Het feest der Tenhemelopneming van Maria

1916

Article


Het feest der Tenhemelopneming van Maria

Door P. Dr. Titus Brandsma, Ord. Carm. Oss.[1]


Niet steeds werd met den luister, welke heden dit feest omstraalt, de gedachtenis aan dit groote voorrecht van Maria gevierd.

Wel leefde in het christelijke hart de godsvrucht tot de Moeder des Heeren en zag men in haar de Koningin des Hemels, voor wie, als eens Salomon voor zijne Moeder, de Koning der Koningen een troon plaatste naast den Zijne, wel geloofde men, dat God het lichaam van de Heilige bij uitnemendheid het bederf niet liet aanschouwen, maar iet anders is die godsvrucht, dat geloof, die stille herdenking en vereering, iets anders een feest, ingesteld en gevierd om dit bijzonder voorrecht van Maria op plechtige en luisterrijke wijze te gedenken.

Klimt het geloof aan Maria’s ten-Hemel-opneming op tot den tijd der Apostelen, die volgens de legende haar lichaam zochten en niet vonden, blijkt het geloof aan dit voorrecht van Maria uit beelden en geschriften dagteekenend uit het begin der vierde eeuw, van een feestdag, waarop uitdrukkelijk Maria’s ten-Hemel-opneming plechtig werd herdacht, vinden wij de eerste zekere sporen niet voor het einde der zesde eeuw, al vestigen deze in ons de overtuiging, dat het toen reeds gevierd werd sinds jaren.

Zoals Cabrol terecht opmerkt, herdenkt het feest, dat wij op 15 Augustus vieren, een drievoudig feit, Maria’s sterven, haar verrijzenis uit het graf en hare kroning in den Hemel. Het spreekt dus vanzelf, dat, waar wij in de oudheid dit feest ontmoeten, wij in de duiding van den zin ervan voorzichtig moeten zijn. Zelfs daar, waar het voorkomt onder den naam van Assumptio of Opname is het niet zeker, dat daarmede de gedachtenis aan hare lichamelijke verheerlijking op de eerste plaats werd bedoeld, al zal deze zeker mede bedoeld zijn. De H. Augustinus immers spreekt ook van Assumptio of ten-Hemel-opneming, waar hij van de gedachtenis aan den heiligen dood van een Bisschop melding maakt. Zeker is het, dat men ook in de christelijke Oudheid onderscheid maakte tusschen de onderscheiden feiten, welke wij thans alle op den 15den Augustus herdenken. Hoogstwaarschijnlijk bestonden er zelfs hier en daar een tijdlang twee [78] feesten van Maria, waarvan het eene haar sterfdag, het andere hare verheerlijking vierde en smolten deze later tot één feestdag samen. Nog in de late middeleeuwen vierde men op sommige plaatsen 3 dagen na het feest van Assumptio het feest der Kroning van Maria.

Dit onderscheid, vooral tusschen dood en verheerlijking, maakte men nog te gereeder, wijl sommigen van meening waren, dat Maria den dood niet onderging, doch zonder te sterven ten Hemel werd opgenomen. Dit is echter een afwijkende meening zonder voldoenden grond, door slechts zeer weinigen verdedigd, thans wel algemeen verlaten. Het is algemeen gevoelen der geleerden, dat Maria, zij het uit een bovennatuurlijk heimwee naar haar goddelijken Zoon, een natuurlijken dood stierf. Wel is zij de Koningin der Martelaren, doch niet in den zin, dat een stoffelijk zwaard haar hart doorboorde. Een lijden, grooter dan dat van alle Martelaren was haar deel, toen zij haren Jezus, dien zij als haar kind en als haar God aanbad, zag lijden en sterven aan een kruis, toen zijn werk vernietigd, zijn zending mislukt scheen en haar geloof op de proef werd gesteld als nooit dat der Martelaren door de hevigste pijnen. Geen gewelddadige dood verbrak de kluisters, welke Maria aan deze wereld bonden, doch een dood van liefde en verlangen naar haar beminden Jezus.

Waar Maria na Jezus’ kruisdood leefde en stierf, is niet met zekerheid bekend. Twee steden strijden om het voorrecht, dat zij hare woonstede waren en de plaat van haar graf. Het zijn Ephese en Jeruzalem. De visioenen van Anna Catharina van Emmerik deden op het laatst der vorige eeuw weder de bijzondere aandacht op Ephese vestigen, zonder echter een afdoend bewijs voor deze meening te doen vinden. Hare openbaringen zelve als een gezag aan te halen, is niet geoorloofd, te minder daar de even beroemde visioenen van Maria van Agreda Maria’s leven en sterven te Jeruzalem schilderen. Wel bestond in Ephese reeds zeer vroeg een kerk der H. Maagd, iets, dat wel het graf van de Moeder des Heeren daar ter plaatse zou doen vermoeden; ook de woorden, door den H. Cyrillus in 431 in deze kerk bij het concilie van Ephese gesproken, schijnen er op te duiden, dat Maria en Joannes daar leefden en stierven, doch ook te Jeru- [79] zalem zijn twee heilige plaatsen, sinds eeuwen in vereering. De eerste is de Dormitio of de plaats der Insluimering van Maria in het huis van het Laatste Avondmaal, sinds de vroegste tijden gehouden voor de plaats, waar Maria stierf; deze plaats werd op het laatst der vorige eeuw door den Duitschen keizer gekocht, die daarop een heerlijken tempel ter eere van Maria bouwde en den katholieken ten geschenke gaf; daarnaast vereert men sinds de eerste tijden in den Olijfhof in het dal van Gethsemani de plaats van haar graf, waarover reeds zeer vroeg een kerk werd gebouwd, aan Maria toegewijd.

Al weten wij echter niet met zekerheid de plaats, waar Maria uit dit leven scheidde, en ook niet het jaar, waarin hare aardsche ballingschap eindigde, al hebben wij geen evangelisch verhaal, dat ons de omstandigheden van haar dood en verheerlijking schildert, de overlevering is daar om ons de zekerheid te verschaffen, dat zij stierf en dat kort na haren dood ook haar lichaam mocht deelen in de verheerlijking der ziel. Het zou ons te ver voeren, de overlevering omtrent dit punt vast te stellen en na te gaan, wij moeten ons bepalen tot de eerste geschiedenis van het feest. En gelijk wij reeds zeiden, eerst op het einde der zesde eeuw vinden wij uitdrukkelijk gewag gemaakt van een feest, ingesteld om dit heerlijk voorrecht van Maria te gedenken. Wij ontmoeten het ongeveer terzelfder tijd in de Grieksche kerk en in Frankrijk, in de eerste op den 15den Augustus, in Frankrijk op den 18den Januari. Hieruit besluiten sommigen, dat de godsvrucht der geloovigen het in beide landen onafhankelijk van elkander deed ontstaan. Men is echter algemeen geneigd aan te nemen, dat de kerk van Rome het feest van de Grieken overnam en het van Rome uit over de verschillende kerken van het Westen werd verspreid en spoedig algemeen op den 15den Augustus werd gevierd. De aan het Grieksch ontleende naam “Feest der Insluimering van Maria”, waaronder het op het einde der zevende eeuw – naast Assumptio of ten-Hemel-opneming in het Gelasianum – in het Pausboek voorkomt, wettigen het vermoeden, dat het feest van Griekschen oorsprong is, te meer nog, wijl vaststaat, dat het een eeuw vroeger reeds door de Grieken werd gevierd.

Volgens het niet onbetrouwbaar verhaal van Nicephorus immers verordende keizer Mauritius, die van 588 tot 602 regeerde, dat voortaan de ten-Hemel-opneming van Maria plechtig zou worden herdacht op den 15den Augustus.

Volgens den H. Joannes Damascenus, die hierbij op een verder niet bekenden Euthymius steunt, bouwde keizerin Pulcheria omstreeks het midden der zesde eeuw in een voorstad van Constantinopel een prachtige kerk ter eere van Maria met de bedoeling, daarheen het lichaam der H. Maagd te doen overbrengen en er met allen denkbaren luister te omgeven. Zij wendde zich met dat doel tot den Patriarch van Jeruzalem, destijds Juvenalis, die haar en haar Gemaal echter mededeelde, dat men te Jeruzalem niets bewaarde dan het ledige graf en de grafdoeken en dat volgens een [80] overoude en zeer geloofwaardige overlevering op den derden dag na Maria’s dood, waarbij alle Apostelen behalve de H. Thomas aanwezig zouden zijn geweest, de H. Thomas kwam en men voor hem het reeds gesloten graf opende, doch er niets vond dan de lijkwade, die een welriekenden geur verspreidde; het H. Lichaam was op wonderbare wijze uit het graf verdwenen en de Apostelen geloofden, dat het door God ten Hemel was opgenomen en verheerlijkt. De keizer deed nu het graf naar Constantinopel overbrengen. Het is zeker meer dan waarschijnlijk, dat het hoofdfeest dezer kerk, de kerk van het H. Graf van Maria, de gedachtenis was aan haar dood en glorierijke ten-Hemel-opneming, dat de kerk van Constantinopel hiermede echter geen nieuw feest vierde, doch van Jeruzalem, waar eerst het Graf werd vereerd en bezocht, die feestviering overnam. Het is even waarschijnlijk, zoo niet zeker, dat keizer Mauritius geen nieuw feest instelde, doch slechts eenheid gaf aan de feestviering en het feest uitstrekte over het geheele Keizerrijk. Zoo kwam het waarschijnlijk in Rome, waar het een eeuw later, blijkens een mededeeling uit het leven van Paus Sergius in het Pausboek op het einde der zevende eeuw, gevierd werd met een plechtige processie door de straten der stad.

Dat het feest in het begin der zevende eeuw te Jeruzalem werd gevierd, heeft men ook willen opmaken uit een rede, welke de Patriarch Modestus, die in 634 stierf, op dit feest zou hebben gehouden, doch volgens Cabrol mag deze rede niet aan Modestus worden toegeschreven en is zij van later dagteekening.

Omstreeks denzelfden tijd, als wij het feest in de Grieksche kerk uitdrukkelijk vermeld vinden, spreekt de H. Gregorius van Tours over de viering van dit feest in Frankrijk. Vrij algemeen toch worden zijn woorden in dezen zin verstaan. Daar vierde men het echter onder den naam van ten-Hemel-opneming op den 18den Januari. Behalve uit de mededeeling van den H. Gregorius op het einde der zesde eeuw, blijkt dit o.a. uit een Gothisch-Gallicaansch Missale, dat uit de 7de of 8ste eeuw afkomstig is en vinden wij ook in een Sacramentarium van het klooster Luxeuil uit de zevende eeuw een feest van Maria, echter zonder verdere aanduiding, op den 18den Januari vermeld. Daartegenover staat weer, dat een in Frankrijk gevonden inscriptie uit 676 de ten-Hemel-opneming stelt op 15 Augustus. Er schijnt dus ook hier geen eenheid in de feestviering te zijn geweest. Men is geneigd, den 18den of althans een dag omstreeks het midden van Januari als Maria’s sterfdag te beschouwen. Bijzondere vermelding verdient hierbij zeker, dat ook de Kopten reeds in de zevende eeuw op den 16den Januari de Beweening van Maria vierden. Het is volgens Kellner volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat ook in andere Oostersche kerken het feest van Maria’s ten-Hemel-opneming hier en daar omstreeks het midden van Januari werd gevierd en dat de gedachtenis aan Maria’s sterven en verheerlijking later naar een geschikter tijd werd verschoven en men het deed samenvallen met het [81] feest van den wijnoogst. De verordening van Keizer Mauritius doet wel verscheidenheid in den dag der feestviering vermoeden en wordt door velen dan ook beschouwd als een poging, daarin eenheid te brengen. Dit vermoeden wordt nog versterkt, doordat het wel zoo goed als zeker is, dat aan een eigenlijke instelling van het feest door die verordening niet kan worden gedacht. Op zeer goede gronden besluit men, dat het feest zelf veel ouder is. Bijzondere vermelding verdient hier, dat volgens Dr. Baumstark reeds sinds het einde der vierde eeuw te Antiochië een “Gedachtenis” gevierd werd “van de H. Moeder Gods en altijd Maagd Maria” en dat hiermede wel geen ander feest bedoeld wordt dan dat der herdenking van haar intrede in den Hemel, gelijk men ook de “Gedachtenis” vierde der Martelaren op den dag, waarop zij voor het Hemelsch leven werden geboren. Hetzelfde Gedachtenisfeest vinden wij vermeld in het leven van den H. Theodosius, waar wij lezen, dat de monniken van Palestina het in het begin der zesde eeuw met groote plechtigheid vierden. Van de ten-Hemel-opneming is bij de vermelding dezer “Gedachtenis” niet uitdrukkelijk sprake, doch wij mogen niettemin in dit feest het eerste spoor van het feest der ten-Hemel-opneming zien. In dien zin zou men met Kellner dit feest het oudst bekende Mariafeest kunnen noemen, dat reeds van het einde der vierde eeuw dagteekent, doch in den loop der eeuwen wijzigingen en aanvullingen onderging en waarin vooral de viering van Maria’s verheerlijking later scherper tot uiting kwam.

Dat toen ook op ander wijze het geloof aan Maria’s ten-Hemel-opneming zich uitte, blijkt uit een voorstelling hiervan op een graftombe te Saragossa in Spanje, dagteekenend uit de vierde eeuw, het oudste bewijs, dat wij voor dit geloof bezitten.

Een tweede grond, waarop men aanneemt, dat het feest van Maria’s ten-Hemel-opneming reeds zeer vroeg in de kerk werd gevierd en met dit Gedachtenisfeest hoogstwaarschijnlijk één is, ligt in het feit, dat de afgescheiden kerken van Nestorianen en Eutychianen, Armeniërs en Ethiopiërs het feest van Maria’s ten-Hemel-opneming vieren, hetgeen er op wijst, dat het feest reeds bestond, toen zij zich van de Moederkerk losscheurden. Hieruit zou volgen, dat het reeds in het begin der vijfde eeuw gevierd werd.

Rondom het feest vormden zich naar alle waarschijnlijkheid de legen- [82] den, welke ons van Maria’s sterven en verheerlijking een voorstelling trachten te geven.

Zeker zullen deze zich hebben aangepast aan de geloofwaardige overleveringen en aldus een kern van waarheid bevatten, doch haar geheel is toch allerminst het beeld dier overlevering en daarom werden zij door de kerk als apocrieve of onechte verhalen gebrandmerkt en verworpen. Legenden, hoe vroom vaak opgezet, hebben over het algemeen een gevolg, geheel tegenovergesteld aan hetgeen de makers er van verwachten. Uitgestrooid als zaden van geloof en godsvrucht, verstikken zij die, wijl met de bloemen, welke zij kweeken, het onkruid opschiet, met het goede zaad vermengd. Met het onkruid worden dan de reeds half verstikte bloemen uitgerukt. Dit geschiedde ook hier. Vooral in Frankrijk en in deze streken zien wij in de negende en tiende eeuw mannen als Ado en Usuardus stelling nemen tegen deze valsche verhalen en schrijven, dat de kerk liever verklaart, niet te weten, onder welke omstandigheden Maria stierf en door God werd verheerlijkt, liever dan die legenden in den schat des geloofs op te nemen. Zij vieren op 15 Augustus Maria’s heiligen dood, doch laten de vraag, of haar lichaam werd verheerlijkt, onbeslist. Echter niet lang duurde deze al te felle reactie. Spoedig zag men in, dat het kaf van het koren, de bloemen van het onkruid waren te scheiden en bloeide ook in deze streken de godvruchtige vereering van Maria’s ten-Hemel-opneming weder op. Een bewijs hiervan is wel een der oudste voorstellingen van Maria’s verheerlijking in den Hemel in het missale van den H. Bernulphus uit de tiende eeuw, bewaard te Deventer. Trouwens reeds in de vijfde eeuw werd onder Paus Gelasius door een synode te Rome het verhaal van Maria’s dood, dat volgens Tischendorf uit de vierde eeuw stamt, volgens Turmel echter nog steunt op een ouder uit de tweede eeuw, een verhaal, zelfs aan den H. Joannes toegeschreven en in vijf lezingen verspreid, als een verboden boek gebrandmerkt en niettemin zien wij daarna de kern ervan door de H. H. Vaders vermeld. De veroordeeling raakte dan ook niet de kern, doch den vorm en de bijzonderheden en niet het minst den apostolischen oorsprong en evangelische waarde, welke eraan werd toegeschreven. Het geloof aan Maria’s ten-Hemel-opneming werd daardoor allerminst getroffen, integendeel van ingeslopen misbruiken gezuiverd. De kern der legende, het verhaal der overlevering geeft ons de H. Joannes Damascenus, wiens mededeeling wij boven reeds gaven.

Was het feest van 15 Augustus in de Grieksche kerk reeds op het einde der zesde, te Rome op het einde der zevende eeuw een feest van hoogen rang, sinds de zevende eeuw, mogen wij zeggen, is het algemeen. Op het einde der achtste eeuw behoorde het ook in Frankrijk en Duitschland tot de hoogste feesten, gelijk blijkt uit de bepalingen van het concilie van Salzburg in 799, van bisschop Chrodegangus van Metz, van het concilie van Mainz [83] in 813, en van bisschop Herald van Tours.

In 847 verbond Paus Leo IV aan het feest een Octaaf. Koning Alfred de Groote van Engeland verhief voor geheel zijn rijk op het einde der negende eeuw dit Octaaf tot een volle week van verplichte feestdagen en ongestoorde feestvreugde. Het was voortaan het feest bij uitstek van Maria of gelijk het in enkele streken van ons land nog genoemd wordt “de hooge Lieve-Vrouwen-dag”, een dag of dagen van rust en feestviering na de drukte van den oogst, welke dien dag op bijzondere wijze aan Maria werd toegewijd door de zegening der kruiden. Op den dag, waarop de schoonste Bloem door Engelenhanden den Hemel werd binnengedragen, komen op vele plaatsen, hier in ons land bijv. in het Bisdom van Roermond en op die plaatsen, welke vroeger tot dit Bisdom behoorden als Boxmeer en het land van Cuyk, de kindertjes – aardsche engelen – met bloemen en welriekende kruiden ter kerke om ze door den Priester te doen wijden. Deze zegening dagteekent reeds van de negende, zeker van de tiende eeuw. ’t Is waar, in Augustus is niet alle oogst binnen, doch de voornaamste voortbrengselen zijn geoogst en vorderen nog slechts een naoogst. Schoon noemden dan ook onze voorouders reeds in de dertiende en veertiende eeuw dit feest den Lieve Vrouwendag ten midden Oogste, als was het voor hen een kleine zoete pauze tusschen de voor- en nadrukte van den oogst, een dag, waarop zij, niet als weleer de heidenen, omstreeks dien tijd zich overgaven aan min passende Oogstfeesten, doch voor een wijle de aardsche beslommeringen ter zijde stelden en den blik lieten gaan naar den Hemel, met de bloemen en kruiden in de handen der kinderen de vruchten van hun akker brachten voor het oog des Heeren om er Zijn zegen over te ontvangen.

Dan bidt de landman met den Priester op het einde der Kruidenwijding, dat eens ook hij zelf als een rijpe vrucht vol levenszaden, als een welriekend kruid, een frissche bloem worde overgeplant in het Paradijs om er te bloeien naast de wonderschoone Lelie, die op den dag van Maria’s sterven en ten-Hemel-opneming in dien Lusthof werd overgebracht.



  1. Published in: Carmelrozen, Vol. V, August 1916, p. 77-83.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019