Ideaal voor den Katholieken Onderwijzer

undated

notes for a speech

 


Ideaal voor den Katholieken Onderwijzer

[1]


Als we hooren van idealen, dan rijst iets moois, iets heerlijks voor ons op. Niet alleen een koude voorstelling van het verstand, een idee, maar een element van schoonheid en volmaaktheid. Het mooiste. Mensch niet alleen verstand, ook wil en streving. Eigenschap van alwat is, dat het goed is, maar in graden van volmaaktheid. Steeds verder te vervolmaken. Niet te spoedig tevreden zijn. Het kan haast altijd beter. Niet neerzitten in rustige zelfgenoegzaamheid. Oog hebben voor het onvolmaakte om het weg te nemen, maar nog meer voor het volmaakte om het te verlangen en er naar te streven. Oppassen voor te negatieve instelling. Daarom goed, de idealen te beschouwen


[2]

Onderwijzer is een begrip, dat uiteraard een betrekking insluit, in die betrekking moet worden gezien en begrepen. Twee uitersten, twee termen van die betrekking, waarvan de terminus ad quem[2] de meest bepalende waarde heeft. In het formeele moet de volmaaktheid, de goedheid worden gezocht. Wij moeten de moeder niet willen zien zonder het kind, maar zoo evenmin den onderwijzer zonder de hem toevertrouwde jeugd. Hij is groot, als hij haar groot maakt en leidt tot het doel, waartoe hij geroepen is, haar te leiden. Hij staat niet alleen Circa illum corona fratrum[3]. Die velen zullen onderwezen hebben in de wegen der gerechtigheid, zullen schitteren als sterren aan het firmament. In de verbeelding onderwijzer verheerlijkt te midden van de honderden, die hij heeft vooruitgebracht en omhoog gevoerd.


[3]

Waardeering van onszelve als goed, hoog opzien bij onszelve, maar tegelijk de onvolmaaktheid erkennen. God schiep ons naar zijn beeld. Het zijn ons meegedeeld doet ons deelen in de eigenschappen van het zijn. God zag, dat het goed was. Dat goede moeten ook wij trachten te zien en wel te zien met de oogen Gods, overeenkomstig zijn inzichten en de aanwijzingen der door Hem geschapen natuur. Ons verstand zal ons leiden. Niet al te zeer op de traditie leven, wordt zoo licht sleur. Bewust door het leven gaan. De tijden veranderen, heel de maatschappij rondom ons verandert, we moeten er rekening mee houden, dat bij de wijziging daarvan ook veranderingen optreden in de eischen, ons gesteld, opdat wij goed zijn. Goed is iets betrekkelijks, is te beschouwen met het oog gevestigd op iets, waarvoor het goed moet zijn.


[4]

Ideaal, heel goed te zijn om veel te kunnen geven, waaruit dan het gelukkig gevolg, dat we ook veel ontvangen.

Bonum diffusivum sui[4]. Wat kan een onderwijzer veel geven.

Vooreerst omdat degenen, aan wie hij het zijne geeft, zoo weinig hebben en door de school zoo rijk kunnen worden. Een kinderhand is gauw gevuld. Maar die hand wordt al grooter. De onderwijzer blijft geven, hij heeft zooveel, dat hij geven kan. Niet altijd erkend of dankbaar aanvaard. Maar dan het verstand, dat zegt, dat niettemin veel wordt gegeven. Geven maakt gelukkig. Er wordt door de onderwijzers te weinig aan gedacht.

Vervolgens, omdat zijn kennis en ervaring hem in staat stelt, steeds meer te geven. Hij kan zichzelven onder dit opzicht buitengewoon vervolmaken. Als hij wil………


[5]

Wij ontvangen graag. Wij worden graag gediend. God heeft het eene met het andere willen verbinden, maar wij denken soms te eenzijdig aan het ontvangen, zonder voldoende aandacht te schenken aan den dienst, die in de wereldorde aan het ontvangen moet voorafgaan. De cost gaet voor de baet uit. Velen richten met zooveel hartstocht het oog op de baet, dat zij de cost alleen maar weten te zien als den weg tot de baet. En toch heeft God aan het werk zoetheid gegeven. Wel straf der zonde, maar evenmin als de mensch in zijn natuur is bedorven en nog veel goeds heeft, zoo is ook aan het werk niet alle schoons en goeds ontnomen. God werkt nog met ons mede in de orde der natuur en wij dienen daarin zijne inzichten, zijn goedheid.

Wij kennen ons geluk niet, als wij het alleen stellen in het ontvangen, er zijn nog andere dingen, die ons gelukkig maken.


[6]

De maatschappij is geen vloek maar een zegen. Uit het dienen van de maatschappij vloeit voort, dat zij ons dient en in al onze behoeften tracht te voorzien.

Men kan den nadruk leggen op het zich onmisbaar en nuttig maken. Men kan een standpunt innemen, dat men bij ons moet komen om onze diensten te koopen met beloften van grooten wederdienst. Men kan daarbij zeer zelfzuchtig zijn en alleen het eigenbelang op het oog hebben, men kan om het zoo uit te drukken, zijn leven en zijn werk duur verkoopen, het zou jammer zijn, indien we daarbij uit het oog verloren, dat de mensch er niet alleen is voor zichzelven, maar ook voor anderen en de schoonheid der wereld bestaat in de wondere samenwerking en wisselwerking, die zich overal openbaart. Wat is het oog in al zijn heerlijkheid, als daar het licht niet was en de kleur?


[7]

Nemo orator nisi vir bonus[5]. Cicero. De eisch voor de kinderen goed te zijn en hen veel te leeren stelt een hoogen eisch aan den onderwijzer zelven. Hij moet ook zijn persoon vervolmaken. Naast het relatieve het absolute. Naast zijn vorming van het kind, de vorming van zichzelven om het kind te kunnen vormen. Een vol gaaf mensch kan alleen waren goeden invloed uitoefenen. Nemo dat quod non habet.[6]

Aliis inserviendo consumor[7]. Maar ook consummor[8]. Licht en vuur worden door mededeeling steeds grooter. Het leven komt eerst in de mededeeling van het leven tot zijn hoogste krachtsontplooiing en volmaaktheid. Het eene hangt allernauwst met het andere samen. Wie voor het kind wil zijn alwat hij er voor kan wezen, maakt van zichzelven tegelijkertijd een ideaal mensch.


[8]

Door ideaal te zijn voor het kind wordt de onderwijzer zelf ideaal. Hij moet niet naar idealen zoeken dan langs den weg van het kind. Niet om ten koste van het kind omhoog te komen, maar door het kind te dienen een roeping te vervullen, die in de maatschappij zeker het loon niet missen zal. Strijd om de waardeering. Zeer zeker geoorloofd soms noodzakelijk. Geen onrecht maakt de maatschappij groot. Maar niet overdrijven en het niet eenzijdig daarin zoeken. Idealen voor den onderwijzer meer dan vacantie en salaris-verhooging. Noodzakelijke dingen, maar op de tweede plaats. Op de eerste komt de gelegenheid, goed te doen en in het vervullen van een roeping zich gelukkig te voelen in dienst van God. Quaerite primum regnum Dei et haec omnia adjicientur vobis[9]. Gods rijk, Gods voorzienigheid.


[9]

De onderwijzer in den dienst van God volgens natuur en maatschappelijke orde. Het werk met God. Vandaar is het zoo mooi, indien de onderwijzer de vereeniging met God zoekt door de dagelijksche H. Mis en de dagelijksche H. Communie. Niet uiterlijk, omdat het tot zijn taak gerekend wordt, maar uit sterke innerlijke overtuiging, dat hij Gods werk moet doen met God. Bidden in de school en zoo de kinderen tot God brengen, hij, die zelf met God vereenigd is.

Het zingen van geestelijke liederen met het kind, in school en kerk. Het kind moet zingen en met bewustzijn leeren zingen, de woorden in groote lijnen doen verstaan. Hij neemt hier de taak van den priester over, die weinig of niets kan, als hij den steun van den onderwijzer niet heeft. Rechterhand van den pastoor. Geen religieuze moest er tegenaan kunnen.


[10]

De onderwijzer neemt de plaats in van de ouders. Vader en moeder moet hij vervangen, niet alleen om hen te leeren lezen en schrijven, rekenen en teekenen, de tijd der abstractie is gelukkig haast voorbij, maar velen abstraheeren toch nog veel te veel. Zeker men moet het eene na het andere doen, nunc lege nunc ora nunc cum fervore labora[10], maar alles in een systeem, alles in harmonische ontwikkeling van het geheele kind, dat niet op school moet beschouwd worden alsof het alleen maar hersenen heeft, maar als mensch, naar alle zijden harmonisch te ontwikkelen. Daaraan moet den onderwijzer denken dat hij menschen groot moet maken. Hij moet de kinderen in de ziel zien als vader en moeder en meevoelen met het kind. Daarom zoo gewenscht, dat de onderwijzer de ouders, het gezin kent, de ouders bezoekt en spreekt over hun kind, hun raad geeft over hun kind.


[11]

De onderwijzer moet het kind inleiden in de maatschappij. De school is daartoe de naaste voorbereiding. Dat doel moet de onderwijzer steeds in het oog houden. Hij is niet onderwijzer voor de school alleen, hij neemt een eigen plaats in in de maatschappij, die hij nog veel meer kan geven in het belang van de jeugd, hem in het bijzonder toevertrouwd. Jammer, als de onderwijzer zijn taak tot de school beperkt ziet en niet begrijpt, dat die werkzaamheid moet zijn als een stam, die naar alle zijden bladeren en takken schiet, als een wierook-offer, dat zich naar alle zijden verspreidt, als een licht, dat naar alle kanten straalt. Aangewezen om in de maatschappij leiding te nemen althans grooten steun te verleenen bij alle werk voor de opgroeiende jeugd. Jeugdwerk in alle vormen, patronaten, ontwikkelingsavonden, vervolgonderwijs, niet te uitsluitend om geldelijke vergoeding, al is deze billijk.


[12]

Vooral voor de minder bedeelden in de maatschappij. Arme kinderen moeten het bijzonder voorwerp van liefde en zorgen zijn. Op school aandacht schenken aan het misdeelde kind, daarin openbaart zich de ware liefde. Moederliefde voor een ongelukkig kind. Lot van die kinderen aantrekken, er voor spreken en vragen. Vaak niemand beter met de nooden bekend. Daarom zoo goed, als de onderwijzer lid is van vereenigingen tot leniging van den nood der armen. Hij ziet en hoort zoo veel, tenminste als hij wil, het arme kind liefheeft. Tegendeel soms waar. Voorbeeld van Jezus, arm kind geworden. Scholen voor minvermogenden vaak gevlucht, minder ambitie voor. Moest juist grooter zijn. Studeeren, hoe het arme kind te helpen. Handen-arbeid op school. Den laatsten tijd een streven daarnaar. Steunen, samenwerken. Met vereende krachten veel te bereiken. Door Bisschop organisatie gewenscht.


[13]

Samenwerking onderling. Verhoudingen. Orde en gezag. Inspectie, Hoofden enz. Het gezag niet vluchten. Afhankelijkheid erkennen. Plicht ook tot samenwerking voor het belang en den bloei van den stand, opdat de roeping steeds beter vervuld worde. Ons Onderwijs is wel algemeen erkend als vereeniging waartoe men toetreden moet, maar dan ook met hart en ziel.

Vaak al te veel alleen materieele belangen aan de orde. Dáár wordt gevaar gezien, dat vereeniging eischt. Niet af te keuren, maar te wachten voor eenzijdigheid. Opgewekt leven van den stand in sommige streken, echt doordrongen van de hooge belangen. Waardeering in het vereenigingsleven, waarin gewoonlijk enkelen het werk moeten doen en dan vaak nog met ondank worden beloond.


[14]

Niet al te zeer het belang van den stand, die toch een deel is van de maatschappij. Ook hier dreigt gevaar voor eenzijdigheid en ongezonde maatschappij-groepeering. Geen tegenstelling, maar samenwerken. Onderwijzer soms erg beperkt in zijn gezichteinder, de school is er voor het leven en de school heeft de maatschappij noodig niet slechts om te bestaan, maar ook om haar doel te bereiken. Ook hier te veel onafhankelijkheidsgevoel. Onderwijzer eigen plaats in de maatschappij, maar toch in de maatschappij. Een onderwijzer, die in de maatschappij meeleeft en meedoet, is een levend mensch, die weet waarvoor hij de jeugd grootbrengt en waarvoor hij de jeugd moet trachten te bewaren. Zich niet blindstaren op het kind, ook den mensch zien en leiden in het volle leven. Steun van veel vereenigingen.


[15]

Een gerechtvaardigd ideaal voor den onderwijzer is voortdurende verdere ontwikkeling, vooral in de zaken, die zijn ambt betreffen. Studie van de paedagogiek verbonden met reflexie op de eigen methoden en ervaringen, maar daarnaast in allerlei andere zaken, elk naar aanleg en omstandigheden. Een ontwikkeld onderwijzer is een zegen. Gewoon te onderwijzen en geloofd te worden ontwikkelt zich gemakkelijk een neiging, een oordeel uit te spreken en de aanvaarding daarvan te verwachten. Onaangenaam, indien dat oordeel minder juist is. Daarom heeft de onderwijzer haast nog meer dan anderen noodig, zijn oordeel te vormen en vooral te toetsen, voorzichtig te zijn en zichzelf niet te misleiden.


[16]

Als een gerechtvaardigd ideaal mag tenslotte gelden het stichten van een huisgezin en de opvoeding van eigen kinderen. Moeilijke taak. De oogen zijn op hem gevestigd. Uiterste zorg voor de eigen kinderen. Niet blind voor hun gebreken, niet blind voor de onvolmaaktheid der eigen opvoeding. Vergevingsgezind voor de fouten van andere ouders en geduldig met de gebreken van andere kinderen. Maar ten andere, er een eer in stellen, voorop te gaan in al hetgeen aan het kind kan worden geboden in offervaardige liefde. Ideaal is het, in een gemeente, in een parochie een onderwijzer te hebben, voorbeeld in de samenleving, voorbeeld in de kerk, voorbeeld in de school, vol liefde en met rijke kennis en ervaring. Hoofdzaak in de schooljaren, maar daar onder alle opzichten hulp van den priester, van de ouders, van de samenleving.

Maria, Moeder Gods



  1. Typescript (NCI OP112-12), 16 pages (A5-format), undated. With a pencil words are underlined and some words are added; we present the underlining and the additions (as well as Latin or Medieval Dutch words) in italics.
  2. 'The end point or finishing point'.
  3. See: Sir 50:13 (VUL) 'Around him was the ring of his brethren'.
  4. 'Goodness is self-diffusive' (medieval saying).
  5. 'No one is a orator, unless he is a good man' (saying from classical antiquity; among others Cato, Quintillian and Cicero in his De oratore)
  6. 'No one gives what they do not have' (legal principle).
  7. 'serving others consumes me'
  8. 'completes me'
  9. See: Matt 6:33 'Seek ye first the kingdom of God and all these things shall be added unto you'.
  10. 'now read, now pray, now work with fervor' (Latin saying). See also Titus Brandsma Mijn Dagorde, Scheveningen 1942.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021