Kent gij ze, geachte lezers

1920

Letter to ‘De Tijd’

 

[1]

Kent gij ze, geachte lezers, die lieve Maasdorpjes in Noord-Oost-Brabant, die zich daar half verscholen tusschen het hooge geboomte als een lange kronkelende krans aaneen snoeren van Cuyk tot Den Bosch? Hoe lachen ze U tegen in de zomermaanden, die schilderachtige boerenhofsteden met dat drukke gedoe, zoo sierlijk omgeven door frisch bloeiende velden met goudglanzend graan. En ziet thans die streek herschapen in een eindelooze zee, die wederom de vruchten van des landmans noeste vlijt en stoere werkkracht heeft verzwolgen in haar verwoestende golven, die wederom zijn blijde hoop op een overvloedigen oogst heeft verijdeld.

Vooral nu valt die ramp des te zwaarder, nu men leefde en werkte in het blijde vooruitzicht, na jaren van strijd het recht te hebben verkregen de Beersche overlaat te mogen keeren. En met energie heeft men zich in dezen tijd van voedselschaarschte toegelegd op den verbouw van veel winterkoren, en men bouwde huizen te midden dier vruchtbare vlakten. En de landman moest het lijdelijk aanzien, dat het zijn veelbelovende korenvelden overstroomde, dat het zijn schuren en hooibergen bedreigde. En ruimen moest hij zijn winterprovisie aan aardappelen etc., en vluchten moest hij met zijn vee naar hooger gelegen panden. En nog altijd was de wreede waterwolf niet verzadigd, de kelders liepen onder en nog altijd steeg de vloed, zoodat bewoners een veilig heenkomen moesten zoeken naar den zolder, wijl het water de ramen hunner benedenkamers uitstroomde!

Zoo is de droeve toestand niet in één of twee onbekende en afgelegen plaatsjes, maar in zulk een ellende heeft de Beersche Maas een gansche streek gestort; tientallen van dorpen en kwijnende stadjes, die slechts door een smal bijna onbegaanbaar en beslist niet te berijden dijkje zijn verbonden, en dus zoo goed als geïsoleerd zijn van de buitenwereld. Niets ziet men er, zoover het oog reikt, als water, waaruit hier en daar de hofsteden als zoovele eilandjes opdoemen. De gemeenschap tusschen de bewoners onderling kan slechts onderhouden worden door de weinige wrakke bootjes, die ter beschikking zijn of langs bovengenoemde modderdammen.

En dan te moeten denken, dat die gevreesde ramp ons ieder jaar kan overvallen, dat telkens duizenden hectare met veel zorg en groote kosten bewerkt bouwland worden overstroomd, dat de landman wel kan zaaien, maar geen zekerheid heeft te zullen maaien, ziet, dat is toch een toestand, die schreeuwt om verbetering.

Of moeten deze menschen soms blijven de asschepoesters der maatschappij? Hebben zij niet evengoed recht in de zorgen te deelen van moeder Staat, als bijv. de Hollanders?

Als men hen vergeet te beschermen tegen den verwoestenden watervloed, zou men ook moeten vergeten hen te doen bijdragen in de kosten ten bate van het algemeen. Doch als het de belastingen betreft, dan kent men de verarmde Maasdorpjes maar al te goed. Schatten gelds worden er gespendeerd om dorre heidegronden te ontginnen, maar hoeveel te beter ware dit geld besteedt om bovengenoemde streek, wellicht een der vruchtbaarste van ons land, tegen overstrooming te beveiligen.

Hopen wij, dat er toch eindelijk eens van hoogerhand afdoende maatregelen genomen worden, om eene streek, die zeer welvarend zou kunnen zijn en een zegen voor de maatschappij te beschermen tegen de Beersche Maas.

Dat er nu eens getoond worde door daden, voor dit gewest even bezorgd te zijn als voor eenig ander landsdeel.

Dat men eenige duizenden ten koste legge om de bewoners dier lage landen aan de Maas voor overstrooming te vrijwaren.[2]

 


  1. Letter to the editors of De Tijd, published in the article ‘De overstrooming van de Beersche overlaat’ (9 January 1920), in which the letter is cited under the heading “Men schrijft ons uit Noordbrabant:”. The letter itself is not preserved, we just have the text of the newspaper. Although the name of Titus Brandsma is not mentioned, the writer must be the same as the writer of ‘Over de Beersche Maas’.
  2. The article continues with the following comment: “Tot zoover onze berichtgever, wiens klacht aan het slot slechts een herhaling is van hetgeen men in de leggers onzer oude jaargangen ettelijke malen kan vinden. Steeds hetzelfde klaaglied over de veronachtzaming door den Staat, die slechts ‘de Hollanders’ zou beschermen tegen het water.

    Het schijnt echter moeilijk tot het besef der Maaskanters te kunnen doordringen, dat heel ‘Holland’ een waterplas zou zijn, als de bewoners niet zelf hun land droog hielden door omdijking en bemaling. Het waterbezwaar is bij voorkeur een zaak van provinciale bemoeiing. Van de Hollanders is het spreekwoord afkomstig: “Wien water deert, die water keert” en misschien hebben ook weinigen als zij de waarheid begrepen: “Help u zelf en God zal u helpen.” De Beersche Maas is een kunstrivier, die tijdelijk wordt gemaakt om andere streken van het overtollige water te ontlasten. Het is jammer, dat daarvan de bewoners der Maasdorpen de dupe worden. Misschien, als dit werkelijk ieder jaar gebeurde, zou de Staat wel willen ingrijpen. Thans wordt dit steeds verschoven. Waarschijnlijk tot het oogenblik, dat de Maas door de Belgen zóózeer zal worden afgetapt, dat er geen water voor de Beersche Maas meer overblijft.”. A reaction to this comment is given in ‘Over de Beersche Maas’, and in ‘Nogmaals over de Beersche Maas’.


 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2023