Kerstmis alle dagen

1922

Article

 

Kerstmis alle dagen

[1]

Is er schooner feest voor het hart, dat Jezus liefheeft, dan het hoogheilig feest van Kerstmis, het feest, waarop wij blij herdenken de geboorte van den mensch-geworden God, den dag, waarop Hij voor het eerst de armpjes uitstrekte om ons te omhelzen en aan zijn H. Hart te drukken om ons te doen gevoelen, hoe warm dat Hartje voor ons klopte, hoe snel zijn H. Bloed Hem door de aderen joeg, als wachtend, toen reeds, op het tijdstip, waarop Hij het voor ons zou kunnen storten?

O Goddelijk Kind van Bethlehem, hoe gaarne zou ik willen neerknielen voor uw kribbe, hoe gaarne met de herders opstaan om U de eerste hulde en aanbidding te brengen, mijn lippen te drukken op Uw handjes en de warmte te voelen, welke Uw H. Bloed aan heel uw tenger lichaam schenkt ter openbaring, dat Gij leeft, dat Gij leeft om onder ons te zijn de Emanuel, de God met ons, gekomen om ons te verlossen door het offer van dat Kostbaar Bloed.

En toch, dwaas is mijn verlangen.

Meer dan den herders werd gegeven, is mij ten deel gevallen.

Voor mij is ‘t Kerstmis alle dagen.

De Kerstnacht verliest er zijn schoonheid niet om. In den Kerstnacht komt het mij nog levendiger voor den geest staan, dat zijn schoonheid niet meer vergaat. In den heiligen Kerstnacht, als tot driemaal toe het H. Misoffer wordt opgedragen, niet slechts ter viering van de eeuwige geboorte van den Zoon uit den Vader, niet slechts ter viering van de geboorte van den[2] kleinen Jezus in den stal van Bethlehems veld, maar ook om zijn wedergeboorte te vieren in het hart van de menschen, die dat hart voor Hem openstellen, Hem willen ontvangen in zijn H.H. Sacramenten, dan zie ik met meer klaarte, dat het altijd Kerstmis voor mij is, dat, evenals in dien nacht, nog steeds Maria de Moeder des Heeren, begeleid door den H. Jozef, rondgaat van huis tot huis, dat wil zeggen, van hart tot [82] hart om een plaats te vinden, waar Jezus kan worden herboren.

Zal van mijn hart gezegd kunnen worden, wat tot schande van het volk van Bethlehem tot het einde der dagen in het Evangelie zal worden herhaald, dat er bij hen geen plaats was voor Jezus, die hun stad tot zijn geboortestede had uitverkoren? [83]

Laat het land van mijn hart niet gesloten zijn voor Hem, die het wil komen besproeien en drenken met het levendmakend water der genade.

Moge het land van mijn hart den Zaligmaker der wereld aanschouwen en daarboven weerklinken het lied ven de Engelen, dat glorie zingt aan God en vrede aan de menschen.

Laat ik opgaan naar de steenen of houten kribbe van het H. Tabernakel om er den wedergeboren Jezus, voor mij daar herboren, te aanbidden, mij in zijn armpjes te sluiten en te voelen, hoe warm in dat H. Sacrament nog altijd zijn Hart voor mij klopt, hoe in zijn H. Lichaam het Bloed nog door de aderen jaagt, zijn Wonden zich openen om het mij te doen drinken, het Offer van dat H. Bloed vernieuwd wordt tegelijk met zijn verschijning op aarde.

O wonderbaar geheim, dat herinnering is en werkelijkheid tevens.

Laat ons met de H. Teresia lachen met hen, die nog zouden willen staan aan Bethlehems kribbe. Haar en mijn geloof zegt toch, dat in het H. Sacrament even wezenlijk als daar de Godmensch voor mij ligt, wel niet sterfelijk meer, maar toch levend als God en als mensch, niet meer komend, om ons te verlossen, maar om ons in de volbrachte verlossing te doen deelen, niet meer lijdend om onze liefde te wekken, maar verheerlijkt dragend de kenteekenen van dat lijden om onze liefde te bestendigen en nooit meer te verliezen.

Is er schooner feest voor het hart, dat godsvrucht koestert tot Jezus’ H. Kostbaar Bloed, dan het hoogheilig feest van Kerstmis?

Vreugde, driedubbele vreugde moet ons aller hart doen juichen op dezen dag en die vreugde moet zoo groot zijn, zoo ons hart vervullen en verruimen, dat het leeg is zonder haar, dat wij die vreugde niet meer kunnen ontberen en wij altijd weder gaan naar de Kribbe van het Tabernakel om er telken dage ons Kerstmis te vieren, totdat wij het Gloria in excelsis hooren waar de kleine Jezus van Bethlehem zijn heerlijkheid ontvouwen zal voor hen, die in deemoedig geloof haar omsluiering hebben aanbeden in het Huis des Broods te Bethlehem of in het H. Sacrament des Altaars.

Oss
Dr. Titus Brandsma, O. Carm.

  1. Published in: Kijkjes uit het Missieleven Vol 2 (December 1922), 81-83. The NCI also preserves a typescript (NCI OP41.07), 2 pages.
  2. In the typescript ‘v.d. Zoon uit den Vader, niet slechts ter viering v.d. geboorte’ is added by pencil.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021