Feestrede Sint-Joriscollege Eindhoven

1930

Speech

 


Feestrede ter gelegenheid van het 12½- jarig bestaan van het Sint-Joriscollege te Eindhoven.

Woensdag 30 April 1930. [1]


Het treft wel zeer merkwaardig, dat dit koperen feest van het Sint-Joriscollege valt op den Octaafdag van het feest van zijn Patroon. Onwillekeurig gaan onze gedachten op dezen dag terug naar den glorieuzen ridder, die in zijn leven grooten roem vergaarde, maar bovendien in de legende voortleeft als de machtige bestrijder van den draak en thans geldt als het symbool van den strijd voor de eer van God en tegen alle kwaad, een strijd onder Gods zegen met de schitterendste zege bekroond.

Het leven van den mensch is nu eenmaal een strijd en het is niet te verwonderen, dat men gaarne zich de voorstelling maakt van den sterken ridder, wiens hulp de overwinning in dien strijd verzekert. Voor velen was hij een voorbeeld, een ideaal, voor de sterken vooral, die wilden zijn als hij, maar hij was ook voor hen, wat hij voor vele anderen op de eerste plaats was, een hulp, een beschermer.

Als we nu het feest vieren van het 12½ jarig bestaan van het Sint-Joriscollege, dan wijkt die gedachte aan den strijd niet. Is het leven van den mensch een strijd, er zijn van die omstandigheden en ondernemingen, die meer dan andere op dat leven het stempel van den strijd prenten. Daartoe behoort wel in het algemeen het stichten van een school, daartoe behoort ook het stichten van het Sint-Joriscollege te Eindhoven.

Het is uit strijd geboren, uit een nobelen strijd voor het goede en het beste, het heeft daarvoor sterke krachten in werking gezet, het vraagt nog steeds de taaie energie van velen, die den eens begonnen strijd voortzetten.

En nu bedoel ik hier allerminst, dat zij, die hier dit College eenmaal stichtten, daarbij tegengestelde meeningen te overwinnen hadden, ernstig hadden te kampen met geldelijke zorgen en moeilijkheden, het is niet deze strijd, dien ik bedoel. Dat is niet de strijd van Sint Joris tegen den draak. Dat zijn nu eenmaal de moeilijkheden, welke noodig zijn om een zaak diepe wortelen te doen schieten, er bij de stichters en leiders meer liefde voor te wekken, de onmisbare energie te stalen en te sterken.

De strijd dien ik bedoel is de strijd, dien Sint Joris voerde tegen het kwaad om allen vrij en onge- [2] hinderd hun dorst te laten lesschen aan de bron, door den draak bedreigd, de strijd om het kind, de koningsdochter uit de Lybische woestijn, de bloem van de woestijn dezer wereld, de strijd, die het kind redt uit den greep van den duivel en het opvoedt voor het hof van ons aller Koning Christus.

Ook hier waart de draak rond, eens door Sint Joris bevochten. Maar ook hier is Sint Joris op zijn post. En ik mag Eindhoven gelukwenschen met dezen koenen strijder. Het beteekent voor Eindhoven, waar reeds veel werd gedaan en steeds weer wordt overwogen, wat nog te doen zou zijn, een onberekenbaar voordeel, dat naast zoovele andere instellingen ten bate van de jeugd, hier ook dit College verrees om de jeugd te leiden en te bewaren.

[2a][2] Aan de zijde van Sint Joris staat de H. Maagd Catharina het toonbeeld der maagden, die in den strijd om de waarheid niet alleen zelve staande bleef, maar ook anderen toonde, hoe de waarheid der Openbaring in wonderbare harmonie is met de profane wetenschap. Zij is als Sint George symbool van strijd voor de waarheid, waardeering van haar bezit, mededeeling er van op het terrein der gewone menschelijke wetenschappen. Vandaag vieren we het feest eener andere Catharina, die te Siena de maagd van Alexandrie op bijzondere wijze heeft nagevolgd. Ook zij stelde er haar roem in, ten koste van de zwaarste offers, met het martelaarschap der eerste Catharina gelijk te stellen, aan anderen de kennis van God op alle gebied ook in het maatschappelijk leven mee te deelen. Zij is een schoone afstraling van haar Patronesse, de Patronesse ook van dit Lyceum. Zoodat de dag van heden wel bijzonder geschikt mag worden geacht om dit feest te vieren. Op den Octaafdag van het feest van Sint Joris, op het feest der H. Catharina van Siena, de groote navolgster van de hoogvermaarde Catharina van Alexandrie staan wij hier heden op het koperen feest van de stichtingen naar Catharina en Sint Joris genoemd om onder beider bescherming te doen, wat zij tijdens hun leven als een bijzondere taak van Gods Voorzienigheid te vervullen kregen. Als een andere Catharina, als een andere Sint Joris staan hier de stichtingen, naar hen genoemd.

[2 continuation] Vooral in het spel en in de legende van Sint Joris vind ik de elementen terug van den strijd van het katholiek onderwijs voor en om de ziel van het kind.

Wat heeft elk menschenhart een dorst naar de waarheid, naar kennis en weten, steeds meer weten. Ontwikkeling wordt gelukkig beschouwd als een groot goed, een goed, dat bevrediging geeft aan een der edelste tendenzen van de menschelijke natuur.

Maar de bronnen, waaraan het menschenhart dien dorst kan lesschen, zijn helaas vertroebeld en dikwijls geheel ongenaakbaar en onbereikbaar. Voor velen zijn de zuivere bronnen niet te bereiken. Willen zij den dorst naar wetenschap bevredigen, dan kunnen zij slechts drinken uit troebelen bron, waaraan zij met de wetenschap indrinken veel, dat beter ongedronken bleef, veel dat den smaak van het heldere water bederft. Tijden van hongersnood en droogte openbaren in de stoffelijke orde, wat de mensch ten slotte eet en drinkt, als de spijze voor zijn organisme geschikt, hem ontbreekt. In de bevrediging van den honger en den dorst naar ontwikkeling en wetenschap is het niet anders. Wordt het goede niet geboden, dan wendt zich de mensch tot hetgeen er slechts een surrogaat van kan worden genoemd. Wordt voor onze jongens en meisjes, die vooruit willen in de wereld geen school gesticht voor V.H. en M.O. dan kan het niet anders, of zeer velen gaan den weg van het neutrale en putten aan deze bron, wat zij zoeken.

Het Katholiek onderwijs is er voor hooger doeleinden, dan alleen onze jongens en meisjes verre te houden van het neutrale onderwijs, maar het valt toch niet te ontkennen, dat naast het positieve doel ook het negatieve beschouwing verdient.

[3] Men kan minder geestdriftig zijn voor den vorm van het V.H. of M.O. Men kan verschillende vormen van ons M.U.L.O.; M.O. en V.H.O. onder menig opzicht anders wenschen en er met betrekking tot zeer vele jongens en meisjes weinig heil in zien, dat zij het M.O. of het V.H.O. volgen, ze liever laten op de M.U.L.O.; wij hebben nu eenmaal de maatschappij reeel te nemen en weten, dat, als er geen Katholieke H.B.S. en Gymnasia worden opgericht, wij daarmee het pleit niet winnen, stichting van andere scholen of onmogelijk of bij de huidige maatschappelijke omstandigheden ondoelmatig is en onze jongens en meisjes zeker gaan naar de neutrale school. Er wordt van katholieke zijde veel gedaan zonder heel groote geestdrift voor de zaak als zoodanig, doch met een warm hart voor de jeugd, die anders in verkeerde banen zou worden geleid. Op menige plaats werd een Openbare Leeszaal gesticht, als er gevaar dreigde, dat een neutrale kwam of deze reeds minder gewenschte lectuur onder de menigte bracht. Sportvereenigingen hebben tal van donateurs, die met hun bijdrage geen ander doel hebben, dan de jeugd verre te houden van de neutrale groepen; voor de sport als zoodanig voelen zij niets. Ik wil dit geen ideaal standpunt noemen, maar het is toch een te waardeeren opzicht der zaak. Zoo ook is het geen ideaal standpunt, alleen negatief het nut van het Katholiek M.O. en V.H.O. te beschouwen, maar te ontkennen valt niet, dat het een opzicht is, waarop op een dag als dezen, even de aandacht moet worden bevestigd.

Laat ik ronduit zeggen, dat ik een vijand ben van de al te negatief opgezette actie, dat ik verzadigd ben van den m.i. overdreven zucht tot afweer en apologie, er is m.i. beter en nobeler werk te doen. Wij verliezen ons veel te veel in disputen en verdediging, in afweer en vrees voor gevaren. Wij mogen gerust de dingen wat positiever zien, maar wij moeten daarbij niet in het tegenovergestelde uiterste vervallen en de oogen niet sluiten voor de gevaren, die ons omgeven, die er schuilen voor onze jeugd en mogen vrij er op bedacht zijn, de jeugd voor die gevaren te behoeden. Nu moge men mij niet misverstaan. Als ik hier het neutrale onderwijs aanwijs als een gevaar voor de jeugd, als een troebelen bron, waarvan wij door de stichting van onze eigen scholen de jeugd verwijderd willen houden, dan vatte men dit niet op als een aanval op vele zeer verdienstelijke inrichtingen van V.H. en M.O. op neutralen grondslag. Ik ben met zeer vele dezer inrichtingen van nabij bekend en heb grooten eerbied voor de toewijding en den ernst, waarmede daar het onderwijs wordt gegeven, ik heb dikwijls een gevoel [4] van hooge waardeering en bewondering zelfs in mij voelen opkomen bij het aanschouwen van het werk zoowel als van de resultaten van dit onderwijs; aan die scholen zijn vele mannen en vrouwen opgevoed, die thans in onze eerste gelederen staan. Maar die waardeering, die bewondering zelfs verhindert niet, dat wij dit onderwijs een gevaar zien insluiten, dat voor velen te groot is, een vertroebeling van het te drinken water, dat velen er zich ziek aan drinken, omdat hun organisme niet gezond genoeg, wellicht beter gesproken, te zwak is om de schadelijke elementen te elimineeren of te neutraliseeren.

Wie in den tijd van den grooten oorlog, in den tijd der levensmiddelen-schaarschte de minder onschuldige levensmiddelen bracht, waren wij toch dank verschuldigd en de maatschappij is groote waardeering schuldig aan de chemische industrie, die in de plaats van vele heerlijke natuur-producten ons allerlei spijzen en dranken geeft, welke wel niet zoo goed zijn als de oude beproefde, zelfs gevaren insluiten bij geregeld gebruik, maar bij het onbereikbare van het meer volmaakte, ons niet verstoken laat van alles, maar het minder volmaakte biedt. Die mindere volmaaktheid sluit dan uiteraard gevaren in, waarschuwt ons, op onze hoede te zijn voor haar schadelijke elementen en invloeden, maar wettigt allerminst, het de noodige waardeering en hoogachting te onthouden.

Wij weten helaas te goed, hoe zwak de jeugd is, hoe slecht zij bestand is tegen allerlei gevaren. Het is, willen wij de jeugd zoo dicht mogelijk brengen tot het ideaal, plicht, het van vele gevaren vrij te houden, omdat de ervaring leert, dat zoo het gevaar en de strijd enkele karakters kan stalen en sterken, beter kan maken dan een leven zonder die gevaren en dien strijd, de meesten er niet tegen opgewassen zijn en er den nadeeligen invloed van ondergaan.

Ik behoef hier niet in te gaan op die gevaren en op die vertroebeling van hetgeen de dorst der jeugd naar kennis heeft te lesschen, het gevaar bestaat vooral in het buiten alle verband met God en godsdienst doceeren van de wetenschap vormen voor het leven, binnenleiden in de maatschappij.

Wij ondervinden al veel te veel de nadeelen van de uiteenlegging der menschelijke natuur in allerlei elementen of factoren Men leeft in voortdurende abstractie, dan van zijn geloof, dan van zijn huisgezin, dan van zijn zaken. Nu is men dit, dan weder dat. Zichzelf is men niet meer. De eene volle harmonische levensopvatting ontbreekt al te zeer. De werkman is werkman. Of hij huisvader is dan niet, of hij ziek is of gezond, of hij katholiek is of een anderen godsdienst belijdt, of hij oud is of jong, of hij in de stad woont of daarbuiten, men zou [5] van dat alles en van nog heel veel meer gaarne geheel en al abstractie maken en de maatschappij zoo simplistisch mogelijk willen opvatten. Maar het leven is nu eenmaal anders en de menschen zijn nu eenmaal niet allen gelijk en beantwoorden niet aan een toevallige constructie of idee.

De mensch en reeds het kind is een in elk individu onderscheiden natuur en het helpt ons niet, als wij alle verschillen die er zijn, alle afwijkingen van ons ideaal of van onze abstactie zouden willen voorbijzien. Wij hebben de jeugd te nemen, gelijk zij is en dan weten wij heel goed, dat als deze, jaren een school bezoekt waar de godsdienstige opvatting des levens, welke haar weerslag heeft op elk gebied van weten, wordt voorbijgegaan, zij zich vele beginselen eigen maakt, welke met die godsdienstige opvatting allerminst in overeenstemming zijn. Er wordt strijd gebracht en tegenstelling, waar de grootste harmonie moest heerschen. Er wordt van den beginne af abstractie gemaakt van God en godsdienst, waarvan men toch het leven niet kan losmaken, zonder dat het wordt losgemaakt van zijn oorsprong en zijn doel, zonder dat het eenzijdig en fragmentarisch wordt ontwikkeld.

De godsdienst is in den loop der eeuwen toch altijd een factor geweest van den grootsten invloed op het zedelijk en maatschappelijk leven van den mensch. Het leven wordt door de allereerste vragen naar oorsprong en doel bepaald en geleid. Het kan niet anders, of het buiten beschouwing laten, zooveel mogelijk, van dezen factor moet aan het menschelijk leven iets ontnemen, dat daarin een eerste plaats moet hebben, daaraan een richting geven, welke we moeilijk in alle deelen met de voorschriften van Kerk en Openbaring in overstemming zal zijn. Zoo wordt de jeugd van het edelste en het beste verstoken, niet zonder dat dit gemis een gevaar, een zeer groot gevaar insluit, niet zonder dat daardoor in het onderwijs gedachten binnensluipen, beginselen worden aangenomen, welke een vertroebeling beteekenen van de waarheid, een vertroebeling van elementen, waarvan op den duur het zwakke kind de nadeelige werking niet verdraagt.

Gij, Eindhovenaren, moogt U gelukkig achten, dat door de stichting dezer beide scholen uw kinderen voor deze groote gevaren zijn behoed. Dat wil niet zeggen, dat Gij zonder zorg kunt zijn, dat alle gevaren van de jeugd zijn weggenomen neen, maar waar die gevaren toch al zoo groot zijn, dat ieder ouderhart er angstig onder klopt, daar is het voor U een buitengewoon groote verlichting uwer zorgen, dat althans de gevaren, welke het neutraal onderwijs blijkens de ervaring van jaren insluit, van haar zijn weggenomen. Er blijven er [6] nog genoeg over, te veel, dan dat U niet van ganscher harte blij zult zijn, dat Ons Middelbaar Onderwijs hier voor de jongens en meisjes van Eindhoven en omstreken de scholen heeft gesticht, welke de jeugd behoeft om volgens aanleg en aandrift zich de ontwikkeling eigen te maken, noodig om de begeerde plaats in de maatschappij te bezetten.

Men zal voor 12½ jaar in Eindhoven wel van meer dan een zijde gezegd hebben, laat de Roomsche jongens naar het zoo goede Gymnasium gaan der Paters Augustijnen en de meisjes op de M.U.L.O. blijven, Eindhoven behoeft niet meer. Het zou gevaarlijke struisvogel-politiek zijn geweest, hadde men zich op dat standpunt gesteld. Eindhoven kon daarmede niet volstaan. Had Dr. Moller hier zijn St-Joriscollege niet gesticht en daarnaast het St. Catharina-lyceum, Eindhovens Roomsche jongens zouden niet verre gebleven zijn van M.O. evenmin als Eindhovens meisjes van M.O. en V.H. velen, zeer velen zouden zijn blootgesteld aan de gevaren van het neutrale. Men kan nu eenmaal de maatschappij niet leiden in elke richting of den menschen elken vorm van onderwijs opdringen. Men heeft de omstandigheden te nemen gelijk zij zijn en reeel en nuchter als een goed Nederlander de werkelijkheid onder de oogen te zien.

Maar er is meer. Al te lang sta ik stil bij de negatieve voordeelen van de stichting dezer beide bloeiende scholen. Het negatieve sta toch niet op den voorgrond Laten we veel liever de positieve zijde van deze zaak beschouwen en de stichting dezer scholen zien als de verzekering aan Eindhovens jeugd van het beste, dat wij daaraan kunnen bieden. Ik ben er zeker van, dat deze beschouwing ook bij de stichting der school op den voorgrond heeft gestaan. Zien wij een zeker gevaar in het neutrale onderwijs, nu ja, men overdrijve niet. Zonder gevaar brengt men de jeugd niet groot. En is het systeem verkeerd, de toepassing er van door verdienstelijke en met hooge opvatting van hun taak geleide leeraren ontneemt aan het systeem veel van zijn verderfelijkheid in zichzelf, maar het kan ons niet bevredigen, het kan zooveel beter. En wij, die het kind lief hebben en weten, dat de opvoeding van de allergrootste beteekenis is voor het verder leven en de eeuwige toekomst van dat kind, wij willen voor het kind het beste.

En dan lijdt het geen twijfel of het onderwijs, doordeesemd met de waarheid door God ons geopenbaard, gevoed door eerbied voor zijn wetten, bewondering voor zijn werk, liefde om zijn goedheid, moet een veel harmonieuzer geheel worden dan het neutrale onderwijs ooit vermag te geven. Het kan en moet dat zijn.

[7] Sint Joris, die de koningsdochter, uit de klauwen van den draak gered, spreekt van Christus en nieuwe wegen door het leven wijst, de kruisvaan hoog in top, Sint Joris is hier weer het zinnebeeld. Gelijk hij zich niet tevreden stelde met den draak te bevechten, maar zijn taak voor de bevrijding der prinses hooger en edeler opvatte, zoo moet ook het stichten dezer scholen gezien worden als een poging, het kind te spreken van Christus, het een Christelijke opvoeding te geven, het te onderwijzen niet alleen in de vakken van het staatsprogram buiten alle godsdienstig verband omschreven, maar ook in hetgeen de Openbaring ons leert, de Kerk ons voorhoudt, en wat niet het minste is, in al die onderscheiden vakken aan godsdienstige elementen verscholen ligt en er de mooiste zijde van vormt. Door dat verband met God en godsdienst wordt het onderwijs iets anders, het gaat leven en beantwoordt aan de werkelijkheid, het krijgt nieuw leven, warmte en bezieling. O, zeker, ook het neutrale onderwijs kent poezie en is niet verstoken van elementen, welke tot geestdrift tot bewondering, tot liefde stemmen, maar hoe veel rijker wordt het, als het juiste verband wordt hersteld, alles in zijn volheid kan worden beschouwd, niet langer gedrongen wordt in het keurslijf van een onzinnige en onwerkelijke abstractie. Ik geef toe, de schoonheid van het bijzonder en godsdienstig georienteerd onderwijs wordt niet altijd ten volle genoten noch door leeraren noch door leerlingen, wij zijn nu eenmaal menschen, die zich, waar het de uitingen betreft, welke tot de edelste onzer natuur mogen worden gerekend, de liefde tot God zoowel als tot de naaste, gaarne opsluiten in onszelve en niet onszelve zijn. Wij leven ons niet uit in het goede en heerlijke, dat wij stil in ons hart liefhebben, wij onderdrukken niet zelden een akte van liefde en bewondering omdat wij ons niet bloot willen geven, omdat ons de moed ontbreekt onze overtuiging uit te spreken, naar onze overtuiging te handelen.

Als systeem is zeker ons eigen godsdienstig onderwijs verre te verkiezen boven het neutrale, maar we maken het soms zelf nog neutraal en laten er onze Christelijke beginselen soms maar even in doorstralen. Wij willen het volmaaktere bieden, maar blijven vaak zoo onvolmaakt, dat men ons zou mogen vragen: Moesten daarvoor al die kosten worden gemaakt. Maar dan mag ik er hier op dit feest aanstonds aan toevoegen, dat hier zeker ook nog niet het volmaakte, het blijft menschenwerk, maar toch zeer mooi werk is gedaan, dat hier twee scholen staan, die met eere genoemd worden onder onze katholieke scholen, waar men inderdaad geleid wordt bij het werk door de gedachte, aan onze Katholieke Kinderen het beste te geven.

[8] Een woord van hulde mag hier zeker worden gesproken niet slechts aan het adres van hen, die deze school stichtten, hoe groot hun verdiensten ook zijn, maar vooral aan hen, die aan deze school werkzaam zijn en van haar gemaakt hebben, wat zij zijn. Hulde aan de staf van onderwijzend personeel dezer scholen, die geleid door de hoogste beginselen de opvoeding der jeugd in Christelijken, in Katholieken zin tot levenstaak hebben gekozen. Eindhovenaren, U is hun hulde en dank verschuldigd en ik reken het mij tot plicht, heden in uw naam – ik doe het gaarne ook persoonlijk – maar vooral hier heden op dit feest in uw naam hulde en dank te brengen aan den wakkeren Directeur van den Donk en den staf van het onderwijzend personeel. Zij zijn het, die U schenken wat U van het Katholiek Middelbaar en V.H. O. verwacht en vraagt.

Er is echter ook nog een andere groep, aan wie ik hulde wil brengen op dezen dag. Ik heb zelfs een oogenblik in beraad gestaan, of ik deze groep niet eerder hulde had te brengen, nog voor de leeraren, nog voor de stichters. Ik bedoel de jeugd, die hier haar vorming ontving en ontvangt. Ja, de jeugd hier opgeleid, zij vormt ten slotte het eigenlijk leven der school. Er is een oude wijsgeerige spreuk, waarop ik al dikwijls in mijn lessen heb meenen te moeten terugkomen. Deze luidt, dat alles wat wordt opgenomen, opgenomen wordt naar de ontvankelijkheid welke er voor aanwezig is. Omne quod recipitur ad modum recipientis recipitur. Dat hier de scholen van Sint Joris en Sint Catharina bloeien, danken wij aan de ontvankelijkheid van Eindhovens jeugd, die in zich heeft opgenomen, wat de leeraren haar gaven, die beantwoord hebben aan de verwachtingen, welke de stichters van haar hadden. En nu mogen noch Directeur noch leeraren zeggen, dat het gevaarlijk wordt, dat men voorzichtig moet zijn met de jeugd te prijzen, dat zij ook andere ervaringen hebben, zeker, ook de jeugd dezer scholen is niet volmaakt en niet alle onderwijs hier gegeven, zal beklijven en gedijen gelijk het moest. Maar nu deze scholen bloeien en nu reeds 12½ jaar op goede resultaten mogen bogen, nu blijkt toch, dat met de Eindhovensche jeugd iets te beginnen is en er ontvankelijkheid in schuilt voor hetgeen hier wordt geboden. Meisjes en jongens dezer scholen en gij, die hier als oud-leerlingen en hun vertegenwoordigers der leerlingen aanwezig zijt, het is vandaag uw feest allereerst. U is onder de weldadige inwerking van het katholieke onderwijs hier geworden, wat U thans zijt, zoo nog leerling, dan toch reeds geleid en gevormd sommigen reeds in een positie in de maatschappij dank de vorming hier ontvangen. [9] In U leeft de school en leeft zij voort, strekt zij zich uit over de maatschappij, waarin zij is gesticht. Wij moeten de school niet al te zeer zien als een plaats, waar leeraren en leerlingen samenkomen, de eersten om de tweeden enkele uren onderwijs te geven. Deze scholen beteekenen heel wat meer, zij vertegenwoordigen een stille kracht, die nu reeds jaren werkt aan de ontwikkeling dezer stad, die haar weldadigen invloed steeds verder ziet groeien en vruchten afwerpt, dagelijks, in de harten van de leerlingen, maar ook blijft doorwerken in de oud-leerlingen. Zij dragen als het ware deze scholen uit, niet slechts over deze stad, maar over het land en daarbuiten. Leerlingen en oud-leerlingen mogen een band blijven vormen, een traditie bewaren, de roem en de eer zijn van de scholen, die hen vormden en vormen. Als er de breede schare der jeugd en der oud-leerlingen niet was, zou het heden maar half feest zijn geweest. Op hen was bij de stichting het oog gericht, op hen moge ook heden de grootste aandacht vallen. Zij zijn de school, die in hen leeft en voortleeft en daarom herhaal ik op dit feest mijn woord van hulde tot de jeugd, dat een woord is van dank tevens Ik wensch hen geluk met het voorrecht, dat hun deel werd, hier katholiek onderwijs te ontvangen en noem het openlijk voor Eindhoven een verheugend feit, dat zooveel honderden van zijn inwoners hier hun opleiding mochten ontvangen en er zich ontvankelijk voor toonden. Wordt hier beproefd, de jeugd het beste te geven, zij die dit mooie en goede in zich opnemen en het in hun leven meenemen als een wapenrusting Gods in den strijd van het leven, zij, die als ridders en edelvrouwen van deze school het leven ingaan, als ridders zeg ik en edelvrouwen niet door geboorte, maar door eigen inleving in het kindschap Gods, verwantschap en vriendschap met den Heer der Heeren zij vormen vandaag de groep, die het meeste recht heeft op feestviering. Ik zou haast zeggen, wij allen vieren feest, omdat zij het mogen doen. Waren zij er niet, wij hadden in plaats van reden tot vreugde, reden tot ontstellende teleurstelling en verwijt. Nu is het anders. Nu wij die vele leerlingen en oud-leerlingen ten deele in den geest, ten deele in werkelijkheid voor ons zien, nu gaat ons hart open, nu jubelt en juicht het in ons gemoed, nu prijzen wij gelukkig den dag, die voor 12½ jaar hier deze stichting zag verrijzen, want het is geweest een dag van zegening.

Breng ik hier hulde aan de kinderen, die deze scholen bezochten en bezoeken, dan mag ik toch ook een woord van hulde spreken voor de ouders, die hier hun kinderen zonden. Allereerst omdat zij, zeker, in het belang hunner [10] kinderen, de waarde en beteekenis van dit onderwijs hebben toonen te begrijpen. En dat wel op tweevoudige wijze. Ik wil heel niet ontkennen, dat er op de H.B.S. en op het Gymnasium wel meisjes en jongens komen, die er niet thuis hooren, die er mislukken niet op de eerste plaats door eigen schuld, maar meer door gebrek aan den noodigen aanleg. Ik wil ook erkennen, dat niet aller ouders maatschappelijke positie veroorlooft, de kinderen naar Gymnasium en H.B.S. te zenden en er soms bij de ouders een gezonder opvatting kon zijn van de waarde van de onderscheiden vormen van ontwikkeling hunner kinderen; dat er naar H.B.S. of Gymnasium gaan, die beter op hun plaats waren op huishoudschool of ambachtsschool maar dat neemt niet weg, dat zij, die hun kinderen hier heen stuurden, daarbij geleid werden door een edel streven naar ontwikkeling voor hun kinderen. Dat daarbij een vergissing, een fout kan worden begaan, neemt niet weg, dat het streven daarnaar in het algemeen ten zeerste moet worden gewaardeerd. Wie zijn kind kennis meegeeft, geeft het een groote macht in handen om later een goede plaats in de maatschappij te verwerven. Men moet daarbij oordeelkundig te werk gaan, zeker, het aantal geletterden kan in verhouding tot degenen, die unskilled labour, werk waarvoor geen scholing noodig is, verrichten te groot zijn, maar al is er op het oogenblik wellicht een zeker te veel aan menschen, die een aan hun opleiding evenredige betrekking zoeken, ik zou niet gaarne zeggen, dat dit aantal grooter is dan dat der werkloozen in het gewone ruwe werk. En zij, die op scholen als deze hun opleiding ontvingen, zullen er dan toch in den regel wel beter voorstaan dan zij, die geen scholing doormaakten. Kennis en ontwikkeling is een onberekenbaar goed voor den mensch en gaarne breng ik hier hulde aan de ouders, die dat voor hun kinderen hebben begrepen en dikwijls met groote offers voor zichzelve, op den leeftijd, dat de kinderen wellicht reeds eenigzins hun zorgen konden verlichten, die verlichting niet hebben gewild om hun kind eerst de zoo hoog te waardeeren ontwikkeling te schenken. Het is verblijdend geweest, hoe de ouders hier de stichting dezer scholen hebben gewaardeerd en daarvan hebben gebruik gemaakt. Pessimisten zullen hier misschien grooter deelname hebben geeischt, wij mogen er vrij onze vreugde over uitspreken, dat steeds meer dan verwacht mocht worden, gebruik gemaakt is van deze scholen en hier de verwachtingen der stichters niet alleen niet zijn teleur gesteld, maar verre overtroffen.

Eindhoven was van ouds een katholieke stad. Deze scholen zullen er mede de katholiciteit bewaren. Zij zijn er een bolwerk voor. Maar Eindhoven is niet meer zoo geheel katholiek. Nieuwe industrieen hebben hier vele personen gebracht [11] van andere richting en andere levensbeschouwing. Het is natuurlijk te verwachten, dat een groep deezer niet wenscht, dat haar kinderen op katholiek onderwijs zijn aangewezen en uitziet naar de stichting van scholen van andere orienteering. Het zij zoo. Maar hierop moge ik toch nog wijzen, dat wij in de stichting van onze middelbare scholen en Gymnasia evengoed als van de Katholieke Universiteit niet alleen een eigen belang, maar ook een nationaal belang zien, dat wij groot gewicht hechten aan de Christelijke beginselen en de Christelijke opvattingen van het maatschappelijk leven, niet alleen voor onze eigen gemeenschap, maar voor heel het vaderland, dat door de gevaarlijkste stroomingen wordt bedreigd. Tegen den wassenden vloed van de meest verderfelijke meeningen, zal het kind ook van den niet-Katholiek in het katholiek onderwijs op een, voor de ouders wellicht niet ideale, maar toch doeltreffende wijze beschermd zijn. De geschiedenis heeft in alle landen en tijden getoond, hoe vele ouders, die buiten de gemeenschap der Katholieke Kerk stonden, er prijs op stelden hun kinderen katholiek onderwijs te laten geven, overtuigd als zij waren, dat daarin hoog te waardeeren elementen van opvoeding worden ten nutte gemaakt, welke het godsdienstloos onderwijs tot zijn schade niet kan benutten.

Zoo is ook voor niet Katholiek Eindhoven het bestaan dezer scholen een zegen te noemen en biedt het ook dezen een school, welke voor de meeste ouders te verkiezen zou moeten zijn boven een, welke geen betrekkingen van het onderwijs met God en Godsdienst toelaat.

Mag ik zoo deze scholen zien als een zegen voor de stad, allereerst voor haar katholieke gemeenschap, dan moge ten slotte opnieuw een woord van warme hulde klinken aan het adres van degenen, die haar stichtten. En dan moet ik tot mijn innig leedwezen hier – zeker niet voor het eerst op dit feest - de afwezigheid betreuren van hem, die hier vandaag graag zijn blijdschap en zijn vreugde zou hebben uitgejubeld die meer dan wie ook de grondlegger en stichter van deze school in dezen vorm mag worden genoemd, die hoewel buiten de stad wonend, door zijn organisatie-talent heel Brabant vol zette met de zoo noodige Roomsche Scholen om Roomsch Brabant in den gang naar ontwikkeling op het peil te houden, dat noodig was om het zijn invloed te doen behouden en dien, lang onderdrukt, weer te maken, wat hij zijn moest. Ik behoef hier den naam van Dr. Moller eigenlijk niet uit te spreken. Gij weet, wien ik bedoel. Zijn plaats was vandaag hier, maar hij werkt te hard en telkens weer wordt hij het slachtoffer van zijn werken voor anderen. Eindhoven heeft daarin zijn deel gehad en ik ben er zeker van, Eindhoven waardeert dit en zou hem gaarne vandaag [12] in zijn school de hulde hebben gebracht, die hem voor de stichting toekomt. Gelukkig is de operatie, welke hij moest ondergaan, gunstig geweest en mogen wij vertrouwen, dat zij hem van de oorzaken zijner ziekte heeft bevrijd, dat hij binnenkort met nieuwe levenskracht, wat voor hem nieuwe werkkracht is, toegerust het werk zal kunnen hervatten, dat hem dierbaar is en dat Eindhoven in zoo hooge mate ten goede is gekomen.

Maar Dr. Moller heeft niet alleen gestaan. Het ligt buiten mijn competentie hier de geschiedenis van de stichting dezer scholen te schetsen. Maar dit heeft mij mijn eigen ervaring wel geleerd, het is noch het werk van een, noch het werk van een korten tijd. Daarvoor is veler medewerking noodig en bij alle gewenschte medewerking blijft het nog een onderneming van de grootste zorgen en moeilijkheden. Als ik dan ook heden sta voor deze bloeiende scholen, dan zie ik voor me een reeks, een lange reeks personen, die tot dien bloei hebben samengewerkt, die eerst en vooral den grondslag legden voor dien bloei door ze op zoo gezonden grondslag, zoo hechte fundamenten te stichten. Dat heeft moeite gekost, offers, waarvan een buitenstaander nauwelijks begrip heeft. Aan de werkers der eerste ure, aan de stichters van deze scholen en aan haar trouwe beschermers en donateurs past hier wel een woord van warme en diepgevoelde erkentelijkheid. Ik zal ze hier niet noemen. God kent ze en hun bedoeling, daarmee zijn zaak te steunen, zijn Rijk in de zielen te bevestigen. Hij zal het loonen op zijn tijd en op zijn wijze, maar een deel van het loon geeft Hij reeds heden, nu al die offers en kosten zoo schitterend beloond worden gezien. Maar we zijn er nog niet. De school is gesticht, zij bloeit. Maar zij moet blijven bloeien. Wij moeten het erfdeel, ons daarin geschonken, in stand houden. Het is niet noodig een beroep te doen op nieuwe offers. Dit feest waarborgt meer dan voldoende, dat allen, die deze school maakten en nog maken, zich één voelen in het verlangen, in het besluit, dat de bloei zich bestendigen zal. Met vereende kracht onder den zegen des Hemels gaan wij de zilveren kroon over nogzooveel jaren tegemoet.

Onder den Zegen des Hemels. Niet hij die zaait, noch wie besproeit, maar Wie den wasdom geeft hem komt ten slotte de eer toe van dit werk. Voor Hem is het begonnen, naar Hem blijft het gericht. Hij houde ons allen in het werk er voor vereenigd. Waar twee of drie in zijnen naam vergaderd zijn, is Hij in hun midden. Dat geldt niet alleen van een vormelijk gebed. Dat geldt ook van een werk als dit, van een bijeenkomst als deze. God is in ons midden. En als Sint [13] Paulus zegt, dat hij alles kan, in Christus die hem versterkt, dan mogen wij vol moed herhalen, dat wij vertrouwen hebben in de toekomst dezer stichtingen, dat wij vertrouwen, ook verder te vermogen, wat noodig zal zijn om haar in stand en op peil te houden.

Tot onderpand van dien zegen stellen wij ons hedenavond, bij de opening alom van de Meimaand, de maand van Maria, onder haar bijzondere bescherming. Zij de draagster van het Goddelijk Woord, de Zetel der Wijsheid en der Waarheid zal ons in verbinding houden met het Eeuwig Licht, dat moge schijnen voor ons allen, schijnen voor de leeraren, opdat zij doceeren naar zijn Woord, schijnen voor de leerlingen, opdat zij leeren, wat Hij leert. Dat Licht moge uitstralen in beiden, opdat blijke hoe de Zon der Wijsheid vruchten kweekt, van onvergankelijke waarde voor den mensch individueel, voor den mensch in maatschappij.



  1. Typoscript, 14 pages, numbered 1 to 13 and after page 2, page 2a follows, which has to be inserted in page 2. The numbers are all crossed out and the pages are renumbered 34 to 46 (including 35a). We follow the original numbering.
  2. This is an insertion.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2018