Idealisme op de Kweekschool

1929

Speech


Rede van Prof. Dr. Titus Brandsma, O. Carm. over Idealisme op de kweekschool

1929[1]


Idealisme heeft een mooien, een zonnigen klank. Met de woorden ideaal en idealist stamt het van idee. Maar is de idee eenvoudig een voorstelling van de waarheid, een afbeelding van de werkelijkheid, zonder dat aan een gunstige of ongunstige beteekenis aandacht geschonken wordt, met de afleidingen is het anders. Ideaal geeft het mooie en heerlijke van een idee in den overtreffenden trap, terwijl idealist de ongunstige aanduiding is van het najagen van hersenschimmen, het zien van de idee buiten verband met de werkelijkheid. Idealisme wordt in de geschiedenis der wijsbegeerte ook wel in deze laatste ongunstige beteekenis gebruikt, maar in de omgangstaal, in de gewone opvatting is de beteekenis gunstiger en is het veeleer: het schoone zien in de werkelijkheid, de dingen van het allerdaagsche leven zien niet zoozeer in het gewone beeld, dat geen indruk meer maakt, maar in een vollediger weergave, waarbij ook datgene, dat niet zoo aanstonds trekt en bekoort, in de dingen wordt gezien, het is het ontdekken en liefhebben van hoogere waarden, dan gewoonlijk aan de dingen worden toegekend, niet als iets fictiefs, maar als iets, dat er waarlijk in ligt opgesloten. Het is allerminst het idealisme van Plato, dat de idee ziet buiten de werkelijkheid, maar veeleer dat van Aristoteles, die de werkelijkheid tot uitgangspunt koos, maar door het abstraheerend vermogen van den mensch, in de werkelijkheid elementen van schoonheid deed ontdekken, welke achter de eerst waargenomen vormen schuil gaan, maar er naar waarheid in kunnen worden vastgesteld.

Wanneer men spreekt van idealisme op de kweekschool kan men het oog richten op degenen, die als leerlingen, kweekelingen op de kweekschool zijn, doch tevens op hen, die de school verlieten en in de maatschappij hun taak vervullen. De gezichtseinder van degenen, die de kweekschool leiden, kan moeilijk beperkt worden tot de jaren, waarop de kweekelingen op de kweekschool de opleiding ontvangen, maar reikt breeder en verder en omvat ook het leven en streven van den onderwijzer, de onderwijzeres, wanneer zij de school hebben verlaten. Juist opdat zij dan goed zijn, ontvangen zij de opleiding, zoodat reeds bij de opleiding gezien moet worden naar de mentaliteit welke zich na het verlaten van de school van de onderwijzers en onderwijzeressen meester maakt. Een idealisme moet worden gekweekt, dat ook na het verlaten van de school stand houdt. Tegen het verlies daarvan moeten zij reeds op de school worden gewapend.

Om te komen tot een schets van het idealisme op de kweek- [60] school zou men den negatieven weg kunnen inslaan. Het ontbreekt aan idealisme op de kweekschool. Men zou drie groepen kunnen onderscheiden, bij wie dat te kort het sterkst spreekt. Door de tegenstelling wordt dan het beeld van wat idealisme is, scherper en duidelijker.

Er komen op de kweekschool velen met groote energie, maar niet altijd is deze juist gericht. De eerste groep, het economisch type, de materialisten bezitten een mentaliteit, waarbij alleen het verwerven van een positie voor het latere leven, een positie, die in het levensonderhoud voorziet, waarde en beteekenis heeft. Met geen ander doel wordt de opleiding genoten dan om later te kunnen leven. Hoe goed dit streven op zich is, te eenzijdig nagejaagd, te uitsluitend beoogd, ontneemt het aan den onderwijzer het idealisme, in zijn levenstaak opgesloten. Er is toch hooger waarde te erkennen: verrijking van kennis, ontwikkeling onzer edelste vermogens, de richting naar het goede. Maar niet slechts verrijking van eigen kennis en ontwikkeling, ook de roeping, die van anderen te leiden en te ontwikkelen moet begeesteren. Dit beteekent groote gaven mededeelen, waarvan het bezit voor het kind onwaardeerbaar is. Een goed onderwijzer is voor het kind een schat, waarvan gedurende het geheele leven rente wordt genoten, in geestelijken zin. Dit vult het leven van den onderwijzer en bevredigt hem, meer dan de voorziening in zijn levensonderhoud.

De mensch leeft niet van brood alleen, er zijn andere behoeften en eischen, welke bevrediging vragen. En de opleiding van den kweekeling moet er op bedacht zijn, dat de bevrediging niet te eenzijdig wordt gezocht, m.a.w. dat er hoogere waarden worden gezien dan louter stoffelijke, dat er idealisme leeft.

Een tweede groep is die der intellectualisten, wien energie niet ontbreekt, maar bij wie deze gericht is al te uitsluitend op het verwerven en het bezit van kennis. Het zijn de blokkers, voor wie niets waarde heeft dan een nieuw diploma. Ook deze instelling is in eersten aanleg goed en prijzenswaardig. Alleen het uitsluitend en eenzijdig daarop ingesteld zijn, is de fout. Er zijn nog andere idealen na te streven. Naast de ontwikkeling des verstands staat de karaktervorming, de godsdienstig-zedelijke vorming van den mensch als geheel, van den mensch, die meer is dan alleen verstand of geest. Kennis is nog maar de halve ontwikkeling en de kweekschool tracht dan ook meer te geven. Liefde bekroont de kennis, maar de liefde moet ontwikkeld worden niet op motieven, welke naast het geleerde staan, maar steunen op het geleerde, daarop worden gebaseerd.

[61] De ontwikkeling van de kennis en de ontwikkeling van de liefde moeten niet naast elkander worden nagestreefd, maar in het allerinnigste verband. Het gekende, het op school geleerde bevat de elementen, welke het beminnenswaardig maken als gaven Gods voor den mensch, welke het goed en heerlijk is, mede te deelen.

Naast de twee groote groepen van hen, die wel met energie op de kweekschool komen en zijn, maar wier energie al te eenzijdig is gericht, staat een andere derde groep van inerten, futteloozen, voor wie de geheele opleiding in een sleur gaat, die leven zonder bewustzijn of besef. Zij hebben voor niets geestdrift, laten alwat moeite meebrengt, over aan anderen. Het zijn de lauwen, noch koud noch warm, die in het godsdienstig leven God een walg zijn. Dit sleur-type moet in het bijzonder worden geleid. Voor hen moeten de schoonheidselementen, in de dingen vervat, daarin duidelijk aan het licht worden gebracht. Zoo geheel ongevoelig is de mensch daar toch niet voor, al heeft het er den schijn van. Maar er moet gestudeerd worden op nieuwe vormen van mededeeling, opdat ook dezulken wakker worden en tot geestdrift worden opgevoerd. Dit is, wil het idealisme op een kweekschool blijven leven, allerdringendst noodig. Niets doodender dan zulke geestdriftsloozen. Men beruste er niet te gemakkelijk in, dat energie nu eenmaal schijnt te ontbreken bij een groote groep. Het menschelijk hart is niet ongevoelig, wanneer het schoone en het goede maar op de juiste manier worden kenbaar gemaakt. Geschiedt dit, dan komt er ook geestdrift in het lauwe hart, dan wordt er een belangrijke zegen behaald. En daarom is er zooveel aan gelegen, dat op de kweekschool het onderwijs wordt opgedragen aan mannen en vrouwen, die er den slag van hebben, ook voor die inerten en futteloozen de dingen te doen leven en spreken, daarin hoogere waarden te doen uitstralen, welke den geest op den duur zeker moeten boeien.

Gaan we van de kweekelingen naar de onderwijzers en onderwijzeressen in de maatschappij, dan vinden we ook daar verschillende typen, min of meer vervreemd van idealisme. De eerste groep is die van de menschen van den kleinen kring, de exclusivisten, die op den onderwijzer zouden willen toepassen met betrekking tot de school, wat vooral in Frankrijk van de priesters werd gezegd en geeischt, n.l. dat zij in de sacristie zouden blijven. De onderwijzer blijft ook buiten de school zijn ambt bekleeden wellicht niet zoo onmiddellijk, maar toch zoo, dat hij ook daar iets voor de maatschappij beteekent. Ideaal is het, wanneer de onderwijzer voor het opgroeiend geslacht [62] iemand blijft, naar wien met eerbied en erkentelijkheid wordt opgezien, wiens lessen en voorbeeld, in de jeugd opgevangen, veel later eerst volle vrucht dragen, die zijn leerlingen iets meegeeft, dat voor hen een schat is voor heel hun leven, die aldus midden in de maatschappij staat verbonden niet alleen met de kinderen zijner school, maar met allen, die eens zijn school bezochten en daaruit iets van hem medenamen, die zijn taak dus ook voortgezet ziet, ook al is het onmiddellijk contact verbroken, die derhalve belangstelling houdt in de toekomst van degenen, die aan zijn leiding werden toevertrouwd en op die toekomst dus ook reeds op de school het oog gevestigd houdt, juist omdat hij of zij niet slechts voor de enkele schooljaren, maar voor het leven opvoeden en onderwijs geven.

Er is intusschen nog een tweede groep, die den kring nog enger neemt, zich niet slechts tot de school beperkt, maar op de school ook maar alleen oog heeft voor de ontwikkeling der kennis volgens het vastgesteld program. Goed leeren is alles, al het overige bijzaak. Zij drillen de kinderen voor het eind-diploma of voor het overgangsexamen, zoodat we deze groep zouden kunnen qualificeeren als die van het examen. Zij huldigen het Socratisch beginsel, dat kennis alle goeds insluit, dat het stichten van scholen ter ontwikkeling van de kennis de gevangenissen zal doen sluiten. Kennis is maar de helft. Zeker moet de onderwijzer, de onderwijzeres veel eischen voor de ontwikkeling des verstands, maar zij moeten geen tuchtmeesters zijn zonder hart, zij moeten het kind begrijpen en beseffen, dat het geen machine is. Ontzag, wáár ontzag is verwant met ontzien, zich aanpassen aan de eischen en behoeften van het kind. En voor opvoeding is aanpassing noodzakelijk. Geen al te groote starheid. Er is meer te doen, dan alleen wat lessen inpompen. Rousseau heeft het ware woord gezegd, dat men een mensch slechts kan opvoeden, door hem bij de opvoeding te beschouwen als mensch, mensch met velerlei eischen, waarvan op de school maar niet geheel en al abstractie kan worden gemaakt. Die breeder opvatting van de taak brengt idealisme in het leven van den onderwijzer, omdat dan de vervulling van de levenstaak heel wat voldoening en bevrediging geeft.

Een derde groep is die der pessimisten, die meenen, dat de school voor weinig meer dient, dan om de kinderen van de straat te houden, de ouders enkele uren van het toezicht te ontheffen, dat de kennis er verworven al heel gering is en dit weinig zelfs al spoedig is vergeten. Zij staan in de school en maken er hun uren, maar alle geestdrift [63] ontbreekt, het idealisme is verre, omdat de blik beneveld is, de gezichtseinder te beperkt, men geen oog heeft voor de hoogere waarden, welke in dit, oppervlakkig bezien, wel teleurstellend en ontgoochelend leven, toch voor den dieper schouwende verborgen liggen. Op die hoogere waarden moet reeds op de kweekschool worden gewezen, zij moeten leven, opdat ze ook later worden gezien. Er zijn toch lichtpunten. Naast schaduw is licht. Bloei van het onderwijs is van de grootste beteekenis voor den bloei der maatschappij. En toch is die beteekenis niet op elke school, elken dag vast te stellen. Het is een som van kleine successen, te klein voor het oogenblik om te worden gezien en bemerkt, maar zichtbaar bij het overzien van het geheel. Gezien in de groote lijn, wekt de goede vervulling van de taak door den enkeling bewondering en verdient ze liefde tot het te verrichten werk, dat voor de maatschappij blijkt van zoo onschatbare beteekenis. Soms is echter dat pessimisme een gevolg van een overdreven voorstelling van het leven en op de kweekschool moet reeds de jeugdige geest op teleurstelling en ontgoocheling worden ingesteld om er niet door te worden neergedrukt, maar daarbij toch de hoogere waarden te blijven zien. Idealisme is geen najagen van die hoogere waarden buiten verband met de werkelijkheid, waarin het mooie, het lichtgevende steeds verbonden is met de slagschaduw van het onbevredigende.

Dit brengt ons tot een vierde groep, die der conservatieven en zelfgenoegzamen. Zij zijn ingenomen met zichzelve. In de school is de onderwijzer alles. Hij toovert met de hulpmiddelen, welke hem ten dienste staan. Heel mooi is het aankweeken van het besef van eigenwaarde op de kweekschool, maar de mensch moet daarbij zichzelven blijven kennen, als beperkt in zijn gaven. Er moet gestreefd worden naar continuiteit, naar voortbouwen op de ervaring van anderen, het aanpassen aan anderen. Het is zelfs zaak, te leeren van hen, die een anderen weg bewandelen. Fas est ab hoste doceri. Maar daarbij moet ook gedacht worden aan ontwikkeling, aan verbetering van het onderwijs. Gelukkig leert de geschiedenis, dat er voortdurend naar verbetering is gestreefd, dat de hulpmiddelen steeds veelvuldiger en meer doeltreffend worden, nieuwe richtingen worden ingeslagen, welke vooruitgang beteekenen. Bij het besef van zijn beperktheid staat die ontwikkeling daar als een blij verschiet. Dit geeft ook energie tot het aanvaarden van nieuwe methoden, beproeven van nieuwe middelen. Het onderwijs bergt ook onder dit opzicht nog hoogere waarden, welke daarin in de huidige fase van [64] ontwikkeling wellicht nog niet te ontdekken zijn. Liefde tot het onderwijs zal ook hier vindingrijk blijken en het onderwijs de hoogere waarden schenken, welke er in verborgen zijn.

Die waarden zijn vele. In de opeenvolgende tegenstellingen zijn ze geleidelijk naar voren gekomen. Naast de materieele waarden zagen we de geestelijke, naast de verstandelijke die der streving en der liefde, naast de handeling het bewustzijn en de bevrediging. Naast de school staat het gezin en de maatschappij als terrein, waarover zich de invloed en de werking van het onderwijs uitstrekt, waarvoor het waarde heeft. Naast het bijbrengen van kennis staat de vorming van het hart, de richting der streving. Naast de schaduw schijnt het licht, naast de teleurstelling is er reden tot vertrouwen, naast de ondankbaarheid is er de dank der gemeenschap zoowel als van den enkeling zoo niet met woorden dan toch met daden, die er de vruchten van aanwijzen. Naast de starheid staat de mogelijkheid tot ontwikkeling, naast de ongenoegzaamheid de steeds rijker wordende vloed van allerlei hulpmiddelen. Eindelijk staat naast het tijdelijk het eeuwige. Naast de vervulling van het aardsche werk de volbrenging van den plicht door de Voorzienigheid opgelegd. Naast het menschenwerk staat het werk van God, die den wasdom geeft.

Het doel van den mensch is God kennen, God beminnen, God dienen en dat niet zelf alleen, maar allen met elkander in de gemeenschap met God. Hoe heerlijk is het voor den onderwijzer, de onderwijzeres naar dit laatste doel de eerste richting te geven, Hem te leeren kennen in het eerste, dat van de schepping wordt gekend, te leeren beminnen om het goede, dan reeds van de Voorzienigheid ontvangen, Hem te leeren dienen in overeenstemming met den weg door diezelfde Voorzienigheid afgebakend. Al was er niets dan dit laatste alleen, er was reden te over voor blij en gezond idealisme.

Voor den Katholieken onderwijzer of onderwijzeres geeft dit laatste nog een alles overstralende waarde aan het onderwijs, maar daarnaast staan nog zooveel andere waarden, die een beschouwing van de onderwijzerstaak vol idealisme wettigen, dat er reden is te wenschen, dat toch die waarden alle samen steeds in het oog mogen worden gehouden, opdat bloeie aan elke kweekschool het schoonste heerlijk-gezonde idealisme.



  1. Speech at the '16de Algemeene Vergadering van de Bond voor R.K. Kweekscholen', Den Bosch 21 november 1929. Published in: De R. K. Kweekschool, 8 (1930 nr 4), 59-64. Also published in: School en Studie, 4 (Januari 1931 nr 5/6), 54-55, 69-70.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2018