Mijn verbeelding voert mij

undated

sermon

 


Mijn verbeelding voert mij

[1]


Mijn verbeelding voert mij op dezen dag naar Nazareth. Slechts enkele dagen geleden vierden wij het feest van den H. Jozef en deze geheele maand is aan zijn vereering gewijd. En hoe kunnen wij hem ons beter voorstellen, dan in het huisje van Nazareth in gezelschap van de H. Maagd Maria, wier beschermer en bewaarder hij was en van het Kindje Jezus dat hij tot voedstervader strekte, dat hij door den arbeid zijner handen voeden en kleeden mocht. Gisteren vierden wij het feest van Maria Boodschap en herdachten hoe de Engel Gabriel tot Maria kwam om haar aan te kondigen, dat zij door God was uitverkoren tot Moeder van zijn eeniggeboren Zoon, dien zij Jezus dat is Zaligmaker Verlosser der Wereld noemen zou. Deze twee feesten hebben in deze lentemaand de maand van het nieuwe leven onze aandacht doen vestigen op het heilig huisje van Nazareth, waar Jozef en Maria den schat bewaarden aan hun zorgen toevertrouwd, den kleinen Jezus.

Jezus kwam op de wereld om ons, ook U een voorbeeld te geven en niets in zijn heilig bewonderenswaardig leven is zonder diepe beteekenis. Zegt de H. Joannes niet, dat alwat in de heilige boeken van Jezus geschreven staat, daar werd neergeschreven op ingeving des H. Geestes tot onze onderrichting.

Jezus, Uw voorbeeld gaf Zich daar over aan de bescherming van Jozef en Maria. Jezus is uw broeder, dus is ook Maria uwe Moeder, Sint Jozef ook uw beschermer en vader. In Jezus namen zij ook U onder hun bescherming en zorgen.

Wat een ander kindje voor Jozef en Maria was echter Jezus dan Gij voor uwen vader en moeder. Hoe hoog zag hij tegen hen op en hoe eerbiedig luisterde hij naar hun [2] woorden. Hoe stipt vervulde hij, wat hij als hun wensch, als hun wil erkende. Jezus nam toe in behagelijkheid. Elken dag opnieuw stonden zelfs Jozef en Maria verwonderd en verrukt over de gehoorzaamheid [en] de lieftalligheid van het Kind door God aan hun zorgen toevertrouwd. Zeker zij putten zich ook van hun kant uit in zorgen. Maar hun zorgzaam oog is ook op U gericht. Zij smeeken dagelijks Gods Zegen over U af. Maar hoe weinig bekommert Gij U misschien om Jozef en Maria. Hoe weinig beijvert Gij U om te zijn als een andere Jezus. En ach, hoe dikwijls zullen zij ten opzichte van U moeten zeggen: Wat was onze kleine Jezus, die toch een voorbeeld is komen zijn voor alle kinderen, wat was onze kleine Jezus heel anders dan deze kinderen. Verplaatst Gij U wel dikwijls naar het huisje van Nazareth. Stelt Gij U daar wel dagelijks onder de oogen en de bescherming van Jozef en Maria en beproeft Gij te leven als Jezus onder hun oogen leefde. En toch was Jezus uw voorbeeld. Heel zijn leven was er op gericht, aan de kinderen een voorbeeld te geven. Het wee sprak hij uit tegen degenen die U zouden ergeren, dat wil zeggen, tot kwaad verleiden. Hij wilde U rein en schoon zien en zelfs de groote menschen moesten aan de kinderen, aan de reine brave kinderen gelijk worden. Zoo Gij niet wordt als kleine kinderen, zult Gij het rijk der Hemelen niet binnengaan. Dus kinderen, Gij zijt ons voorbeeld, aan U moeten wij gelijk zijn willen wij het rijk der Hemelen binnen gaan. Maar Jezus bedoelde [3] daarmede natuurlijk de kinderen hem gelijk, de kinderen van wie Hij ook zeide: “Laat de kleinen tot Mij komen.”[2] Toen Hij U ten voorbeeld stelde, toen had hij onder U op het oog hen, die gaarne bij Hem zijn, die aan zijn uitnoodiging bij Hem te komen met graagte voldoen en zoo mogelijk dagelijks naderen tot de H. Tafel. Ik noem U kinderen. Zijt Gij het nog. Of zijt Gij geen kinderen meer? Ja, ik hoor het sommigen al zeggen: Kom, ik ben geen kind meer. Ik zou U willen toeroepen: Blijf toch het kind, dat Gij zijt. Zie naar Jezus. Waarom kwam Hij als een klein kind ter wereld en leefde Hij onder gehoorzaamheid dertig jaren lang om er slechts drie te wijden aan het Apostolaat. Men zou zoo zeggen: Jezus had toch beter en voornamer te doen dan in het huisje te Nazareth te doen wat in het arme huishouden van Jozef en Maria van hem gevraagd werd. Hij was toch de Verlosser der wereld. Hij was gekomen om de menschen zalig te maken. En zie Hij, die toch de oneindige wijsheid is, Hij leefde dertig jaren in gehoorzaamheid en stille opoffering. Het was om U een voorbeeld te geven, opdat Gij doen zoudt, wat Hij U voordeed. Denkt Gij daar wel ooit over na? Ik wil hier voor uw zich nog ontwikkelend verstand geen diepe bespiegelingen houden, maar uw verstand is toch groot genoeg om te begrijpen, dat Jezus niet voor niets deed, gelijk wij weten, dat Hij deed. En als Hij U dan een voorbeeld heeft willen geven, dan vraagt Gij U toch af, of Gij dat voorbeeld volgt. Zeg niet, dat Gij nog kinderen zijt en dus niet in eens zoo heilig kunt wezen. Zie naar andere kinderen. [4] Een H. Aloysius, die zichzelf kastijdde en verstierf, zichzelf allerlei boeteplegingen oplegde en zich dagen lang voorbereidde tot de H. Communie. Hij wilde als een Engel zijn. Een Z. Herman Jozef, wiens leven Gij wel eens zult hebben gehoord, wiens prentje Gij wel eens zult hebben gezien. Als Hij iets lekkers had, dan ging hij naar de kerk, in Keulen, en bood het in zijn eenvoud aan het arme Kindeke Jezus aan om het met Hem te deelen. En Maria beloond[e] het door een appel uit zijn handen aan te nemen. Gij zult zeggen: Ik wil ook wel een appeltje aan den kleinen Jezus geven. Maar Gij vergeet, dat Jezus gezegd heeft, dat alwat Gij den minsten der mijnen hebt gedaan, dat hebt Gij mij gedaan.[3] Wanneer deelt gij uw gaven met den arme, met uw broertje, uw zusje, als Vader of Moeder het U niet zeggen, wanneer legt Gij U zelven een versterving op en zegt Gij tot U zelven, dat Gij het niet hebben wilt, er afstand van doet, omdat het lekker is, en ziet Gij af van hetgeen Gij gaarne doen zoudt, omdat Gij ook een offertje wilt brengen. Als Vader en Moeder in hun wijze voorzichtigheid U leeren af en toe een offertje te brengen, dan laat Gij den lip hangen. Nu in den Vastentijd meent Gij, dat Gij niet behoeft te vasten. Maar het vasten is niet alleen het eten matigen, als Gij er den diepere zin van naspeurt, dan ziet Gij, dat die gelegen is in de versterving, in de beheersching van Uzelven, in het brengen van een offertje, in het doen van iets dat niet aangenaam of het laten van iets [5] dat aangenaam is. Zie, dat heeft Jezus U geleerd. Dat leerde Hij U in het huisje van Nazareth en dat mochten van hem de oogen van Jozef en Maria met bewondering aanschouwen. Gaat tot Jozef, vlucht tot Maria en vraagt hen, dat zij door hun voorspraak van God voor U verkrijgen te leven zooals Jezus. Verenig U met Jezus en daarvoor is geen middel beter dan de H. Communie, die velen uwer al te zelden ontvangen. Ach, hoe betreur ik het, dat Gij, kleinen, tot wie Jezus zoo in het bijzonder het woord richtte: Laat de kleinen tot Mij komen, dat Gij zoo weinig aan die stem gehoor geeft. Hoe zult Gij zijn als Jezus, als Gij niet dikwijls naar Hem toe gaat en van Hem leert, hoe Hij zich gedroeg. Wees als de kleine Joannes, die dagelijks met Jezus speelde, dat wil zeggen, schep er uw vermaak in bij Jezus te zijn en zich met Hem te onderhouden.

O Maria, o H. Jozef, geef, dat dezen kleinen voor Uwen kleinen Jezus bewaard blijven en Hem blijven gelijken. Amen.



  1. Typescript of a sermon for children, undated, 5 pages A5 (NCI TBA OP91-010). In the archives a 6th page is added, but this does not belong to the sermon. Probably the sermon was held at March 26 (‘yesterday we celebrated the feast of the annunciation’).
  2. Mark 10:14.
  3. Mat 25:40.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020