Hulde en schande

1920

Article

 


Hulde en schande

[1]


We waren in de Kerstdagen.

Die dagen waren te heilig om woorden te spreken, welke ons op de lippen brandden.

Er zijn gelegenheden, waarop men zwijgt, als men woorden zou willen spreken van ergernis.

Men wil noch zijn eigen feeststemming, noch die van anderen storen, al zijn er, die de feestgelegenheid misbruiken.

Het was Kerstmis in het jaar 1919.

Er was weken, ja, maanden geroepen, dat er meer verdiend moest worden, dat men er niet komen kon van hetgeen er tegenwoordig wordt betaald.

Men dreigde zelfs met staking en beriep zich op het recht, dat ieder mensch heeft op een fatsoenlijk loon voor zijn dagelijkschen arbeid, het eenige middel, dat men heeft om het noodige levensonderhoud te verdienen.

Ter gelegenheid van het Kerstfeest gratificaties gegeven om het lot van de dagelijksche werkers te verzachten en de gelegenheid te geven tot viering van een feest, van het Kerstfeest.

Wij spreken niet van de toenemende weelde onder de klassen, welke zich van weelde behooren te onthouden, omdat zij daarmee onrecht plegen aan hun gezin of anders aan hun eigen toekomst.

Wij billijken het, dat op een dag als Kerstmis gegeten en gedronken wordt als op een feestdag.

Wij beklagen zelfs degenen, die door hun levensomstandigheden gedwongen zijn, zich op dien dag tevreden te stellen met het gewone dagelijksche rantsoen.

Maar ergerlijk, neen, walgelijk noemen we het – en wij zouden nog sterker woorden willen gebruiken om te gispen, dat die dag ontwijd werd door een dronkenschap welke zelfs in Oss algemeene verontwaardiging wekte.

Men is in Oss toch wel iets gewoon.

Maar met Kerstmis is er, men vergeve mij het woord, ‘gezopen’ in Oss.

Het beschaafde Nederlandsch pleegt dat woord slechts te bezigen voor het drinken van dieren en zelfs voor deze gebruikt men nog liever beschaafder term.

Hier moest, schande genoeg, dat woord gebruikt worden van menschen, die hun Kerstfeest vierden.

Op den dag, waarop ieder Christen er aan wordt herinnerd, dat God op de wereld kwam om den mensch tot God te brengen en hem zijn verheven bestemming te herinneren, op dien dag lagen tenslotte tientallen als beesten in een herbergkamer, langs de straat of thuis in een schuur op den grond, te ver weg om zelfs op bed te komen. Dat was hun Kerstmis.

Een andere groep zal zoover niet gekomen zijn, maar bracht zich toch in een toestand lager dan dien van het dier.

Reeds in den middag liepen er langs de straat, aan wier vermogens de drank alle leiding en bestuur had ontnomen. Zij vierden Kerstmis. Zij hadden toch niet voor niets een extra-uitkeering gekregen voor dien dag.

Het kon lijden.

Wij weten niet hoeveel er dien dag is gedronken, maar aan geen twijfel onderhevig is, dat er veel, te veel gedronken is.

Er is met geld gesmeten voor een artikel, dat niet slechts gemist kan worden, maar waarvan velen om de rampzalige gevolgen, welke het gebruik voor hen of anderen heeft, zich moesten onthouden.

En men heeft gedronken, tot men niet meer kon, tot de natuur weigerde of zelfs teruggaf, wat men haar wilde in gieten.

Men heeft niet slechts in overdaad, maar in grootelijks zondige overdaad geleefd, terwijl daar ginds in een millioenenstad de menschen sterven van honger, terwijl honderdduizenden de vermagerde handen uitstrekken om brood of neen, om alles, wat eetbaar is, ja, terwijl over de grenzen de nood zoo hoog is gestegen dat in wanhoop en hongerrazernij de sterkere den zwakkere, de volwassene het kind vermoordt om te kunnen eten.

De dronkenschap is altijd walgelijk, maar wagelijker is zij, als gedronken wordt van geld, dat aan het huisgezin wordt onttrokken, nog walgelijker, als zij dagen ontheiligt, waarop de menscen toch meer dan anders aan hun verheven bestemming en natuur worden herinnerd, maar zij is onbeschrijfelijk walgelijk, als we ze stellen naast toestanden van ellende en hongersnood, welke elke beschrijving tarten.

Zeker, wij voelen ons geroepen om een woord van hulde te spreken tot de bevolking van Oss voor hetgeen in de afgeloopen weken werd samengebracht voor de noodlijdenden van Weenen. Het heeft geopenbaard, dat tal van harten warm kloppen voor den hongerenden naaste. Het heeft geopenbaard, dat in het hart de liefde niet sluimert, maar sterk was en machtig en tot daden bracht, waarop wij fier zijn.

Ons woord van ergernis geldt niet diegenen, die de liefde de groote offers deed brengen, welke wij reeds mochten vermelden.

Wij kunnen ons niet voorstellen, dat wie in die offers deelde en dus den nood, die geleden wordt, beseft, in staat is geweest, zich aan een overdaad schuldig te maken, zoo met dat besef in strijd.

Hun geldt mijn woord van hulde en gelukkig, zij vormen toch de overgroote meerderheid.

Mogen hun offers en hun invloed, hun voorbeeld en de door hen te vormen publieke opinie de ergernis wegnemen, welke op de eer der stad zulk een donkere schaduw werpt.



  1. Published in: De Stad Oss, 2 January 1920, page 1 (editorial). The text is attributed to Titus Brandsma, the chief editor of the newspaper. The editorial is not signed.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020