Ik zie de Hemelen open

1937

Opening speech

 

Ik zie de Hemelen open

Woord ter Inleiding van den Feestavond ter viering van het 19de Eeuwfeest van den H. Diaken-Martelaar Stephanus, Patroon van de Stad Nijmegen. 15 December 1937.[1]

Ik open deze Feestvergadering met onzen gewonen Christelijken groet: Geloofd zij Jezus Christus.

Hoogwaardige Excellentie, Edelachtbare Heer Burgemeester en Leden van het Stadsbestuur, Hoogeerwaarde Heer Deken en Geestelijkheid der stad, Feestvierenden, hier samen om onzen Patroon Sint Stephanus te vieren om het Eeuwfeest van zijn marteldood.

Een kort woord ter inleiding van dezen blijden avond.

Zelden kwam Katholiek Nijmegen in heerlijker vergadering bijeen.

Wij zijn hier al dikwijls samengekomen op hoogtijdagen van ons Katholiek leven. Het eeuwfeest van den Patroon der stad vroeg ook om een groote feestelijke bijeenkomst. En hier zijn wij dan samen om den eersten Martelaar van ons geloof, den H. Diaken Stephanus, Nijmegens Patroon te eeren niet met muziek en spel alleen, niet slechts met woorden en gezang, doch allereerst met de daad. Gij allen, die hier samenzijt, Gij zijt hier na een daad van liefde, met uw kaart, die een gave aan den arme beduidt. Wij hopen, wij vertrouwen, dat deze avond U ook zelf voldoening en bevrediging brengt, het kan haast niet anders, of wat hier gezegd en gezongen wordt, wat er in beeld wordt gebracht en uitgejubeld, zal weerklank vinden in uw hart, maar wat deze avond boven alles heerlijk en schoon maakt, is, dat wij hier samen zijn in één groote daad van liefde voor de armen, niet alleen zelf feest willen vieren, jubelen en juichen, maar tevens onze Katholiek armen een blijden dag willen geven. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd. En is dat geven op zich reeds mooi, van louter natuurlijk standpunt, het wordt nog mooier, nu het wordt ingegeven door het voorbeeld van Nijmegens Patroon, den H. Diaken, wiens levenstaak het was, voor de armen te zorgen. Wij willen de armen helpen, omdat wij in de armen God zien, die gezegd heeft, wat Gij den minste der Mijnen hebt gedaan, dat hebt Gij Mij gedaan. Wij zien verder dan den nood, die schrijnt en tot medelijden dwingt, wij hooren een stem uit den Hemel, die ons leidt in ons liefdewerk. Wij vieren een feest van Christelijke naastenliefde en het zal den armen een troost te meer zijn, dat ons geloof, onze Gemeen- [2] schap met de Heiligen, allereerst met Hem, die ons tot Patroon is gegeven, ons prikkelt tot daden van liefde.

Als de H. Albertus de Groote, de groote Dominicaan, die als Wijbisschop van Keulen, hier onze oude Sint Stevenskerk inwijdde en daarmede den H. Stephanus aan Nijmegen gaf als Patro[on,] eens, wellicht te dier gelegenheid zelve, een feestrede moest houden op den H. Stephanus – de preek is ons in zijn werken bewaard – koos hij tot tekst de woorden, door Sint Steven gesproken, toen hij door zijn rechters ter dood werd veroordeeld: Ik zie de Hemelen open.

Die woorden herhaal ik hedenavond op deze feestvergadering: Ik zie de Hemelen open.

Deze avond brengt ons den Hemel nader en niet slechts ons zelf maar ook de armen, die wij gedenken.

Er is veel leed in deze stad, veel armoede, veel ellende. Wij hebben een zwakke poging gedaan – uit naam van de armen hulde en dank[2] aan allen, die medewerkten – om den grooten nood met een kleine gave voor een enkelen dag te lenigen, wij doen het in hooger licht, wij doen het met den Hemel voor oogen. Ja, wij zien de Hemelen open en weten, dat God bij ons werk, dat is als een gebed voor de armen, in ons midden is.

Waar twee of drie in Mijnen Naam vergaderd zijn, daar ben ik i[n] hun midden. Ja, nogmaals, wij zien de Hemelen open en God ziet op ons neer.

Maar ook de armen, zij hebben meer dan onze kleine gave. Deze feestviering brengt ons allen in herinnering, dat het lijden van dezen tijd, hoe schrijnend het mag wezen, niet is als van hen, die geen hoop hebben. Onze liefde opent den blik op een gelukkiger eeuwigheid. Die blik zal het leed , dat wij niet geheel kunnen wegnemen, dragelijker maken. Die blik zal een zonnestraal voegen bij onze liefdegave, een zonnestraal, die wellicht nog meer beteekent dan onze nietige gave. Zoo moge ook voor degenen, die het somber hebben, voor wie de tijden donker zijn, deze feestviering den blik op den Hemel openen.

In dat licht stierf Stephanus den marteldood en bad hij voor zijn beulen. Moge dat licht ook hier veel leed met nieuwe kracht doen dragen. Maar moge bovenal dit licht ons blijven aansporen te leven in de Gemeenschap der Heiligen, die wij dagelijks belijden, en die ons steeds weer opnieuw een moet doen zijn met onze arme broeders en zusters evenzeer als met de Heiligen in den Hemel, als voorbeeld[3].

Dat licht van den Hemel beschijne dit feest.

In den schijn en den gloed van dat licht verklaar ik deze vergadering geopend.


  1. Typescript (NCI OP 96.18), 2 pages.
  2. ‘hulde’ is corrected to: ‘uit naam van de armen hulde en dank’.
  3. ‘die den goeden strijd gestreden hebben’ is corrected to: ‘als voorbeeld’.

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2022