In me omnis spes vitae et virtutis

undated

manuscript (sermon?)

 


In me omnis spes vitae et virtutis

[1]


In me omnis spes vitae et virtutis (Eccli 24)[2]

Bij velen is het geloof verflauwd.[3]

Zij weten nauwelijks wat Roomsch zijn is, dat is toch niet Zondagsmorgen[s] een H. Mis hooren[4], niet het hebben hangen van een Kruisbeeld in zijn kamer[5], het Roomsch geloof ligt dieper, die zaken zijn bewijzen dat men nog eenig geloof bezit, maar ze zijn het geloof niet. Het is een kwaal des tijds, dat het innerlijke van de godsdienst gaat verloren, de beteekenis van den godsdienst anders wordt dan ze behoorde te zijn, dat het geloof wordt een uiterlijkheid waaraan men in Roomsche families uit traditie, uit overlevering niet mag en wil afwijken, een katholieke mode. Zoo zelden overweegt men de innerlijke waarde des Christendoms wat het toch eigenlijk voor ons beteekent Roomsch te zijn. Voor velen is het geworden conventie, smaak, gewoonte, sleur. Men is Roomsch geboren, is altijd des Zondags naar de kerk gegaan en dat is nu eenmaal iets, dat zoo de gewoonte van het leven op een feestdag [van[6]] men vordert. De Zondagsche H. Mis kan men evenmin missen als men den marktdag kan ontberen. Is er iets te doen in de kerk, is er een processie, een collecte, of wat dan ook men doet mee, omdat men er niet buiten kan volgens zijn staat en stand. Naar innerlijke beweegredenen wordt weinig gekeken. Denkt men daarbij aan [2] de verheerlijking van God, aan godsdienst. Ach, het geloof wordt al te hoffelijk opgenomen.

Als men het geloof van velen beschouwt, hoe dikwijls is het een uiterlijke vorm zonder ziel. Koud, ijskoud is zooveler hart, verwoe[s]ting heeft de wijngaard des Heeren getroffen en vele ranken van den boom hebben het levenssap verloren. Onze tijd heeft behoefte aan een middel tot verinnerlijking des geloofs, aan bezieling. Als de profeet Jeremias de verwoesting der Heilige plaatsen nagaat roept Hij uit: “Er is niemand die nadenkt in zijn hart”.[7] Zoo is het ook thans; de heerlijke waarheden des geloofs die troost geven en opbeuring in den strijd van het leven, men denkt er niet aan. Maar er is een middel gegeven door Gods voorzienigheid, evenals in de dertiende eeuw in zoovele opzichten gelijk aan de onze, een middel thans opnieuw weer aanbevolen als helpend ons de waarheden des geloofs weer in te prenten en in het geheugen te roepen, telkens, dagelijks ons op te wekken tot [een H. [8]] Christelijk leven, de Rozenkrans.

Zeker, er zijn meer middelen daartoe geschikt, doch het is thans niet de plaats noch de tijd daarop te wijzen, een enkel woord slechts over den Rozenkrans juist als middel ons geloof in ons levendig te houden, dat geloof te verinnigen. [3] [9] [4]

In de dertiende eeuw doorleefde de kerk e[en] tijd van verval.[10] Meer en meer verdween uit de kerk het innerlijke. Men zag in de godsdienstoefeningen, in grootsche luister gehouden, slechts uiterlijk een machtsvertoon, men lette niet op de waarde [11] doch op den luister waarmede ze werden gevierd. Uiterlijk was de godsdienst nog heerlijk. De prachtigste kerken werden nog gebouwd, de schitterende processies gehouden, doch wie niet mee kon doen in die schittering of daardoor in zijn godsdienstige gevoelen niet werd voldaan ging onbevredigd, onverschillig heen. ’t Kwam bij velen niet meer op dat het de eer gold van God, de uiting des geloofs, [12] de kerk was het middelpunt des levens, maar niet bezielend en troostend, maar als de plaats [13] waar men schitteren moest.

Was ’t wonder dat velen zulk geloof koud liet en dat zulk een koud geloof niet in staat [5] was de menschen bijeen te houden met sterken band, dat het geloof, zoo beleefd, allengs verliep en ontevreden maakte en onverschilliger.

Toen kwam de ketterij der Albigenzen. Duizenden liepen weg uit de kerkportalen om er nooit meer een voet te zetten tenzij om er te rooven.

Er moest kentering komen en zij kwam er op verschrikkelijke wijze maar toen ook dat had uitgewoed, het menschdom dat het vergulde geloof had weggestooten begon te begrijpen dat het dwaas had gedaan daarmee, omdat het nu geen godsdienst meer bezat, dat het liever zijn geloof beter had moeten beleven, toen kwam Gods Voorzienigheid om het geloof weer te doen verrijzen in waren vorm in frische geur, om weer in helder licht wegen te wijzen waarlangs men goed loopt naar de Hemel. Ik zou U hier kunnen noemen vooral een H. Franciscus die in schrille tegenstelling met de tijdgeest toonde dat in armoede rijkdom ligt voor de ziel, hoe christendom vooral is onthechting van al dat aardsche, voorbijgaande. [6]

Ik zou U kunnen wijzen op andere [mannen[14]], op andere werken der voorzienigheid doch het is daarvoor thans noch de plaats noch de tijd.

Slechts een enkel woord wil ik spreken over een godsvrucht die voor dien tijd het Middel was het geloof weer te brengen in bloei, den Rozenkrans.

Wij leven in een tijd, door vele omstandighed[en] gelijk aan de dertiende eeuw. Ook in onze tijd is voor velen het geloof geworden conventie, smaak, gewoonte, sleur. Men is Roomsch geboren, is altijd des Zondags naar de Kerk gegaan, dat is nu eenmaal iets dat zoo de gewoonte van het leven vordert.[15]

Men zou niet weten hoe men het had als men ’s Zondags geen H. Mis had gelijk zoovelen hun marktdag niet kunnen missen. Als er een preek wordt gehouden of een processie georganiseerd komt men ook omdat men niet achter wil blijven, dat hoort nu eenmaal zoo dat men dat meedoet, maar innerlijk […][16] [7]

Het moge historisch niet bewijsbaar zijn dat de H. Maagd aan St. Dominicus een rozenkrans overreikte, zooveel staat vast dat deze heilige op ingeving des Hemels, welke men door de bekende afbeeldingen der Rozenkransgroep verzinnebeeldt, den geloovigen aanspoorde en leerde een krans van gebeden te vlechten in hoofdzaak gelijk aan onzen rozenkrans. En door dit middel bleek die Heilige in staat niet slechts ketterijen te bezweren, niet slechts de verwoesting dier ketterij weg te werken, maar zelfs het geloof weer dieper te planten in de harten van het volk. Dat is ook noodig in onzen tijd en zou dat middel toen zoo krachtig thans die kracht niet meer bezitten. In onzen tijd is een andere Dominicus opgestaan, een man van gebed van diep inzicht in de nooden des tijds. De Paus zelf was in de oogen der voorzienigheid de man die de wereld weer zou wijzen op dat middel, dat middel aan de kranke menschheid zou ingeven ook al had het er afkeer van, want och, we moeten het spijtig bekennen, velen hebben een afkeer van het Rozenkransgebed en toen Paus Leo XIII vele jaren in de maand october een nieuwen zendbrief schreef om den Rozenkrans aan te bevelen en te gebieden dat hij werd gebeden, toen [8] wend[d]en velen het hoofd af en vroegen spottend wat dan toch dat rozenkrans-bidden beteekende dat het geprezen werd als een der meest geschikte middelen het geloof te verlevendigen. [17] Men kon er het mooie niet in vinden, dat men er in zocht.

De rozenkrans niet mooi.

Ik vraag U is er een gebed te noemen, dat zoo goed vertolkt wat de Christen te vragen, te loven, te overwegen heeft als juist de Rozenkrans. Ik wil hier in geen diepgaande beschouwing treden. Wat is de Rozenkrans. Het Officie van dezen feestdag noemt hem een bepaalden vorm van bidden waarin men vijftienmaal telkens tien weesgegroeten bidt, daartusschen een Onzevader voegt en evenveel maal een godvruchtige overweging over de geheimen onzer verlossing.

Dus het zoo vaak geminachte Rozenkransgebed bestaat uit drie deelen en alle uitingen en oefeningen die we nooit te veel herhalen kunnen, die de geestelijke spijzen van onzen ziel moeten zijn. [9]

Het Weesgegroet vormt het hoofdbestanddeel, het weesgegroet waarin we Maria groeten, op de eerste plaats als vol van genade, haar als zoodanig eer bewijzen, dat vol van genade zijn dus op prijs stellen zoo dat het herhalen van die groet ons moet doen verlangen ook vol te zijn van genade en vol van de liefde des Heeren. Wij roemen haar als degene met wie de Heer altijd vertrouwelijk omging, bij wie de Heer zijn welbehagen vond, maar kunnen wij feitelijk Maria daarom prijzen als wij zelf niet het leven met den Heer iets schoons vinden, iets begeerlijks.

Wij groeten haar als de Gezegende onder de vrouwen en loven Gods goedheid die haar zoo bevoorrecht[t]e, maar brengt ons dat niet in het geheugen hoe gezegend ook wij zijn door God en hoe zeer wij Maria zouden gelijken als wij zelf die zegeningen des Hemels niet hadden weggeworpen. En dan volgt de lofprijzing van Hem die zij haar Zoon mag noemen, van den Verlosser en we jubelen om Maria’s troon, dat zij ons schonk den Verlosser der wereld. Jegens onze Zaligmaker die den Hemel voor ons opende en dan stijgt een gebed tot Maria van onze lippen omhoog, dat zij [10] die ons hier den Verlosser bracht, ons ook hierna tot den Verlosser brenge. “Heilige Maria” bidden wij, haar vereerend nu zij als heilige in den Hemel troont, hier, Gij hebt ons Jezus gegeven, hier geef ons ook Jezus in de eeuwigheid, bid voor ons dat wij hem hier niet verliezen en in het uur[18] van onzen dood als de eeuwigheid ons wacht dat dan Uw voorspraak en bemiddeling ons met Jezus verzoene en vereenige opdat wij [in] eeuwigheid met U jubelen over de barmhartigheid Gods.

Is dat een gebed dat minachting verdient, zijn al die groetenissen en gebeden niet van zooveel gewicht dat als we verkrijgen wat we daarin vragen het voldoende zou zijn, erkennen we daarin niet dat onze bestemming God is, d[at] het leven der genade, het leven met God voor ons het voornaamste wezen moet; belijden wij daar niet ons geloof aan de verlossing terwijl we sluiten met een gebed dat die verlossing ons deel moge zijn voor eeuwig.

Maar er is nog een ander gebed tusschen die tientallen Weesgegroeten, het gebed dat wij noemen het gebed des Heeren [11] het Onzevader. Toen de Apostelen vroegen Heer leer ons bidden[19] bad Jezus het hun voor dat Onzevader waarin wij God onze vader noemen, onze vader in den Hemel, waar hij ook zijn kinderen bij zich wil zien als die kinderen tenminste waardige kinderen zijn, maar daarom beloven wij reeds aanstonds onze hulde, onze onderworpenhe[id]: geheiligd zij uw Naam, ons toekome uw rijk, uw wil geschiede op aarde als in den Hemel, bidden wij om te belijden dat het ons streven zal wezen zijn eer te zoeken hier beneden, zijn kerk te volgen, zijn wil te doen en omdat we ons zwak voelen belijden we dat in biddenden vorm opdat hij ons helpe het ten uitvoer te leggen, helpe zijn naam te heiligen, het rijk zijner H. Kerk over de wereld maar vooral in ons lege hart te grondvesten, zijn wil te doen hier als die volbracht wordt in de hemelen.[20]

En onze zwakheid kennend roepen wij terstond geef ons heden ons dagelijksch brood, het brood niet slechts des H. Lichaams, maar bovenal de versterking van ons geestelijk leven, de H. Communie en dus vragen we vergiffenis voor wat we misdreven, en bieden zelf vergiffenis aan voor wat jegens ons misdreven is opdat onze barmhartigheid ons barmhartigheid doe verwerven.

En eindelijk vragen wij Gods steun in de gevaren, dat hij ons redde van het kwaad. [12]

Maar zoodra hebben wij die schoone bede niet gesproken of we voelen weer behoefte op te zien naar diegene onder de menschen die ons voorbeeld, onze moeder is, en wat wij eerst God vroegen loven wij als in haar aanwezig en bidden dat het ons als haar ten deel moge zijn.

Eindelijk staan wij gedurende het bidden van den Rozenkrans van tijd tot tijd even met onze gedachten stil bij de geheimen van ons geloof we denken er weer eens een oogenblik aan hoe God in zijn goedheid Mensch werd, reeds voor hij ter wereld kwam zijn H. voorlooper heiligde bij het bezoek zijner Moeder aan haar nicht Elisabeth, hoe hij geboren werd in een stal, in den Tempel zijn leven God wijdde en zelfs zijn Moeder verliet en naar zich zoeken deed omdat hij Gods wil moest volbrengen, hoe hij gehoorzaam tot den dood neerlag in de Olijfhof, waarbij biddend dat de kelk zou voorbijgaan er bijvoegde omdat hij uit liefde tot ons alles wilde doen wat God de Vader voor ons goed had geoordeeld, Vader, niet mijn wil maar uw wil geschiede[21]. Wij zien hem gegeeseld, met doornen gekroond beladen met zijn kruis en eindelijk daaraan stervend, stervend voor ons, maar dan ook weer zien wij de verheerlijking na het lijden, de Verrijzenis, het onderpand van onze opstanding, de Hemelvaart voorspelling van onze opneming in den Hemel, de nederdaling van God den H. Geest, afbeeldsel der genade in ons [13] en ten slotte Maria’s heerlijkheid. Moet de herhaling van al die zinrijke gebeden, de overweging van al die groote geheimen, ons geloof niet verinnigen, en ons niet brengen tot de gedachte dat als God door zooveel goedheid den Hemel voor ons opende en ons den weg ten Hemel wees, met zijn Moeder tot ons voorbeeld, wij toch moeten doen als Maria en Jezus volgen op dien weg, als Maria bij hem blijven om eens met hem vereend te zijn voor eeuwig.

Och als we den Rozenkrans maar goed baden, hij kon ons niet vervelen, wij spreken er in uit de noodzakelijkste beden, wij geven er uiting aan de edelste gevoelens, wij overwegen er de schoonste en meest bemoedigende waarheden, wij moesten dat tenminste doen, maar hoe gaat het, de Rozenkrans wordt gebeden[22] als was het [23] een deun die men zonder nadenken bij zich zelven opdreunt, een wiegelied om er bij te slapen.[24] Bedenken we toch dat de Rozenkrans is een gebed, een samenspraak met God die als we hem goed bidden alles tot God doet zeggen wat goed en noodig is tot hem te richten, alles doet overwegen en bedenken wat is de korte inhoud van ons geloof. [14]

Wie alle dagen goed den Rozenkrans bidt hij zal geen slecht Christen kunnen zijn, hij moet in dat gebed de opwekking vinden en den drang te leven overeenkomstig [he]tgeen hij God zoo aanhoudend vraagt, overeenkomstig ook aan de waarheden telkens weder overwogen.

Waarlijk het mag ons niet verwonderen dat de Rozenkrans in de 13de eeuw het geloof weer verinnigde, mochten we kunnen zeggen dat hetzelfde gebed ook thans weer met ijver door allen gebeden bewerkte dat ons katholiek geloof weer was wat het zijn moest een godsdienst van onze ziel, een innerlijke godsvereering en dat de woorden door de H. Kerk op den Rozenkrans toegepast door aandachtig gebed ervan mogen worden verwezenlijkt, van mij verwachten allen leven en deugd.[25]


  1. Manuscript (NCI OP90.07), 13 pages, undated. The manuscript shows many corrections. We present the corrected tekst with the main corrections in footnotes. Additional notes in pink or blue ink, like the page numbering, that are clearly not by Titus Brandsma, we neglect.
  2. See: Sir 24:25 (VUL). “In me is all hope of life and of virtue”.
  3. ‘Och bij velen is het geloof zoo los, zoo dun’ is corrected to ‘Bij velen is het geloof verflauwd’.
  4. Crossed out: ‘en de hoed afnemen voor een geestelijke’.
  5. Crossed out is: ‘of een bijdrage te geven voor een Roomsche instelling eer dan voor een neutrale’.
  6. The word used in the manuscript is unreadable.
  7. See: Jer 12:11 (VUL): ‘because there is none that considereth in the heart’.
  8. The word used in the manuscript is unreadable.
  9. Page 3 of the manuscript is crossed out: ‘De woeste ketterij der Albigenzen had onnoemelijke schade toegebracht aan de katholieke kerk.’; ‘Een strooming was er in de 13de eeuw die al het godsdienstige wegcijferde, niets meer telde op de wereld dan macht en bezit. In den beginne optredend tegen de misbruiken in de kerk, wier rijkdom zij afkeurden, steeds meer de misbruiken die zij hekel[d]en deed inwortelen en een noodlottige pest werd die onder mom van vooruitstrevendheid, van gelijkheid, allen godsdienstzin doofde, alle godsdienstige overtuiging wegwischte bij ’t onwetende volk. De priesterschap, de godsdienstoefeningen werden in minachting gebracht, onder het voorwendsel dat zij een geloof wilden in waarheid kwamen zij op tegen misbruiken maar niet door zelve beter te leven doch door zich onverschillig af te scheiden, de kerk verachtend.’
  10. Crossed out is: ‘’t Is duidelijk in stede dat daardoor ’t geloof verinnigd werd, werd het een zaak van macht en strijd, van glorie.’
  11. Crossed out: ‘eenen H. Mis’.
  12. Crossed out: ‘alle godsdienst was vertoon van grootheid’.
  13. Crossed out: ‘der toiletten, de plaats’.
  14. The word used in the manuscript is unreadable.
  15. Titus Brandsma literally repeats what he wrote on page 1.
  16. Titus Brandsma repeats what he wrote on page 1.
  17. Crossed out: ‘Men vond het zelfs overdrijving en dweperij.’
  18. In the manuscript ‘het tuur’.
  19. See: Luke 11:1.
  20. Titus Brandsma corrected the final lines of this sentence; the direct speech to God ‘uw’ is corrected to a speech about God ‘zijn’.
  21. See: Luke 22:42.
  22. ‘afgeraffeld’ is corrected to ‘gebeden’.
  23. Crossed out: ‘een tooverformuul, die men met een zwaai uitmompelt,’.
  24. ‘om er zijn godsdienstige gevoelens mede in slaap te wiegen. Bid dan liever niet, dan doet hij U slapen’ is corrected to ‘om er bij te slapen’.
  25. See: Sir 24:25 (VUL). “In me is all hope of life and of virtue”.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021