Extase

1935

Article


Extase

1935[1]


Beschrijving. Extase is in de mystiek een toestand, die het midden houdt tusschen beschouwing en visioen. Letterlijk beteekent het: buiten zichzelf zijn. De mensch stijgt op tot God en wordt aan zichzelf onttogen, soms als met geweld meegerukt naar de hoogere beschouwing. Zoo noemt men de extase soms vervoering of verrukking. Vaak geheel ongevoelig voor hetgeen buiten hem omgaat, is hij alleen bezig met hetgeen den geest geboeid houdt. De adem stokt, de zintuigen zijn ongevoelig voor hun gewone prikkels, men kan geen woord meer uitbrengen, de armen hangen slap langs het lichaam, het lichaam wordt koud als van een o. Het is een overweldiging door het goddelijke.

De H. Teresia vestigt er de aandacht op, dat, naarmate de mensch in het leven met God hooger stijgt, de extasen uiteraard minder worden, omdat dan de ziel meer aan een leven van onttijging aan zichzelf gewoon geworden, den indruk van de goddelijke ervaring verdragen kan. Vandaar dat in de Kath. mystiek niet zoo hooge waarde aan de e. wordt gehecht en men de hoogste mystieke begenadiging heel goed zonder e. denken kan. In de e. is het eigenlijk de goddelijke ervaring; het verlies van het gebruik der zintuigen en der ledematen is een bijkomstig verschijnsel, dat alleen naar buiten grooten indruk maakt. Soms schijnt het lichaam ook zijn gewicht te verliezen en dringt de tot God opstijgende geest het omhoog → Levitatie.

Ook W. Wundt ziet het wezen der e. in de sterke verlevendiging van het zieleleven in een mate, dat de lichamelijke processen aan intensiteit inboeten en belemmering ondervinden. Het verlies van het gebruik der zinnen laat uiteraard vele graden toe, zoowel bij onderscheiden personen, alsook bij een zelfden persoon zoomede gedurende den tijd der e. Het behoeft zich ook niet tot alle zintuigen of tot het geheele lichaam uit te strekken. Soms blijft het vermogen tot spreken bewaard. Soms echter gaat de e. zoover, dat men zou meenen, dat de dood is ingetreden. Ribet meent, dat met extatische toestanden sterven en weder ten leven komen voorkomt, St. Paulus zegt echter niet te weten, of bij hem de ziel buiten het lichaam was getreden, ook St. Augustinus en op zijn gezag St. Thomas meenen, dat men van een sterven geen zekerheid heeft. De e. kan in vele gevallen een natuurlijk gevolg zijn van de hoogere geestelijke werkzaamheid en zal niet altijd een bovennatuurlijk karakter dragen. Zij kan intusschen bovennatuurlijk zijn, met de strekking den geest vrij te maken. Vandaar dat men bij de beoordeeling van het karakter der verschijnselen moet letten op de physiologische constitutie en den psychologischen aanleg. Geleerden blijven vaak uren door het onderwerp van hun studie geboeid. De godsdienstige schouwing kan hiertoe evenzeer, ja, nog beter voeren, omdat zij de liefde ontvlamt, die de moeder der e. genoemd wordt. [522]

Men moet aannemen, dat de mensch in extatischen toestand in het algemeen gesproken vrij blijft en tot verdienstelijke handelingen in staat, zelfs hooge verdienstelijke handelingen kan stellen, al zal de gedeeltelijke belemmering van het lichaam hem niet in alles de volkomen vrijheid laten. De H. Teresia verdedigt dit met de bemerking, dat God toch den tijd der e. niet verloren tijd wil doen zijn.

Oorzaken. Treedt in de geschiedenis de e. herhaaldelijk op als een overweldiging des geestes door de goddelijke ervaring en is zij aldus een verschijnsel van het mystieke leven, ook door andere oorzaken kan een lichamelijke toestand te voorschijn worden geroepen, die daarmede verwantschap heeft.

In vsch. godsdiensten heeft men praktijken: in de zon zien, armen en beenen uitrekken en binden, onbeweeglijk blijven liggen, met ingehouden adem een vast punt strak in het oog houden en een abstract begrip vasthouden enz., die bij bepaalde personen na oefening en bij een zekere, soms overgeërfde ontvankelijkheid, een zgn. extatischen toestand te voorschijn roepen. Men vindt daarvan voorbeelden in den Griekschen Dionysus-vereering, het → hesychasme op den Athosberg, in de mystiek van den Islam, in de Indische Joga-philosophie, bij de → Sjamanen in Mongolië enz. De Kath. Kerk heeft zich steeds zoo sterk mogelijk verzet tegen alle opwekking van e. en daaraan steeds een zeer betrekkelijke waarde toegekend.

Behalve deze kunstmatig opgewekte extasen heeft men nog de ziekelijke e., die haar oorzaak vindt in pathologische toestanden. Scaramelli wijst er op, dat vooral vrouwen en zwakke personen door sterke gevoelens gemakkelijk in een min of meer extatischen toestand kunnen geraken, die echter niets met de e. gemeen heeft. Zij vallen in een geestelijke onmacht, in stede dat hun geestelijke werkzaamheid zoo hoog mogelijk wordt opgevoerd. Zelfs al is er een zekere geestelijke werkzaamheid, zooals bij hysterische personen voorkomt, dan nog zij men op zijn hoede en zie men vooral naar den aard en de strekking dezer geestelijke werkzaamheid. Vooral als de e. een sterk zintuigelijk gesmaakt genot en gevoel meebrengt, is zij verdacht. Aanstellerig bidden en zingen, het verrukt worden om een mooi gezicht, een mooie stem, een wierookgeur enz. en deze idealiseeren, zijn teekenen, die tot argwaan nopen. Deze toestanden kunnen een zeer hevig karakter aannemen, krampen en krampachtig weenen, lachen enz. te voorschijn roepen. In Nederland heeft men de godsdienstige beweging van → Nijkerk gehad, in Frankrijk de extasen op het graf van den Jansenistischen diaken → Paris, in Engeland de → Quakers enz.; het werd een geestelijke besmetting, die vrij snel om zich heen greep en velen in een pathologischen toestand bracht.

Wat de onderscheiding van hysterisch-ziekelijke van de bovennatuurlijke e. betreft, moge op de eerste plaats aandacht worden gevraagd voor de gesteltenis en het deugdleven van den extatische. Aan de vruchten kent men den boom, in het bijzonder aan de gehoorzaamheid en de liefde en een waarlijk hoogere opvatting van het leven, welke de e. steeds hooger tracht op te voeren. Ook de aard der verlichting van den geest gedurende de e. is hier een norm van beteekenis. De H. Teresia noemt een drievoudig kleinood, door God in de e. geschonken: de kennis Gods, de betere kennis van zichzelf met steeds grooter ootmoed tot gevolg, en eindelijk een geringschatting [523] van al het aardsche, voorzoover het niet strekt tot eer en verheerlijking van God.

Thomas van Vallgornera geeft vier punten aan, welke in het bovennatuurlijk karakter der e. vertrouwen mogen doen stellen: 1⁰ een harmonisch samengaan van eenvoudige natuurlijkheid en hoogere wijding, ootmoed en voornaamheid, opgewektheid en ernst, rustige kalmte en drang tot handelen. 2⁰ IJverige vervulling van de plichten van zijn staat, verbonden met groote ingetogenheid en vrede des harten. 3⁰ Een verlichting der ziel, die boven de eigen vermogens uitgaat en dringt tot daden van bijzondere deugd. 4⁰ Een steeds toenemende harmonie tusschen het in- en uitwendig leven ondanks alles, wat die harmonie dreigt te verstoren. Zahn voegt hier nog negen negatieve normen aan toe: Het is verdacht, indien de e. optreedt: 1⁰ bij het begin van een meer geestelijk leven; 2⁰ zeer dikwijls in het bijzonder als zij openbaar zijn; 3⁰ op vaste tijden; 4⁰ op commando; 5⁰ minder zedig en zonder een zekere wijding; 6⁰ verbonden met minderwaardig, onbeteekenend, vaak verward innerlijk leven; 7⁰ gepaard met innerlijke leegte, bewusteloosheid en zonder herinnering; 8⁰ in een persoon, wiens zedelijk gedrag voor of na of zelfs bij de e. minderwaardig is; 9⁰ met zichtbare schade voor de gezondheid des lichaams.

Beteekenis. Men mag de extase niet beschouwen als een teeken van heiligheid, evenmin als een oorzaak, die de heiligheid instort, toch heeft de e. in de streving naar heiligheid beteekenis, in zoover zij den geest vrijmaakt en verlicht en als met geweld tot beoefening der deugd aanzet, waarbij men echter steeds den nadruk moet leggen op het feit, dat die verlichting en vrijmaking en die drang tot beoefening der deugd niet noodzakelijk verbonden behoeven te zijn met het optreden van een extatischen toestand, doch ook zonder dezen mogelijk is en voorkomt. Vandaar dat de heiligen met alle waardeering van de e. vaak om de vruchten ervan vragen zonder de e. zelf te wenschen of te verlangen.

Lit: Jos. Zahn, Einführung in die Christl. Mystik (Paderborn 1922, 530-576); Thomas de Vallgornera O.P., Mystica Theol. divi Thomae (Turijn 1891); Scaramelli S.J., Directorium asceticum (Den Bosch 1848); vooral echter: H. Teresia, Het Kasteel der ziel (Hilversum 1926); voor meer uitgebreide lit. vgl. Ribet, Mystique divine (dl. III), waar meer dan 400 werken over de e. worden opgegeven, of: Delacroix, Etudes d’histoire et de psychologie du mysticisme, die 150 werken aangeeft.

Brandsma.


  1. Published in: De Katholieke Encyclopaedie, Vol. X., c. 521-523. The NCI preserves the printer’s proof.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019