Joannes van het Kruis

1936

Encyclopedic entry


Joannes van het Kruis

1936[1]


Joannes van het Kruis, Heilige, Kerkleeraar, Carmeliet. *24 Juni 1542 te Fontiveros (Spanje), † 14 Dec. 1591 te Ubeda. Leven. In 1675 door Clemens X zalig-, in 1726 door Benedictus XIII heiligverklaard, in 1926 door Pius XI als doctor mysticus om zijn mystieke werken tot Kerkleeraar verheven. Zijn vader Gonzalo de Yepes stamde uit een oude adellijke familie, doch huwde buiten zijn stand met Catalina Alvarez met het gevolg, dat na zijn vroegen dood de weduwe en de kinderen den steun der adellijke familie misten en in harden arbeid in het levensonderhoud moesten voorzien. Naar Arevalo verhuisd, was J. achtereenvolgens leerling bij een timmerman, een kleermaker, een schrijnwerker en een schilder, doch lang kan dit niet geweest zijn, daar hij, meer tot de studie dan tot het handwerk geroepen, op 12-jarigen leeftijd te Medina del Campo de lessen in een college mocht volgen. Hij nam in een klooster de bediening van koster waar, diende in een hospitaal, bedelde voor de arme zieken en de armoede dwong hem, den dienst in het hospitaal ook aan te houden, toen hij [592] de lessen mocht volgen van het college der Jezuïeten, daar in 1555 gesticht. 24 Febr. 1563 ontving hij te Medina het kleed van den Carmel onder den naam Joannes van den H. Matthias. Hij leefde er ‘als een engel’ en na zijn geloften ontving hij verlof den regel te volgen zonder gebruik te maken van de verzachtingen door de pausen gegeven met betrekking tot het vasten en het gebruik van vleesch. Naar het studiehuis der Orde te Salamanca gezonden, was hij daar 1564-’68 ingeschreven als student der universiteit en in het klooster leeraar en prefect der andere studenten.

In 1567 priester gewijd, dacht hij er ernstig over bij de Kartuizers een meer afgezonderd en strenger leven te zoeken. Een onderhoud met de H. Teresia deed hem hiervan afzien en zich bereid verklaren, volgens verlof door den generaal der Orde J. B. de Rossi (Rubeus) gegeven, een klooster te beginnen, waarin de regel in haar oorspronkelijke gestrengheid werd nageleefd. 28 Nov. 1568 werd te Duruelo met twee paters, nl. Antonius de Heredia, toen Antonius van Jesus, tot dan toe prior te Medina del Campo, en Joannes van St. Matthias, toen Joannes van het Kruis, en broeder Joseph van Christus, de hervorming begonnen in een huis zoo armelijk en primitief, dat het met recht met het stalletje van Bethlehem werd vergeleken. De H. Teresia zeide, dat zij anderhalven pater had meegekregen, omdat J. buitengewoon klein van gestalte was, ong. 1,55 m hoog. De hervorming breidde zich snel uit. Bij de daarop volgende stichtingen van nieuwe kloosters had J. vele moeilijkheden te overwinnen, verdachtmaking en miskenning ook van de zijde zoowel van de oude als van de hervormde observantie. Steeds meer tot het beschouwend gebed getrokken en ook als leermeester daarin erkend, wijdde hij zich niettemin, soms geheele dagen zonder naar eten of drinken te vragen, aan catechismus en zielzorg onder de geestelijk verwaarloosde arme bevolking der omgeving. Op verzoek van de zusters der hervormde observantie begon hij al spoedig met het schrijven zijner mystieke werken. Toen de beproevingen en moeilijkheden voor de jonge hervorming haar hoogtepunt bereikten en J. in het klooster te Toledo werd opgesloten, schreef hij daar in vaak extatischen toestand zijn schoonste werk, el Cantico espiritual, waarin de heerlijkheid van zijn leven met God het schitterendst geschilderd wordt. Door pauselijke goedkeuring en door hemelsche verlichting gerustgesteld over de ongehoorzaamheid, waarvan men hem beschuldigde, en over het goede in de hervorming gelegen, ontvluchtte hij het klooster te Toledo en begon met nieuwe geestdrift het werk der hervorming. Achtereenvolgens prior in verschillende huizen, definitor, was hij bovenal de geestelijke leider zoowel van de hervormde paters als van de zusters. Ook hier ontwikkelden zich echter hevige tegenstellingen, in het bijzonder in de leiding der zusters. Zoo sterk was de tegenstand tegen J. ’s opvattingen, dat men besloot zijn leiding uit te schakelen door hem naar de missiën te zenden. Hijzelf verlangde niets meer dan, wat hij op een vraag van Christus, die hem te Segovia verscheen, antwoordde: “Pati et contemni pro Te”, ‘Lijden en geminacht worden om U’. Zoo vroeg hij ook als gewoon pater te sterven in een plaats, waar men hem niet kende. God liet toe, dat hij einde 1591 ziek en bijna stervend aankwam in Ubeda, een pas begonnen zeer arm klooster, waar hij weinig welkom was. Eerst enkele dagen voor zijn dood bracht een bezoek van zijn ouden prior Antonius van Jesus, toen provinciaal, verandering in zijn beoordeeling en be- [593] handeling. Zijn lichaam wordt nog heden te Ubeda bewaard en vereerd. Feestdag 24 November.

J’s mystiek is sterk beïnvloed door de mystieke werken van den Pseudo-Dionysius Areopagita, maar wordt toch beheerscht door de Thomistische wijsbegeerte en godgeleerdheid welker grondbeginselen hij op meesterlijke wijze ontwikkelt in verband met den opgang tot God, langs den weg der zuivering, verlichting en vereeniging. Hierbij legt hij bijzonder sterken nadruk op de verheffing van het verstand boven de zintuigelijke aanschouwing, al verlaat hij daarbij het Aristotelisch-Thomistisch standpunt niet, dat uit het zintuigelijke het verstandelijke begrip wil zien ontwikkeld. Het is veel meer een sterke beheersching van de lagere zintuigelijke vermogens door de hoogere intellectualistische. Hoewel hij veel aandacht schenkt aan de goddelijke begenadiging, aan de →instorting van het mystieke leven, weet hij toch de menschelijke medewerking en het voortbouwen op de gewone werkzaamheid der menschelijke natuur daarmede steeds op de meest harmonische wijze te verbinden. Er is in vroeger en later tijd veel strijd geweest over het standpunt van J. met betrekking hiertoe. Men heeft gemeend, dat hij, onder invloed der → Alumbrados, te veel nadruk legt op de goddelijke instorting; sommigen gaan zoo ver, dat zij in de beoordeeling van de uitgaven zijner werken, in het bijzonder van el Cantico espiritual, spreken van interpolatie, om den schrijver voor een beschuldiging van illuminisme te bewaren; het laatste woord is hierover nog niet gesproken. Men houde hierbij in het oog, dat de werken van J. niet een gesloten geheel vormen en op verschillende tijden en met verschillende bedoeling zijn geschreven. Toch wijst de vaste terminologie op een goed omschreven inzicht. Men heeft daarom de verschillende werken zeer zeker in sterk onderling verband te zien, maar toch van den anderen kant te erkennen, dat bijv. in Bestijging van den Berg Carmel veel meer de menschelijke werkzaamheid, het ‘verwerven’ van het mystieke leven op den voorgrond staat, terwijl het Geestelijk Liefdelied geheel geschreven is in het bewustzijn der goddelijke ‘instorting’ van het mystieke leven. Het is onjuist, hier tegenstelling te zien; onjuist is ook geweest het pogen van sommigen, uitdrukkingen van het laatste te wijzigen of weg te laten, om ze met het eerste zoogenaamd in overeenstemming te brengen. Daarmede berooft men zijn hoogste uitingen van haar glans en heerlijkheid. Dit sluit niet uit, dat J. zelf aanduidt, dat men zijn werken in verschillenden zin kan verstaan en, om het zoo uit te drukken, al naar de eigen gesteltenis de hemelsche muziek soms op bereikbare hoogte moet transponeeren. In dit licht beschouwd, is de Bestijging van den berg Carmel,soms een zuiver ascetisch werk genoemd, in zijn bedoeling zeker een mystiek werk te noemen en mag men, hoe mystiek het Geestelijk Liefdelied is, daaraan de beteekenis voor de ascese niet ontzeggen. Gelijk de titel reeds uitdrukt, is de Donkere Nacht vooral het werk, waarin J. nadruk legt op de mogelijkheid der goddelijke verlichting, nadat het God-zoekende verstand de zintuigelijke aanschouwing geheel heeft leeren beheerschen.

De beste uitgave der werken van J. is die door P. Silverio (4 dln. Burgos 1929-’31). Het beste leven is dat van Bruno de J.M., St Jean de la Croix (Parijs 1929). Een goed overzicht over de lit. over J. is: dr. A. Winklhofer, Querschnitt durch die Johannes- [594] v. Kreuz-Literatur, in Zschr. f. Aszese u. Mystik (XI 1936). Een eenigszins Vlaamsch getinte Ned. vertaling van J.’s werken verscheen te Hilversum (1931-32); een korte samenvatting zijn: Door ’t niet tot ’t al (Amsterdam 1919) en Inwendig Bidden volgens den Heiligen Joannes van het Kruis (Gent 1927).

Brandsma[2]



  1. Published in: De Katholieke Encyclopaedie, Vol. XIV. c. 591-594. The NCI preserves the printer’s proof.
  2. A paragraph is added on J. in Christian iconography, by p. Gerlachus.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019