede te deelen. Zijn wijze en liefdevolle Voorzienigheid heeft naast vele andere aldus ook de Orde van Carmel gewild om in haar en als aan haar hand velen te leiden naar de hoogste hoogten van het mystieke leven en heeft die Orde door de daarin gehuldigde leerstellingen en opvattingen, door de daarin tot groote heiligheid gekomen personen gestempeld tot een heel bijzondere school van mystiek leven. Wanneer Hij nieuwe stekjes in dien tuin uitplant, dan wil Hij ze als bloemen zien ontluiken en opengaan, opdat ze het volle zonlicht en den vollen gloed der zonnewarmte van Hem, die de zon van dien tuin wil wezen, zullen indrinken. Wanneer Hij zooveel jonge zielen tot de Orde roept, dan moet de Orde dezen ook de zorgen wijden, welke met zijn uitverkiezing overeenkomen.

Een derde blijde gedachte van Broeder Jan van Sint Samson is, dat God veel en veel meer in ons zou willen uitwerken en ons met zijn liefde vervolgt. Niets is meer noodig dan de algeheele overgave aan God, het zich geheel in zijn handen stellen. In zijn oneindige, dat is dus onbegrijpelijke liefde, in zijn oneindigen, dat is dus onuitputtelijken rijkdom wil Hij ons met gunsten en weldaden overladen en ook vol maken van Zichzelven, als wij slechts van Hem vervuld willen wezen en ons hart niet voor Hem sluiten door het vol te maken van veel, dat Hij niet is. Weten we ons hart van dat alles leeg te maken en ons los te werken van alwat God niet is, dan zullen we verstomd zijn over zijn werk in ons. Was de mensch goed van die waarheid doordrongen, hij zou geheel in God opgaan. En het lichaam zou den geest volgen in stee van hem te drukken en aan zich dienstbaar te maken.

Het spreekt vanzelf, dat Broeder Jan veel aandacht vraagt voor het mondgebed zoowel als voor de overweging. Het leven op den Carmel brengt dit uiteraard met zich mede, maar hij vraagt daarnaast bijzondere aandacht voor een vorm van gebed, dat hij tegelijk de voortzetting en de blijvende vrucht der overweging noemt, het in duizenden vormen terugkeerende en steeds weer herhaalde door liefde ingegeven schietgebed. Het is altijd in de Kerk bekend geweest en we vinden het vermeld of aangeduid bij de oudste schrijvers, omdat het ligt in den aard van den mensch, die God zoekt en met Hem vereenigd is, ook voortdurend met Hem bezig te zijn, met Hem te spreken naar de omstandigheden van het oogenblik. Toch is ook hier een zekere ontwikkeling aanwezig <X> en is het schietgebed van een spontane uiting een systematische oefening geworden.

Het is een bijzondere verdienste van de Moderne Devotie in de Nederlanden van de vijftiende en zestiende eeuw, dat zij op deze oefening sterk heeft aangedrongen en den weg er toe heeft gewezen. Elk had zijn goudmijn vol korrels uitgezift goud in den vorm van korte slagwoorden en schietgebeden, met liefde en zorg uit de geestelijke schrijvers samengelezen. Was ook deze oefening in den beginne nog een geheel aan ieders aandrift en godsvrucht overgelaten practijk, geleidelijk kwam ook daarin methode. Het is vooral de Minderbroeder Hendrik Herp geweest, die deze wijze van bidden en zich vereenigen met God nader heeft uitgewerkt en heeft gesystematiseerd. Hij noemt ze in het Latijn ‘aspiratio’, in het Nederlandsch ‘toegeesten’ of den geest tot God opheffen, als het ware ademen naar God, naar God als naar zijn adem snakken. Hij behandelt ze in Hfdst. 46 van het derde deel van zijn Spieghel der Volcomenheit, in het Latijn bekend en uitgegeven onder den titel Directorium Contemplativorum. Pater Lucidius Verschueren, O.F.M. heeft er in 1931 een uitstekende uitgave van bezorgd, waarin men het bedoelde Hfdst. in het Latijn en in het Nederlandsch vindt op blz. 266-285. Herp is hier niet oorspronkelijk en bouwt voort op de Theologia Mystica van Hugo van Balma, een Karthuizer uit de tweede helft der dertiende eeuw, een werkje, dat zeer groote verspreiding over heel West-Europa heeft gevonden en dikwijls voorkomt als een werkje van de H. Bonaventura en onder diens geschriften herhaaldelijk werd uitgegeven. Maar Herp heeft diens leer over de ‘aspiratio’ nader omschreven en uitgewerkt en is vooral de verspreider dezer wijze van vereeniging met God geworden. Het is duidelijk, dat Jan van Sint Samson niet van Hugo van Balma, maar van Hendrik Herp de omschrijving van deze wijze van bidden heeft overgenomen. En voor hem zoowel als voor Hendrik Herp is het ‘toegeesten’ het krachtigste en vurigste middel om tot God op te klimmen, met Hem vereenigd te blijven en steeds inniger met Hem vereenigd te worden. Beiden sporen zoo dringend mogelijk aan, zich voortdurend te oefenen in ‘offeren’, ‘eyschen’, ‘gheliken’ en ‘verenighen’, zooals Herp het uitdrukt.

Het zou ons te ver voeren, hier nader uiteen te zetten, hoe Jan van Sint Samson deze wijze van bidden weder verder ontwikkelt en deze heerlijke oefening nog weder nader omschrijft en vervolmaakt. Wij moeten ons er toe bepalen, de vier trappen in enkele woorden te omschrijven.

De eerste trap is het zich geheel aan en voor God ten offer brengen.

De tweede trap is een voortdurend vragen om zijn genade en bijstand. <XI>

De derde trap is een zich steeds meer gelijkvormig maken aan God.

De vierde trap is een zich steeds en steeds inniger één maken met God.

De Broeder geeft toe, dat dit verre van gemakkelijk is en wij ons er gestadig in moeten oefenen om er dan nog heel geleidelijk voortgang in te maken. Maar doen wij dit, dan komen we langs dien weg als tot een voortdurend zien van God en een voortdurend spreken met Hem. Het wordt in ons een tweede natuur, God voor en in ons te zien en met Hem vereenigd door het leven te gaan. Alwat de zinnen treft, bindt ons niet, wij blijven er boven verheven. Wel moeten we dit, zoo waarschuwt ons Broeder Jan in navolging van de H. Teresia, niet zoover drijven, dat we ook geen oog meer zouden hebben voor de verbeelding van het Leven en Lijden van Jezus, onzen voor ons mensch geworden God.

Over deze schouwing Gods spreekt hij dan verder. Zij overtreft alles. Het onderwerp verliest zich geheel in zijn Voorwerp en vereenigt het onderwerp der schouwing geheel met het Voorwerp van de tot de innigste liefde dringende beschouwing. Er ontstaat een heerlijke wisselwerking tusschen God en de ziel. Maar de ziel verliest zich in God en begrijpt, dat zij het Onbegrijpelijke wil begrijpen, het Onuitsprekelijke onder woorden en begrippen wil uitdrukken. Het wordt licht voor haar en duisternis tegelijk. Zij kan geen woorden vinden om uit te drukken, wat zij ziet en verstaat en wordt er toe getrokken, dit in het innerlijkste van haar wezen te genieten en daar met God te verkeeren. Daar gloeit dat ‘vonkje’, door God er in neergelegd als een wonder vermogen, Hem te kennen en te begrijpen en naar Hem haar leven te richten. Dat kennen van God en streven naar Hem wordt het al beheerschende in haar en dat ‘vonkje’ wordt een licht en een vuur, dat de eenig ware wijsheid en de daardoor ontstoken meest oprechte en zuivere liefde in haar het beginsel van ‘leven met God’ doet wezen.

Broeder Jan van Sint Samson zou geen leidende figuur in de Carmel-mystiek zijn, indien hij tenslotte in zijn geschriften zoowel als in zijn leven niet op bijzondere wijze Maria had gezien als onze Moeder en leidster in het geestelijk leven. Zij is voor hem de Koningin der liefde, die ons in het rijk der liefde aan het hoofd der Heiligenschaar moet binnenleiden, zij is de Koningin der wereld gezien als het Rijk van God. Zij is zoo vol van genade, dat zij uit die volheid wel moet mededeelen en deze van haar uitgaat. Zij is de schatbewaarster Gods, onze voortdurende Middelares. Door haar worden wij de innigste vereeniging met God deelachtig, want door haar heeft God Zich met ons willen vereenigen en is Hij mensch geworden. En daarom moeten wij altijd aan haar zijde, <XII> onder hare moederlijke bescherming staan en het ons tot een voorrecht rekenen, haar leiding en bijstand, haar voorbeeld en haar hulp te ontvangen.

In een ontboezeming tot God roept hij uit, dat niets Hem meer en duidelijker voor ons uitbeeldt en meer gelijkvormigheid met Hem bezit dan Maria, zoowel innerlijk in haar hart als in het uiterlijke van haar leven. Als wij in hare volmaaktheid doordringen, dringen wij door in die van God zelven, want zij is Hem het meest gelijk, een tweede Hemzelf. Wij moeten haar dus beschouwen, zooals wij verplicht zijn, God te beschouwen. In stille bewondering moeten wij opzien naar haar verheven eigenschappen, begrijpend, dat zij boven alles gaan, wat God aan den mensch heeft meegedeeld. In haar leeren wij de heerlijkste uiting van Gods liefde kennen en door haar te beschouwen zien wij, hoe lief God den mensch toch heeft. Die beschouwing moet ons in verrukking brengen.

Ja, het is goed, een kind van Maria te zijn en zich in dat besef gelukkig te achten.

Als kind van Maria met de zucht, haar gelijkvormig te zijn om zoo God gelijkvormig te worden, worden wij naar God gedreven als zij, staan wij met haar aan de voeten van het Kruis om te deelen in den offerdood des Heeren en om stervend aan onszelf en aan heel de wereld in gezelschap van onze Moeder en door haar geleid en geholpen nog slechts in en voor God te leven.

Pater Joannes Brenninger sluit een artikel over Broeder Jan van Sint Samson in deel VIII van de Analecta der Orde met de mooie woorden, ontleend aan de negende zijner geestelijke Brieven: “In geheel ons leven moeten we op niets meer acht geven, dan dat wij sterven aan ons zelf. Dit moet onze eenige voldoening zijn. Daarop moet in hoogste wijsheid ons streven gericht zijn, als wij God beschouwen in de eenzaamheid van geest en van lichaam, zooals de geest der Orde ons voorschrijft. Die eenzaamheid, dat eenzaam verkeer met God moeten wij nooit verlaten, tenzij God ons duidelijk naar elders roept om er andere dingen te doen. Dat is het beste deel. dat wij daarin mogen verwijlen.” Hij noemt dit de korte samenvatting van zijn mystieke leer over geest en zin van het leven in de Orde van Carmel.


Nijmegen, 1 Maart 1939.

Prof. Dr. Titus Brandsma, O. Carm.



  1. Published in: Albertus Groeneveld Ord. Carm. Carmellicht. Kernachtige gezegden en raadgevingen voor allen, die naar volmaaktheid streven, bijzonder voor kloosterlingen, ontleend aan de geschriften van Eerbiedwaardigen Dienaar Gods Joannes van den H. Samson, geschoeiden Carmeliet. Aan de hand van de Fransche editie van P. Sernin de St. André in het Nederlandsch uitgegeven door P. Albertus Groeneveld Ord. Carm. Met een inleiding van Prof. Dr. Titus Brandsma Ord.Carm. Hoogleeraar in de Mystiek aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Sittard [1939]. 12 pages, unnumbered.

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2020