Enige regelen ter inleiding

1939

Preface

 


Enige regelen ter inleiding

[1]


Het was nog in het begin van deze eeuw.

Op een klein dorpje in Engeland, te Keswick, sprak in een bijeenkomst van slechts zeventien personen een vrouw in hartelijke eenvoud van het Kruis van Christus en de zonde der mensen.

Onder hen was een Amerikaan, dien de verbittering hard en onverzettelijk had gemaakt.

De eenvoudige woorden van die vrouw ontspanden zijn verbeten gelaat.

Op eens zag hij, als in een visioen, de smart, het naamloos lijden van Jezus en diens onuitsprekelijk geduld, gedragen door een oneindige liefde. Een niet te peilen leed tekende zich af op het aanbiddelijk gelaat van den Man van Smarten. Maar een leed gedragen op een heel andere wijze, dan hij, de verbitterde, het had gedaan.

Hij zag een kloof tussen zichzelven en Jezus, die niet te overbruggen scheen.

Maar het Gelaat van den lijdenden Jezus bleef hem voor de ogen zweven.

Het liet hem niet meer los.

Hij schaamde zich.

Wat had hij zijn leed slecht gedragen.

Wat had Jezus dat anders gedaan.

Hij kan niet zo.

En toch, hij moet.

Hij valt op de knieën en bidt, dat Jezus hem helpe en leide, het voorbeeld van Jezus hem niet meer loslate, hem dwinge tot een ander, tot een beter leven.

Het beeld van den Gekruiste blijft hem voor ogen staan. Hij staat op als een ander mens.

Hij grijpt naar de pen en schrijft brieven van hartelijke en oprechte vergeving aan degenen, die [II] hem gegriefd en beledigd hebben, die hem uit zijn vaderland hebben doen vluchten, omdat hij het niet meer kon uithouden, omdat hij niet kon vergeven. Hij vergeeft.

Zijn brieven blijven onverstaan, onbeantwoord.

Zijn vergiffenis wordt er niet door geschokt. Hij ziet nog altijd Jezus voor zich, hangend aan zijn Kruis, zijn armen uitstrekkend tot alle mensen, ook tot degenen, die onder het kruis hem staan te bespotten.

En met het kruis van Jezus voor ogen trekt deze man door de wereld om zijn medemensen, die niet meer aan Jezus dachten, van Hem te spreken en Jezus weer voor hen te doen leven.

Zijn woord slaat in, zijn oprechte erkenning van schuld doet ook anderen zich vernederen en schuld bekennen. In rouwmoedig schuldbesef kloppen zij op hun borst en vragen Gods genade.

Zij willen met zovelen, voor wie het kruis het overwinningsteken was, in dat teken door het leven gaan om zo ook te komen tot de zegepraal.

Deze Amerikaan was Franck Buchmann. De beweging door hem in het leven geroepen is de onder de naam “Oxford-beweging” wijd verspreide levensvernieuwing, ingegeven door de overgave aan God en geleid onder de elkeen duidelijk geworden leiding van den H. Geest.

Als het visioen van het Kruis van Christus buiten·de Katholieke Kerk zulk een beweging van honderdduizende kan dragen, deze tot levensvernieuwing brengt en hun bekering in daden doet omzetten, die bewondering wekken, wat moeten wij, Katholieken, ons dan schamen, voor wie het Kruis van Christus de beeltenis is, welke al onze kamers tot verblijf van Christenen stempelt, die ons telkens weer tekenen met dat H. Kruis, die dat Kruis doen verrijzen op straten en pleinen. [III]

Het is, of wij ziende blind en horende doof zijn.

Zegt dat beeld van Christus ons dan niets meer.

Zien wij in dat beeld van den lijdenden Heiland dan niet de liefde, die ons dringt, ook onzerzijds toch enige liefde te tonen.

Het is een blijde gedachte, dat een omvattende Oxford-beweging, een wereld-revolutie genoemd, duizenden weer heeft doen opzien naar het Kruis, die aan die blik geheel ontwend waren, en hen tot een nieuw leven heeft gewekt.

In brede kringen is de eerbied voor het Kruis hersteld.

Het staat in geheel verwereldste omgeving weer op eens in het midden van de aandacht en spreekt er weer van liefde en wederliefde.

Wat kan de herinnering aan het Kruis toch vruchtbaar zijn.

Als ons leven zo slap is, als ons Christendom zo flauw is, als ons gedrag de hoogachting voor het Christendom doet verminderen, omdat er niets van uitgaat, wordt het dan geen tijd, dat wij de herinnering aan het Kruis vernieuwen, dat we onze ogen weer open doen voor de stralende glorie van dat heilig teken en die stralen opvangen in ons koude hart. Wat belijden wij ons Christenen, als het Kruis ons niet voor ogen staat. Wat gaan wij met een eigen wereldbeschouwing door het leven, als van het Kruis op ons geen omwenteling uitgaat, geen bekering, geen liefde, welke spreekt door daden.


Er is een tijd geweest, dat Nederlands Katholieken een ‘moderne devotie’ ingang hebben doen vinden, Nederland de leiding had in een beweging, die haar uitdrukking heeft gevonden in “De Navolging van Christus”. In kunst en literatuur vinden wij weer- [IV] spiegeld, welk een plaats het leven en lijden des Heren toen innam in de gedachte van Nederlands Katholieken. Het was in den tijd van Geert Groote, den boetprediker en hervormer, die van stad tot stad ging om van bekering en vernieuwing te spreken en velen inderdaad tot een nieuw leven bracht.

Op het einde van de veertiende eeuw – het zal om de jaren 1380-1390 zijn geweest – was er aan het Hof van Holland een schrijver van den regerenden Graaf, die ook luisterde naar de boetprediking van Geert Groote. Het was Hendrik Mande, in onze middeleeuwse geestelijke letterkunde bekend als de schrijver van een groot aantal innige werkjes over boete en bekering, over innigheid en vroomheid in het verkeer met God. Hij is een der grote mannen van de school van Geert Groote, een der leidende figuren van de ‘moderne devotie’.

De prediking van Geert Groote, de faam van de Broeders van het Gemeene Leven te Deventer met Floris Radewijnsz aan hun hoofd, troffen en trokken Mande naar een nieuw leven, brachten hem tot nadenken, wekten een verontrustend schuldbewustzijn in hem op.

Maar het was niet gemakkelijk, het oude leven vaarwel te zeggen, met hetgeen gewoonte geworden was, te breken.

Mande aarzelde, de beslissende stap te zetten. Hij kon het niet eens worden met zichzelf. Hij had de moed niet, tussen Christus en de wereld, tussen het genot en het kruis te kiezen.

Toen gebeurde met Mande iets, dat heel vee! overeenkomst heeft met hetgeen in deze eeuw den groten Franck Buchmann overkwam en de aanleiding werd tot zijn bekering.

Op eens staat Hendrik Mande op een dag het beeld van den lijdenden Verlosser voor ogen, han- [V] gende aan het kruis, bloedend uit vijf stralende wonden en daarop wijzend met het stil vermaan, zoveel liefde toch niet onbeantwoord te laten.

Dat beeld laat ook hem niet los.

In huis, op straat, in de kerk, altijd staat hem dat beeld van den liefdepredikenden Jezus voor de geest.

Het hamert hem wederliefde in.

Hij kan er zich niet meer aan ontworstelen. Hij moet nu anders.

Hij breekt op uit Den Haag, de plaats der grafelijke residentie, en trekt naar Deventer en vandaar naar Windesheim. Hij wordt er wel geen Regulier-Kanunnik, maar hij sluit zich toch bij hen aan en deelt hun leven en hun godsvrucht.

Hij wordt een der devoten, die de meeste invloed uitoefent door zijn innige en diepe godsvrucht. Hij weet tot de hoogste beschouwing op te klimmen, voorzover dit menselijker wijze mogelijk is. En zijn leven overtuigt ons er van, dat God niet naliet, hem naar het woord van Ruusbroec tegemoet te komen en met zijn genade te overstelpen.

In de Kronieken van Windesheim lezen wij van zijn heilig leven, van zijn begenadiging en voorbeeld, van de stoot, door hem aan de beweging van de “Navolging van Christus” gegeven.

Met Thomas van Kempen, met Floris Radewijnsz en Zerbolt van Zutphen, met Jan Vos van Heusden en zoveel anderen zet hij het vernieuwingswerk van Geert Groote voort en maakt dit met hen tot een beweging, die ver over de grenzen van Nederland ging, Nederland in de geschiedenis van het geestelijk leven een eigen plaats heeft gegeven.

Later is die ‘moderne devotie’ enigszins ontaard en te veel veruiterlijkt. De Navolging van Christus werd te veel ingesteld op louter werkheiligheid. Men [VI] waarschuwde er voor in de eigen kring, maar zelfs het voorbeeld van een Liduina van Schiedam, door Brugman en Thomas van Kempen verheerlijkt en aan de bevolking voorgesteld, was niet bij machte, die godsvrucht innig genoeg te houden, zodat er in het begin der 16de eeuw een nieuwe beweging in de Nederlanden ontstond, die alweer naar het Kruis van Christus leidde.

Maar Hendrik Mande is nog uit de eerste bloeitijd.

Het is de bijzondere roem van Nederland, in dat tijdperk door de godsvrucht tot het H. Lijden een grote vernieuwing in het geestelijk leven te hebben gebracht.

Dat deze op het einde der 15de eeuw te zeer veruiterlijkte, ontneemt aan de heerlijke begin-periode niet den luister en de eer, het bewijs te hebben geleverd, dat herleving van de godsvrucht tot het H. Lijden en de uitbeelding daarvan een allersterkste prikkel zijn tot geestelijke vernieuwing en tot de schoonste uitingen van godsvrucht.


Het is, of er weer een drang tot vernieuwing door Nederland gaat.

Het geestelijk leven is rijk en vruchtbaar.

Duizenden worden door de hoogste idealen van het Christendom gegrepen en wijden heel hun leven aan de dienst van God, dienen Hem in een weer anderen begeesterende toewijding.

Men spreekt met lof van Nederland in de landen om ons heen en wijst op de bloei en de vruchtbaarheid der Christelijke gedachte in onze lage landen aan de koude zee. Alle koelheid en nuchterheid ten spijt, ons volk zo eigen, gloeit er vuur in menig jeugdig en gelukkig ook nog ouder hart. Maar dan wijzen we – evenals in de 14de en 15de eeuw – ook op heerlijke uitingen van godsvrucht tot het [VII] H. Lijden, evenzovele brandpunten van het licht en de gloed, die worden uitgestraald.

Er zal nauwelijks een land zijn aan te wijzen, waar zovelen dagelijks de H. Mis als de blijvende herinnering aan het H. Lijden des Heren bijwonen en de H. Communie ontvangen als de meest innige deelneming in dat Offer van Liefde. Het is bekend, hoe, sinds die gewoonte groter en algemener werd, tot bij de kleinste kinderen, het aantal roepingen tot een geheel Godgewijd leven is vermenigvuldigd en vermeerderd.

Hoe weldadig is hier de godsvrucht tot het H. Hart van Jezus, de viering van de eerste Vrijdag van elke maand.

Maar vooral, hoe groot is de liefde van het Nederlandse volk voor de jaarlijkse, in grote stijl gehouden Overwegingen over het H. Lijden des Heren in de H. Vastentijd.

Ook in andere landen kent men de Vastenpreken.

Er zijn landen en streken, waarin gedurende de H. Vastentijd overvloediger wordt gepreekt dan hier.

Naar het voorbeeld van de grootste kerken van Rome treden op menige plaats dagelijks de meest welsprekende kanselredenaars op en gaat men in de Vastentijd in groten getale naar de kerk om de best verzorgde preken te beluisteren.

Men spreekt er in de regel over de grote waarheden van ons H. Geloof. In vele streken zijn deze vastenpreken dringende zedepreken.

Ook in Nederland is hier en daar – och men komt onder invloed van het buitenland, vooral omdat ook daar mooie gebruiken zijn – een drang de Vastenpreek tot een zedepreek te maken.

Wij hebben zelfs radio-preken gehad, die het haast uitsluitend waren. Maar, gelukkig, er is een bijzondere liefde en godsvrucht in Nederland, die niet [VIII] moge verdwijnen, welke de Vastenpreek in ons vaderland synoniem acht met een overweging over het H. Lijden van Christus.

Die heerlijke gewoonte, bron van zoveel liefde en vernieuwing in heden en verleden, vooral op onze Nederlandse grond, die heerlijke gewoonte moge nog lang in onze landen de godsvrucht verinnigen en verdiepen.

Vooral in deze tijd van vervlakking en veruiterlijking van zoveel, dat innig leven moest, is die gestadige, methodische, haast conventionele overweging van het H. Lijden een zegen en een weldaad te achten.

Wat eenmaal in een glorie-tijdperk van de geschiedenis van het geestelijk leven in de Nederlanden ziel en brandpunt onzer godsvrucht was, moge in een nieuw te verhopen glorie-tijdperk er weder de ziel en het brandpunt van zijn.

En daarom begroeten we ook met veel vreugde dit eenvoudige kleine boekje over "Het Bloedig Offer", dat verschijnt en uitgegeven wordt juist voor de Vastentijd om dit oude vaderlandse gebruik in ere te houden en om weer nieuw voedsel te schenken aan deze uiting van geestelijk leven.

Het is maar een eenvoudig, stil verhalend werkje, met enkele losse beschouwingen en opwekkingen, maar in zijn eenvoud bezit het een zekere bekoorlijkheid, in de sobere schetsen vindt het hart het meest wezenlijke van de heilige altijd treffende lijdenstaferelen.

Zij zijn verdeeld in veertien hoofdstukken en deze indeling heeft de gedachte doen rijpen, om, hoewel het boekje meer in het algemeen over het H. Lijden handelt voor de heilige vastentijd, het heel in het bijzonder te doen dienen om met telkens twee overwegingen per dag de zeven dagen van de Goede [IX] Week te heiligen door de gedachtenis aan het H. Lijden.


Ik sprak van het gestadige, methodische, haast conventionele van de lijdens-overweging in de Vasten.

Er ligt in dit telken jare terugkerende ook een gevaar.

Ook hierop moge ik nog even wijzen, te meer omdat het mij gelegenheid biedt, op een ander tijdperk uit de geschiedenis van het geestelijk leven in ons vaderland te wijzen, nauwelijks minder invloedrijk dan dat der ‘moderne devotie’.

Ik wees er boven op, hoe deze ‘moderne devotie’ op het einde der 15de eeuw enigszins ontaardde en veruiterlijkte, al te zeer op werkheiligheid raakte ingesteld en de diepe warme innigheid verloor, welke haar in de tijden van een Mande, van een Thomas van Kempen kenmerkte. Uit de eerste helft en het midden van de 16de eeuw kennen wij uit de geschiedenis van het geestelijk leven in de Nederlanden, wat men noemt ‘de school van Oisterwijk’ met den ingetogen priester Nicolaus van Esch aan haar hoofd, schrijfsters als Maria van Oisterwijk en het hoofdwerk van die school De evangelische Peerle.

Men heeft de geschriften dier school wel ingedeeld bij de contra-reformatie, maar daarvoor is m.i. weinig grond. Zij zijn veeleer de natuurlijke uitbloei van de godsvrucht, welke de eeuw te voren bloeide en bouwen geheel daarop voort, zonder van reformatie ook maar te reppen. Zij sluiten aan bij Ruusbroec en Herp, bij Mande en Zerbolt van Zutphen, maar hebben het bijzonder kenmerk, dat zij bij de dreigende veruiterlijking der moderne devotie daarin een nieuw element naar voren brengen, dat die veruiterlijking niet slechts tegengaat, maar de godsvrucht verder vervolmaakt en verinnigt. [X]

De beroemde Nederlandse godsvrucht, de moderne devotie genoemd, vindt haar heerlijke uitdrukking in de navolging van Christus, die ons voorbeeld is bij uitstek. Christus is mens geworden om met ons te leven, in ons midden te zijn als een der onzen. Hij moet ons voor ogen staan en wij moeten ons leven naar het zijne inrichten. Een bizondere godsvrucht ontstond zelfs tot het zo getrouw mogelijk uitbeelden van het leven en lijden van Christus, zijn houding aan te nemen door te bidden met als aan het kruis uitgestrekte armen, zich met Hem plat ter aarde te werpen om zich in gehoorzaamheid te onderwerpen aan de beschikkingen der Voorzienigheid. In een nog niet uitgegeven werk van Pater Brugman schildert deze al de gebruiken, waarin men uiting gaf aan de zucht het Lijden van Christus plastisch in het eigen lichaam uit te beelden, zich te geselen met het aantal slagen, dat Christus ontving, de lijdenswerktuigen na te bootsen en zich er mee te tuchtigen, het beeld van den Gekruiste in al zijn realiteit en naaktheid aan de verbeelding voor te houden enz.

In zijn herhaaldelijk zowel in het Latijn als in het Nederlands uitgegeven Oefeningen of Exercitia leert Nicolaus van Esch bij de overweging van het Lijden zeker grote betekenis te hechten aan de zintuigelijke voorstelling en de plastische uitbeelding, maar dringt hij er met bijzondere klem op aan, uit de wonden des Heren de liefde te leren.

Op vier verschillende wijzen gaat hij ons voor in de Oefening van de overweging van het Lijden; die oefening moet steeds herhaald worden, maar hij wil en vraagt, dat we niet bij de voorstelling blijven staan, ons zelfs niet bepalen tot het zien van Christus als ons Voorbeeld, maar dat wij bedenken, dat Christus ons voorbeeld is willen worden in het Rijk [XI] van zijn genade, dat Hij om ons het volgen van zijn voorbeeld mogelijk te maken, Zich met den mens heeft willen verenigen. Hij wil niet slechts voor onze ogen staan, Hij wil tegelijk opgenomen worden in ons hart, opdat wij zijn Lijden op ons nemen in zijn kracht, door Hem bezield, levend in en door Hem.

In de plaats of liever ter vervolmaking van de ‘Navolging van Christus’ is hij met zijn school de leermeester geworden van de ‘Christus-beleving’. Deze gedachte heeft de godsvrucht tot het H. Lijden eenmaal in Nederland in nieuwe heerlijkheid doen opbloeien.

Moge deze gedachte van de ‘Christus-beleving’ ook bij het gestadige, methodische, haast conventionele van de Lijdens-meditaties ons bewaren voor zien en niet-verstaan, horen en niet-begrijpen. Moge zij ons met den lijdenden Heiland verenigen om niet alleen naar zijn voorbeeld, maar geheel van Hem vervuld en door zijn inwoning gedragen in en met en door Hem de beschikkingen der Voorzienigheid met betrekking tot ons te aanvaarden en ons kruis met Christus te dragen.

Ook de duivelen hebben het Lijden des Heren gezien.

En zij hebben gesidderd.

Ook de Joden hebben in groten getale het Lijden des Heren gezien.

En hoofdschuddend zijn zij de Calvarieberg weer afgestegen.

Een der moordenaars droeg zijn kruis achter Jezus aan.

En hij vloekte, omdat Jezus hem niet uit zijn lijden verloste.

Het is niet voldoende, het Lijden des Heren te zien, er van te horen spreken, er de gedachtenis aan te bewaren, evenals Christus te lijden.

Het Kruis en Lijden van den Heer moet een open- [XII] baring van zijn liefde zijn. Die liefdes-openbaring moet tot wederliefde wekken.

Het ‘vonkje onzer ziel’ moet een vuur worden en een verblindend licht. In de heldere openbaring van Jezus’ grote, ja, oneindige liefde moeten onze ogen opengaan.

In de gloed, die uitstraalt uit zijn doorstoken Hart, moeten wij in vuur worden ontstoken om daden van wederliefde te stellen.

Wij kunnen het, als Hij ons versterkt.

Omhelzen wij het kruis van Christus, drukken wij den Gekruiste aan ons hart om er Hem een plaats te geven en met Hem een nieuw leven te beginnen.


Van Maria staat in de heilige boeken geschreven, dat zij alwat zij van en over Jezus hoorde bewaarde in haar hart en in zich liet omgaan.

Verenigen we ons met onze Moeder om vooral wat van zijn H. Lijden in de heilige boeken staat geschreven in ons te laten omgaan en een zaad te laten worden van een nieuw Christelijk leven.

Haar hart werd door een zwaard van droefheid doorboord.

Zij leed met Jezus mede, toen zij stond onder zijn Kruis.

Moge zij verkrijgen, dat wie dit eenvoudige boekje leest om met haar onder datzelfde kruis plaats te nemen, ook van hare gevoelens moge doordrongen zijn. Met haar Jezus offerend, moge hij door haar voorspraak den liefdevollen Jezus overvloediger in zich doen leven.


Nijmegen, Carmel, 11 Febr. 1939.
Prof. Dr. Titus Brandsma, O. Carm.



  1. Published in: Bertholdus Lurvink, Het Bloedig Offer. Het H. Lijden overwogen, Sittard 1939, I-XII.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021