Mystiek en Pseudo-mystiek

1929

Speech

 


Mystiek en Pseudo-Mystiek

Rede gehouden voor de R.K. Artsenvereeniging 9-11-'29 door Prof. Dr. Titus Brandsma, O.Carm.[1]


't Is feest voor U vandaag en voor een feestrede heeft U mij uitgenoodigd. Laat ik er aanstonds bijvoegen, dat het onderwerp, dat U mij te behandelen vroeg, mij tot vreugde stemde. Het is wel het schoonste, dat denkbaar is, een onderwerp, dat ons naar hooger sferen voert en op den blijden dag, dien Gij, uitverkorenen der menschheid, haar weldoeners en redders, viert ter herdenking van Uw tienjarig samenzijn en samenwerken, U den mensch doet zien niet eerst en alleen in zijn lichamelijk, stoffelijk, aan ziekte en lijden onderworpen wezen, maar ook in zijn hoogere betrekking tot God, wien te schouwen eens in den Hemel zijn geluk zal zijn, wien te kennen en te beminnen reeds hier een heerlijk voorrecht is, wien nader te komen het doel is van ons menschelijk bestaan.

Gij verzocht mij te spreken over Mystiek en Pseudo-mystiek en het is, of in dien dubbelen titel terstond reeds een schaduw wordt geworpen over het licht, dat in den naam Mystiek ons tegenstraalt. Het zij zoo, maar dan een schaduw, die in zijn nevelen het licht niet geheel verbergt. Het is niet op de eerste plaats te doen — althans zoo zie ik het — om een tegenstelling tusschen Mystiek en wat men Pseudo-mystiek noemt. Neen, niet het negatieve, maar het positieve trekt U aan. Te lief is U hetgeen U onder Mystiek verstaat, dan dat dit verward zou mogen worden met wat er slechts den schijn van heeft. Uit de keuze van dit onderwerp straalt mij uit uw vereeniging de zucht naar waarheid tegen, de begeerte, nader te weten, wat onder Mystiek valt te verstaan, meer kennis te verkrijgen van het leven in vereeniging met God, dit leven te kunnen onderscheiden en te leeren kennen in al zijn schoonheid en heerlijkheid.

Als kinderen Gods zien wij ons heden, door Hem geroepen en uitverkoren tot een eenmaal eeuwige vereeniging met Hem, waarbij alle feest hier op aarde schijn is, maar ook weer een beeld van het eeuwige feest, als wij het goed zien, een voorsmaak daarvan.

Wij denken ons God, het voorwerp van onze eeuwig-gelukkige schouwing, steeds zoo verre van ons. En toch is Hij ons zoo nabij. En toch is Hij niet zoo geheel voor ons oog verborgen, ook nu niet. Ons verstand achterhaalt zijn [267] zijn als in het diepst en innigst van ons wezen besloten.

De menschheid, ook de denkende mensch, is niet zoo sterk meer gevangen in de ban van het subjectivisme. Niet voor het zintuig alleen, maar ook voor het verstand rijst de wereld van het object, in tegenstelling van gelijkwaardigheid met het subject, niet van algeheele afhankelijkheid op. Steeds sterker, te sterk soms wordt de drang naar de aanvaarding van bepaling van ons kenvermogen door een objectieve wereld. Maar laten we ons voor het oogenblik niet al te zeer verdiepen in den stand van het kentheoretisch inzicht en met een zekere vreugde vaststellen, dat steeds meer zich plaatsen op het Aristotelisch standpunt, dat een zintuigelijk-kenbare wereld onze zintuigen aandoet en tot een zintuigelijke voorstelling van deze wereld bepaalt en een verstandelijk kenvermogen in ons bij die zintuigelijke kennis een tweede kenbaarheid in die objectieve wereld ontdekt, bloot legt en kan gadeslaan, een kenbaarheid, welke er ons een beeld van geeft als iets, dat het zijn heeft, een bepaalde zijnsvorm is, een vorm van bestaan, waarin het met andere dingen overeenkomt en dien wij er in kunnen zien met voorbijzien van alle nadere individueele bepaling, niet als iets, dat wij er in leggen, dat wij er op toepassen, maar als iets, dat er even werkelijk, ja nog meer wezenlijk is, dan hetgeen het zintuigelijk kenvermogen er in aanschouwde.

Zoo zien wij met ons verstand in alle ding het zijn er van en bij eenig nadenken ook de eerste bepalingen, omschrijvingen en eigenschappen van dat zijn, niet alleen de transcendente van eenheid, waarheid en goedheid, maar ook de meer bepalende zooals levend of kennend, veranderlijk, niet-noodzakelijk, beperkt in volmaaktheid enz. Van deze laatste is er voor het verstand maar een stap naar de onzelfgenoegzaamheid, de afhankelijkheid van iets, dat in zichzelf den voldoenden grond vindt van zijn bestaan. Ik zal U niet vermoeien met hieruit de noodzakelijkheid der Schepping af te leiden, maar ik moge toch Uw aandacht vragen voor de overweging, dat de eigenschappen der geschapen wereld, waarop wij het bewijs voor de Schepping gronden, aan die wereld inhaerent blijven en voor al den duur van haar bestaan haar afhankelijkheid van den Schepper demonstreeren en wij de Schepping dus hebben te zien als een daad Gods, die voor Hem buiten allen tijd, voortleeft in het geschapene voor den geheelen duur van zijn bestaan. Er is natuurlijk geen bezwaar tegen, dat wij voor een beter begrip hier spreken van Schepping en instandhouding, omdat, zoo het in God ook al een enkele daad is, het opzicht, waaronder wij die daad zien, tweevoudig kan worden genoemd en het eene meer [268] onmiddellijk uit die eigenschappen wordt afgeleid dan het tweede.

Al is intusschen die tweede beschouwing een niet zoo onmiddellijke als de eerste, bij eenig nadenken zien wij toch allen met ons verstand in het geschapene die voortduring der goddelijke werking, zien wij met ons verstand in elk geschapen ding iets, dat op dat oogenblik onzer beschouwing de inwerking Gods ondergaat, er het sprekende bewijs van is, ons het bestaan van God duidelijk voorhoudt, ons in contact brengt met iets, dat onmiddellijk uit zijn hand voortkomt, waarin wij dus zijn oogenblikkelijke werking voor ons hebben, en omdat in Hem werking en wezen één zijn, voor ons zien de aanwezigheid van zijn wezen, daar even werkelijk als het ding, dat wij zien en betasten.

Het is wel jammer, dat de menschen hun verstand, waarmede zij aldus reeds hier op aarde God kunnen zien, zoo weinig gebruiken, dat zij zich den tijd niet gunnen, van tijd tot tijd zoo diep door te denken, dat zij, niet met de verbeelding, maar door de benutting van hun abstractie-vermogen met hun rijkbegaafd verstand Gods werking en Gods wezen in de dingen beschouwen. En moet dat in het algemeen jammer worden genoemd, nog meer valt het te betreuren, dat zij, wier verstand door studie, door een zekere oefening van het abstractie-vermogen, scherper kan onderscheiden, zich zelfs die moeite niet getroosten.

Maar genoeg daarover. Alleen moet ik nog opmerken, dat de aanwezigheid van God in het schepsel, de onzelfgenoegzaamheid van het geschapene niet tot de Spinozistische conclusie leidt, welke tot pantheïsme, occasionalisme, quietisme zou drijven, dat het geschapene daarom niet zelfstandig zoude zijn. Natuurlijk moeten we ons dan geen overdreven begrip van zelfstandigheid vormen, maar bedenken, dat het begrip van zelfstandigheid in de beschouwing van de ons omringende wereld de in haar noodzakelijke beperking aan ons opdringt van afhankelijkheid van een Schepper, een beperking, welke echter tegelijkertijd haar allereerste en alleredelste eigenschap beteekent, n.l. te bestaan in de allernauwste vereeniging met God.

Deze voorafgaande beschouwing is misschien, voor den tijd mij toegemeten, haast te lang en wellicht komt de gedachte bij U op, dat ik niet tot mijn onderwerp kom. Ik meende echter deze beschouwing te moeten laten voorafgaan, om U minder vreemd te doen staan voor het verschijnsel van mystiek leven, dat toch, hoe heerlijk ook, niet meer is dan een verdere openbaring van die vereeniging met God.

Het gaat ons met betrekking tot dit verschijnsel als het ons gaat bij de [269] beschouwing van de met sneeuw en ijs bedekte bergen van Alpen of Pyreneeën. Wij staan vol bewondering en ontzag voor die tot de wolken reikende steenmassa's en voelen ons klein daartegenover. Maar onze bewondering wordt toch eenigszins in andere richting geleid, als wij diezelfde bergen in hun ware verhouding zien afgeteekend op een in relief uitgevoerden wereldbol, ook van behoorlijke afmeting. Dan zijn die hooge bergen slechts verhoogingen van enkele millimeters en komen we tot het besef, dat hetgeen ons zoo imponeert door zijn afmeting, ons met nog veel grooter ontzag moet vervullen voor de veel grooter massa, welke wij dagelijks met onze voeten vertreden. Zoo staren we ons vaak dusdanigerwijze blind op de overigens alleszins schoone openbaring van hoog mystiek leven, dat wij bij het te eenzijdig beschouwen van het licht daarvan, geen oog meer hebben voor de nauwe vereeniging, welke alwat bestaat bezit met zijn Schepper. Men zoekt God onder vormen, waaronder Hij Zich in den regel niet dan in nevelen vertoont en verwaarloost Hem te zien, waar elk verstand Hem kan aanschouwen, niet zoo heerlijk en zoo schoon, maar toch tot wonderbare bevrediging van den geest en op de meest klare en duidelijke wijze.

Naast de vereeniging van het schepsel met God in de gewone orde der natuur staat nog een tweede, welke wij noemen die in de orde der genade. Zij is een bijzonder voorrecht van den mensch, met wien God blijkens de door Hem gegeven openbaring Zich op bijzondere wijze nog heeft willen vereenigen om aan Zijn daden een hoogere wijding en strekking te geven, een waarde te schenken voor het verkrijgen van een bijzonderen staat van geluk, die eenmaal in den Hemel eeuwig zal duren. Een beeld van die inniger vereeniging is de Menschwording Gods, waarbij de Goddelijke Persoon van het Woord Gods Zich heeft verborgen in de menschelijke natuur van Christus om aan het leven en lijden van Christus, daad van den eenen God-menschelijken Persoon goddelijke waarde te schenken.

Deelgenooten in de menschelijke natuur van Christus, gelijk wij deelgenoot waren in de menschelijke natuur van Adam, deelen wij door Goddelijke goedheid in de nauwe vereeniging, welke die natuur in Christus met de Godheid bezit. In het mystieke lichaam van Christus, zijn H. Kerk, leven wij in een nieuwen en hoogeren staat, een staat van genade, waarin God Zich met ons vereenigt en mede-oorzaak wordt van onze handelingen om daardoor aan ons en onze werken een bovennatuurlijke hoogheid te schenken, die tot een bovennatuurlijke orde te verheffen. Ook hier verliezen wij onze zelf- [270] standigheid niet. Het goddelijke gaat schuil achter het menschelijke en het bovennatuurlijke tast het eigen bestaan en werken der natuur niet aan, verheft het slechts door de goddelijke medewerking tot een hoogere orde. God bedoelt geen vernietiging, maar een veredeling der natuur door er Zich op het nauwst mede te verbinden.

Kenden wij de eerste wijze van Gods zijn in ons door de abstraheerende en afleidende werking van ons verstand, deze tweede wijze kennen wij door goddelijke Openbaring. Noch zinnen noch verstand achterhalen deze verscholen wijze van vereeniging met God. Het geloof echter spreekt er ons zoo duidelijk van, dat het alweder zoo jammer, ja, haast onverklaarbaar moet worden genoemd, dat de menschen, ook de denkende mensch, die waarheid zoo weinig beschouwt en zich in de schouwing daarvan verlustigt en verheugt, terwijl dit toch een voorsmaak des Hemels moet worden genoemd. Ook in de orde der genade zoeken wij naar wonderen, om er Gods liefde en goedheid, zijn macht en heerlijkheid in te loven, maar vergeten wij, dat ons genadeleven een schat is en een voorrecht, waarvoor wij Hem nooit genoeg kunnen loven en prijzen. Wel gaat de vereeniging met God en de goddelijke werking geheel schuil achter het menschelijke, maar wij weten toch met de stelligste zekerheid, dat God leeft en werkt in ons.

Maar er is nog een derde wijze. God leeft in ons. Hij gaat daarbij schuil achter onze natuur. Maar onze natuur is in zijn hand tot veel hooger en verhevener werkzaamheid geschikt, dan waartoe de zintuigelijke kennis of de beschouwing van zijn verstand haar kan voeren. Zij bezit een ontvankelijkheid, welke haar geschikt maakt, in nog hoogere mate dan in de gewone orde der natuur de goddelijke inwerking in zich op te nemen op een wijze, dat het goddelijke niet langer schuil gaat achter het menschelijke, maar naar buiten straalt en in de innerlijke of uiterlijke ervaring bewijs geeft van een nieuwe nog overvloediger mededeeling der goddelijke gaven, een begenadiging van zoo overweldigenden aard, dat de vermogens der ziel en vaak haast geheel haar werking er door worden beheerscht en zij niet langs den weg der rede, noch geleid door de Openbaring, maar door eigen innerlijke of ook uiterlijke ervaring zich met God vereenigd ziet of begrijpt. God legt beslag op de ziel, of liever op den mensch en doet haar zijn nabijheid gevoelen of begrijpen, vervult zijn wezen, overstroomt hem met licht en gloed. God is daartoe in staat, want de mensch is door Hem geschapen met de geschiktheid tot die hoogere levensvormen, welke nog maar een eerste glimp zijn van de heerlijk- [271] heid, waartoe Hij hem eenmaal in den Hemel zal verheffen.

De H. Joannes van het Kruis noemt dezen staat, welken wij dien van het mystieke leven kunnen noemen, tegenover den staat van natuur en van genade, den staat van Gods overvloedige liefde. Misschien is het in onze taal nog duidelijker, te spreken van Gods overweldigende liefde, omdat deze staat gekenmerkt wordt door een inbeslagneming van de menschelijke vermogens, een innerlijk of uiterlijk waarneembare inwerking, waarbij de mensch wordt overweldigd en het goddelijke in hem tot dan toe schuil gaande achter de verschijnselen der natuur, in dien staat in hem tot openbaring wordt gebracht.

Nu is het zeer merkwaardig, dat in de eerste twee staten het goddelijke zoo sober wordt gezien, alles tot een haast alleen uiterlijke betrekking wordt herleid, de mensch bij het beoordeelen van dezen derden staat haast uitsluitend het oog richt op het goddelijke en het menschelijke en natuurlijke al te zeer voorbijziet. Velen zien zoo hoog tegen het mystieke leven op, dat zij er den mensch geheel in idealiseeren, ja, vergoddelijken, en niet bedenken, dat tenslotte ook deze vereeniging van God met den mensch iets is in de menschelijke natuur, daarin opgenomen naar den aard en de gesteltenis, het bevattings- en aanpassingsvermogen van die menschelijke natuur. Vervolgens dat, al wordt deze staat gekenmerkt door een inbeslagneming door God van de vermogens dier natuur, daarom nog die inbeslagneming niet volledig behoeft te zijn, maar allerlei graden en onderscheiden kan toelaten. En dit onderscheid behoeft weer niet alleen te zijn een verschil van intensiteit van de goddelijke werking of van opname daarvan in de menschelijke natuur, maar kan ook bestaan in het daarvoor uitkiezen door God van bepaalde vermogens of de bijzondere ontvankelijkheid hiervan.

De overweging van deze toch eenvoudige waarheid stelt al aanstonds duidelijk in het licht, welk een groote menschelijke zijde ook in de meest reëele mystieke verschijnselen te onderscheiden valt.

Vooreerst gaat er veel menschelijks aan vooraf. Ten deele kan dit een inleiding en voorbereiding er van zijn, zoodat de mystieke begenadiging onder dat opzicht de bekroning zou mogen worden genoemd, door God gegeven aan onze menschelijke pogingen om ons met Hem te vereenigen en Hem lief te hebben met al onze vermogens. Men kan zich in ingekeerdheid oefenen, zijn best doen, in zichzelf te treden en in deze door eigen oefening verkregen ingekeerdheid zich God voorstellen, met Hem spreken, naar zijn ingevingen [272] luisteren. Elkeen weet, hoe gemakkelijk bij gespannen aandacht aan een zaak geschonken, deze zaak als oorzaak van werkelijke aandoening wordt aangezien. Het ligt in den aard onzer natuur, dat wie zich op de schouwing van iets bepaalds instelt, op de verschijning daarvan vooruit loopt of minstens het op eenigerlei wijze verkregen beeld daarvan versterkt. Van den anderen kant moet toch ook weder worden aangenomen, dat, hoezeer God vrij is, zijn begenadiging te schenken en Hij die ook schenkt aan wien Hij wil, als regel mag gelden, dat de mystieke begenadiging een koninklijk antwoord is van God op de zwakke pogingen der menschen om zich met Hem te vereenigen en Hij Zich bij voorkeur geeft aan wie Hem zoeken. Hieruit mag worden besloten, dat wie om zijn leven van ingekeerdheid en van liefde de mystieke begenadiging deelachtig wordt, in groot gevaar verkeert, daarnaast andere beelden in zich op te wekken, welke het ingestort karakter missen, maar door overeenkomst daarmede op één lijn worden gesteld. Ik mag dit niet omdraaien en zou niet willen zeggen, dat wie in de meest gunstige gesteltenis is, om van God de mystieke begenadiging te ontvangen, daarom ook in het grootste gevaar verkeert, zichzelf te misleiden. Neen, want er zijn bijkomende gesteltenissen, welke in zulk een persoon dit gevaar minder doen zijn dan bij anderen, wier gesteltenis minder gunstig is, alhoewel de laatsten toch op velerlei wijze God kunnen zoeken. En wij komen hierbij tot factoren, welke vooral de wilsgesteltenis bepalen. Hoe sterk het voorstellingsleven op zichzelf ook moge wezen, de richting van den wil kan het zich op zeer verschillende wijze doen ontwikkelen. Van zeer groot gewicht is dus in dit verband, of de betrokken persoon een sterk verlangen naar de hoogere vormen van leven met God heeft, die voor zich verwacht, daarop meent aanspraak te mogen maken, zich daarover bijzonder verheugt, er zich op laat voorstaan dan wel in algeheele overgave aan den wil Gods, die gunsten weliswaar waardeert, maar zich die onwaardig acht, in het besef dier onwaardigheid er zich beschaamd over gevoelt, God zou willen vragen, hem die niet meer te geven, in één woord, zoo nederig over zichzelf denkt, dat hij er een nieuwen grond tot vernedering in vindt. Het spreekt vanzelf, dat de laatste in veel gunstiger gesteltenis verkeert dan de eerste en in geringer gevaar voor misleiding. Maar het gevaar is niet denkbeeldig, dat een mystiek begenadigde van de laatste meer gunstige gesteltenis overgaat tot de eerste en God zoekend op eigen wijze door scherpe instelling van voorstelling en streving zichzelf tot psychische toestanden opvoert, welke heel veel overeenkomst hebben met die der [273] mystieke begenadiging, maar daarvan toch niets dan den schijn hebben. Het behoeft wel geen vermelding, dat wat hier in het algemeen gezegd wordt, nog een bijzondere versterking krijgt bij personen, wier natuurlijke gesteltenis sterken weerslag van het psychische op het physische en omgekeerd medebrengt. De een is uiteraard gevoeliger dan de ander, meer voor allerlei indrukken vatbaar en onder den indruk daarvan aan sterker verandering van gemoedstoestand onderhevig. Het spreekt vanzelf, dat men dubbel voorzichtig moet zijn, wanneer men op sterke wijze door zijn indrukken en neigingen wordt beheerscht en in beslag genomen. Dit brengt mij als vanzelf op een tweeden zeer belangrijken factor, welke hierbij in het oog moet worden gehouden. Ik zeide reeds, dat de mensch ook bij de mystieke begenadiging zijn menschelijke natuur mededraagt, d.w.z. dat wij de mystieke begenadiging nooit moeten zien als iets, dat louter den geest aandoet. Wij zijn geen geest, maar mensch en al kan in bepaalde toestanden het geestelijke de overhand in ons hebben, het lichaam wordt zelfs in den Hemel niet uitgeschakeld. Wij hebben het blijde geloofsgeheim, dat spreekt van de verrijzenis des vleesches. Het lichaam deelt in de werkingen en toestanden van den geest, gevoelt er den weerslag van, ondergaat in samenhang daarmede vaak zeer ingrijpende veranderingen. De theorie van het mystieke leven onderscheidt terecht twee vormen van lichamelijke aandoeningen, een middellijke naast een onmiddellijke. God is natuurlijk in staat, in het lichaam met de natuur er van niet-strijdige, zij het ook boven de gewone werking en ontwikkeling dier natuur verheven staten en toestanden te voorschijn te roepen en daardoor middellijk in te werken op den geest. Een wonderbare indrukking van de vijf wondteekenen des Heeren moet zeker een diepen indruk maken op den geest en dezen een overweldigende voorstelling geven van het Lijden van Christus. Maar ook een andere orde van feiten is mogelijk. Een helder begrip van het Lijden den geest ingestort, een levendige voorstelling daarvan in de verbeelding opgewekt, zal niet nalaten verdere indrukken te maken op het lichaam. De inwerking blijft niet tot den geest, niet tot de verbeelding beperkt, maar beteekent een aandoening, een verandering van het geheel. Maar al is het een verandering, een aandoening van het geheel, dan beteekent dit nog niet, dat het geheel onmiddellijk wordt beroerd. In onze samengestelde natuur zal vaak de indruk onmiddellijk slechts een deel raken, ons treffen onder een bepaald opzicht, terwijl daarmede optredende toestanden moeten verklaard worden als daarmede wel samenhangend, daaruit wel voortvloeiend, daarbij [274] wel mede voorzien, maar toch niet onmiddellijk te voorschijn geroepen, niet in zichzelve bedoeld, niet in zichzelve maar slechts in oorzaak bovennatuurlijk. Het zijn verschijnselen, welke van nature in den mensch een bovennatuurlijk verschijnsel begeleiden. In het geheel van een bepaalden mystieken toestand hebben we derhalve verschillende opzichten te onderscheiden en niet zelden is de aandacht, welke aan bepaalde opzichten van een bepaalden toestand wordt geschonken niet geheel evenredig aan de beteekenis van dit opzicht in het geheel. Zoo heeft men in het merkwaardig verschijnsel van Konnersreuth veel meer aandacht niet alleen, maar ook bewondering geschonken aan de uiterlijke verschijnselen in het lichaam van Teresia Neumann, dan aan den staat van diepe ingekeerdheid, de albeheerschende levendigheid van de voor¬stelling harer verbeelding, het klare besef en begrip van het Lijden in haar geest, zoo diep en levendig, zoo helder en klaar, dat men beproeft, daaruit de zeer buitengewone toestanden in haar lichaam te verklaren. Men bewondert het uiterlijke en verzuimt, eerbied en bewondering in zich op te wekken voor hetgeen in de orde der feiten hoogstwaarschijnlijk hooger moet worden gesteld, de innerlijke vereeniging van verbeelding en geest met het Lijden des Heeren. Ik stel niet vast, dat dit verschijnsel zoo moet worden verklaard, er is zelfs iets te zeggen voor een onmiddellijke aandoening des lichaams, welke voert tot inbeslagneming van verbeelding en geest, mogelijk is evenzeer een aandoening van geest en uiterlijke en innerlijke zinnen te zamen, maar vergelijking met andere soortgelijke verschijnselen dringt toch sterk tot een meer innerlijk zien er van. Zeker is het overdreven om alles te zien als een wonder. Ook dan als God werkelijk en merkbaar op den mensch inwerkt, beteekent dit niet, dat Hij beslag legt op den geheelen mensch, maar zal Hij dit slechts ten deele doen. Waar Hij de eigen menschelijke zelfstandigheid niet opheft, daar wordt alwat Hij den mensch indrukt en mededeelt, opgenomen naar den aard en de gesteltenis van den mensch. Het is als een kiem, die tot een bloem opgroeit, een vonk, die tot een vlam en een brand uitslaat, naarmate de bodem, waarin die kiem wordt gelegd, haar voedt, naarmate aan de vonk brandstoffen worden toegevoerd, welke zij kan ontsteken. In het geheel der mystieke verschijnselen is in den regel en naar den aard der verschijnselen zelve slechts de kiem, de vonk goddelijk. De bloem, die wij bewonderen, het vuur, waarvan wij de warmte voelen, is voor het grootste gedeelte te beschouwen als de ontwikkeling uit die kiem, het vuur uit die vonk overeenkomstig de gesteltenis van het subject, waarin wij die verschijn- [275] selen aanschouwen. Gelijk het scherpste herinneringsbeeld zijn leven in ons voortzet en daarbij aan allerlei ontwikkeling onderhevig is, zoo groeit in ons het beeld, dat God den geest of de verbeelding indrukt. Hierdoor verklaren wij, dat niet slechts het Woord Gods, in de H. Schrift neergelegd, in allerlei vormen en beelden, varieerend naar tijd en personen, kenmerkend voor de stroomingen, waaraan de schrijvers onderworpen waren, tot ons is gekomen, maar zoo ook hetgeen aan bijzondere personen werd geopenbaard, en in nog veel hoogere mate in dezer geest en verbeelding is gegroeid en ontwikkeld. Wij moeten hier wel scherp onderscheid maken tusschen het goddelijke en het menschelijk, dat daarbij uiteraard aan het licht treedt en het goddelijke steeds ten deele omhult en omsluiert.

Ook daar, waar wij met grond de bijzondere inwerking Gods mogen aannemen, moet ons toch steeds voor den geest blijven staan, dat dit goddelijke in het menschelijke wordt opgenomen en daarin zijn omlijning en omschrijving vindt.

In dit verband moge ik opmerken, dat, wanneer hier dus gesproken mag worden van een menschelijke zijde van het mystieke verschijnsel, dit menschelijke niet terstond als iets ziekelijks mag worden aangeduid. Al te spoedig gaat men vaak daartoe over. Ik wil niet ontkennen, dat zich ziekelijke uitwassen voordoen, maar niet alles is ziekelijk. Wanneer in geest of verbeelding nieuwe en vaak verrassende voorstellingen worden gewekt, dan vraagt de natuur, dat deze haar verder natuurlijken invloed op het geheel uitoefenen, dan is ingaan daarop, zich aanpassen daaraan, reactie daarop, eer een bewijs van gezond leven dan iets ziekelijks, ook al zijn het op zichzelve, d.w.z. gezien buiten het verband met deze voorstellingen en gehouden in verband met het normale voorstellingsleven, ongewone verschijnselen. Ook hier dus moet meer terug worden gegaan naar den oorsprong, de bron van die verschijnselen en men deze niet al te zeer zien in zichzelve.

Dit onderscheid is niet slechts vruchtbaar, waar het gaat om verschijnselen, waaraan werkelijk mystieke begenadiging ten grondslag ligt, maar ook waar wij geen voldoenden grond vinden om die aan te nemen. Ook dan moeten wij het verschijnsel onder zijn verschillende opzichten trachten te beschouwen en niet onder alle opzichten veroordeelen, wat slechts onder een enkel opzicht veroordeling verdient.

Naast de begeleidende verschijnselen echter, welke uiteraard te verwachten zijn, wanneer in geest of verbeelding bijzondere voorstellingen ontstaan, [276] staan andere, welke onder invloed daarvan mogen zijn ontstaan, maar toch daaraan niet geëvenredigd zijn. Dit is het geval, indien daaruit veel te verstrekkende gevolgen worden getrokken, indien er een overdreven voorstelling van wordt gegeven, indien er een al te groote gevoeligheid voor wordt aan den dag gelegd, indien de inwerking, welke men ondergaat, kunstmatig wordt versterkt. Bestaat hiervoor altijd gevaar, het spreekt wel vanzelf, dat dit gevaar grooter is, wanneer de voorstelling zelve reeds spel der verbeelding of een schepping des geestes is. Dan roept het eene kwaad als het ware het andere te voorschijn. Toch veroordeele men ook hier niet te gauw. Al is in die Pseudo-mystiek heel veel te veroordeelen, heel dikwijls is de diepste grond er van de zucht naar God, welke aan den mensch van nature eigen is en openbaart er zich die zucht wel gedegenereerd en eenigszins ziekelijk ontaard, maar een onvolmaakte openbaring er van, als de afwijking niet al te ver gaat, is verre te verkiezen boven een algeheele onderdrukking, welke de natuur nog grooter geweld aandoet. Men heeft vaak wel gauw het vernietigende woord hysterici of fanatici klaar, maar die hysterici en die fanatici hebben toch iets, waarvoor eerbied niet ongepast is,

Ik wil hiermede allerminst zoovele pseudo-mystieke verschijnselen verheerlijken en prijzen, maar meen er toch de aandacht op te moeten vestigen, dat daarin niet alles verkeerd is, dat wij niet goed doen met zonder eenig voorbehoud de verschijnselen van mystiek leven te veroordeelen, welke wij buiten de Katholieke Kerk ontmoeten, hetzij dit dan is bij de orthodoxen in Rusland of Griekenland of in andere landen van het Oosten, hetzij bij de onderscheiden Protestantsche gezindten, hetzij eindelijk bij Indiërs, de oude Grieken en enkele van de meest primitieve volkeren. God is ook hun nabij en hun verstand doet hen, bewust of onbewust, naar het goddelijke verzuchten, contact zoeken met het goddelijke. In hun gebrekkige kennis ontwikkelt zich vaak die zucht naar het goddelijke ook op zeer gebrekkige wijze en wordt die vereeniging met de Godheid gezocht langs wegen, welke slechts kunnen voeren tot misleiding en zelfbegoocheling, waardoor ook de begeleidende verschijnselen worden beïnvloed. Zoo staat hun mystiek voor ons als een haast ondoorzichtige sluier, waarin wij ternauwernood de oorspronkelijke zucht naar God nog ontdekken, maar waarin het God-minnend oog toch nog een flauwe schemering ziet van het vonkje, dat in elk menschenhart, al is het onmerkbaar gloeit en smeult.

Door sterk den nadruk te leggen op den oorsprong en bron der uiterlijk [277] waarneembare begeleidende verschijnselen van de mystieke begenadiging wordt, ik geef dit gaarne toe, het probleem mystiek en pseudo-mystiek van elkander te onderscheiden, niet gemakkelijker. Het zij zoo. De wijsbegeerte is nu eenmaal een wetenschap, qui devrait éclaircir les choses obscures, mais qui obscurcit les choses claires. Men voert daardoor de mystiek zoowel als de pseudo-mystiek naar het rijk der interna, de quibus non judicat praetor. Bij velen zal de vraag opkomen, of juist niet de begeleidende verschijnselen van dien aard kunnen zijn, dat zij ons duidelijk den goddelijken oorsprong er van aanwijzen. Dan rijst de vraag, of stigmatisatie, levitatie, onthouding van spijs, staat van extase, en zooveel andere verschijnselen van mystiek leven voor ons niet als bewijs mogen gelden van werkelijke bovennatuurlijke mystieke begenadiging. Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk. Zeker is, dat de psychische gesteltenis buitengewoon sterk inwerkt op de physieke, en dat de physieke niet alleen de weg zijn tot, maar ook de openbaring van psychische gesteltenissen, maar wie trekt de grenzen tusschen wat de natuur vermag en wat haar te boven gaat?

In gevallen als wij hebben in Konnersreuth, is zeker de aanwijzing voor iets bovennatuurlijks zeer sterk. Maar waartoe in een toch naar medisch getuigenis, gegeven lang voor de verschijnselen van nu optraden, zeer hysterisch aangelegd persoon, van wie een Dr. Bergmann van Kleef, voor een bovennatuurlijken uitleg pleitend, den hysterischen aanleg slechts weersprak door dien in de psychische gesteltenis te ontkennen, terwijl hij dien in de physische gesteltenis toegaf, waartoe in zulk een persoon een zeer sterk geconcentreerd voorstellingsleven, onder invloed van vurige liefde en zucht naar gelijkvormigheid, lichamelijk kan voeren, deze vraag is niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. Wel schijnt hier de grens van het natuurlijke overschreden en zeer gezaghebbende personen zien hier dan ook, en niet zonder grond, iets wonderbaars. De Kerk is hierin uiterst voorzichtig. Zij spreekt zich er niet licht over uit, hoezeer men van verschillende zijden op een vingerwijzing aandringt, een oordeel noodzakelijk acht zelfs.

Men mag zich echter afvragen, of die noodzakelijkheid wel bestaat, of de drang om een uitspraak niet wordt ingegeven door een niet-geheel juiste voorstelling van aard en vooral van de strekking der mystieke verschijnselen.

Merkwaardig mag het worden genoemd, dat in den regel veel duisters de mystieke verschijnselen omgeeft. Men meent en zegt soms, dat, als God hierin de hand heeft, Hij, de Almachtige, toch duidelijker zou zijn te werk [278] gegaan, niet zooveel nevelen over zijn werk zou hebben laten hangen. De groote meesters in het mystieke leven, een H. Joannes van het Kruis, een H. Teresia, waarschuwen hier echter voor misverstand en geven duidelijk en onomwonden te kennen, dat het den mystieken verschijnselen eigen is, het woord van God niet onwaar te maken, dat wij Hem hier beneden nog slechts zien in spiegelbeelden en in raadselen. De H. Teresia ziet daarin een aanwijzing, dat wij nooit de private openbaring en verlichting grooter gezag moeten toekennen, dan wij aan de duidelijke uitspraken van ons verstand en de onfeilbare uitspraken van de Openbaring aan de Kerk ter bewaring gegeven, verschuldigd zijn. Zij gaat nog verder en geeft, juist om het duister karakter van de mystieke verlichting, als strengen plicht voor alle mystiek begenadigden aan, boven die ingevingen en verlichtingen te luisteren naar het woord van den geestelijken leidsman en biechtvader. Wel erkent de H. Teresia, dat de goddelijke verlichting op het oogenblik, dat wij ze deelachtig worden, iets onwederstaanbaars, iets overweldigends heeft, maar zij voegt er onmiddellijk bij, dat die indruk na het korte oogenblik der verlichting spoedig verflauwt en verslapt en de groote zekerheid, bij de verlichting gevoeld, heel spoedig weder plaats maakt voor twijfel, nog versterkt door het gevoel van onwaardigheid en ootmoed, dat den waren mystieken zielen onvoorwaardelijk eigen moet zijn. Speciaal bij de mystieken der Katholieke Kerk is dit besef levendig, levendiger dan bij hen, die, geleid door een sterken trek naar het goddelijke een leven van ware ingekeerdheid leiden en streven naar de vereeniging met God, terwijl zij staan op Protestantschen grondslag en daarmede de waarde der individueele inspiratie tegenover het leergezag der Kerk hooger aanslaan. Voor ons Katholieken moet het mystieke leven nooit ge¬bracht worden buiten het verband der Kerk. Protestanten hebben meermalen getracht, onze groote mystieken, een Ruusbroec, een Tauler, een Teresia voor te stellen als hun standpunt nader staande, maar die pogingen worden door de klaarste uitdrukkingen of de duidelijkst sprekende feiten van hun leven weersproken. De mystieke begenadiging heeft allerminst tot strekking, in de plaats te treden van de goddelijke openbaring. Het eerste criterium, dat de H. Teresia stelt aan alle mystieke verlichting, is, dat deze niet in het minst in strijd is met hetgeen de Kerk leert.

Naast het karakter van belooning en vertroosting voor hen, die de mys¬tieke begenadiging deelachtig worden, heeft deze de strekking, degenen, die er getuige van zijn, te wijzen op de waarheden des Geloofs, de kennis daar- [279] van te verlevendigen, op de beteekenis daarvan opnieuw de aandacht te vestigen. Daartoe helpt de duisterheid van het mystieke verschijnsel in niet geringe mate. Aan wie er een nieuw argument voor ons H. Geloof aan zoude willen ontleenen, mag misschien het woord worden toegevoegd, dat in de parabel van het Evangelie den rijken vrek gegeven werd, toen hij vroeg, zijns broeders te mogen verschijnen om hun zijn ervaringen uit de andere wereld mee te deelen: “Indien zij Mozes en de Profeten niet gelooven, zullen zij ook niet gelooven, indien hun iemand uit de dooden verschijnt.” Wij hebben den schat des Geloofs ons in de Kerk bewaard en door haar meegedeeld. Dit goddelijk woord gaat boven alle verschijningen en visioenen. Dit beteekent geen geringschatting van de hooge gaven, in het mystieke leven geschonken, doch waarschuwt anderzijds voor overschatting er van. Het zijn bloemen in den tuin der Kerk, die voor de huisgenooten des geloofs een weelde zijn. Zij ver¬hoogen den luister der Kerk, maar ook zonder die kroon treedt zij ons tegen als de Koningin, aan wie wij gehoorzaamheid en volgzaamheid verschuldigd zijn.

Niet die luister stempelt haar tot Koningin, haar rechtstitels wortelen dieper in het innerlijke harer goddelijke stichting als de middelares der genade, waarvan het mystieke leven niet het begin, maar de overstroomende weelde is.

Te lang echter reeds spreek ik over de begeleidende verschijnselen van het mystieke leven, een ogenblik nog over de vruchten, welke deze bloesem draagt, vruchten, waaraan men bovenal het bovennatuurlijk karakter van het mystieke leven onderscheidt. Aan de vruchten kent men den boom. Een leven van de innigste vereeniging met God, waarin God zichtbaar ingrijpt om de ziel nauwer met Zich te vereenigen, behoeft een ziel wel niet in een enkel oogenblik tot de hoogste volmaaktheid en de beoefening der heldhaftigste deugden te brengen, ook de mystiek begenadigde blijft een mensch, aan de zwakheid der menschelijke natuur onderworpen. God kan ze weliswaar in de genade en de deugd bevestigen, maar ik zeide reeds, dat wij op de eerste plaats het mystieke leven moeten zien als aan den mensch meegedeeld, overeenkomstig zijn natuur, daarin opgenomen naar den aard van het subject. God vraagt niet alleen in den regel een goede gesteltenis en een algeheele overgave bij zijn begenadiging, maar bovenal vraagt Hij, de H. Teresia vestigt er bijzonder den nadruk op, dat met de hooge gaven, door Hem geschonken, wordt medegewerkt, daardoor werkelijk een inniger vereeniging met Hem wordt verkregen, een liefde tot Hem, welke zich openbaart in daden, [280] daden vooral van liefde tot Hem, welke weer samenvalt met de liefde tot den evenmensch. Als Hij in het algemeen tot alle Katholieken heeft gezegd, dat men aan de liefde tot elkander zijn kinderen kan kennen, dan kent men zijn mystieke uitverkorenen eerst en vooral aan een aan het heldhaftige grenzende beoefening van de liefde, wat de beoefening van tal van andere deugden insluit. Ook hier is het criterium echter weder meer negatief dan positief. Ook de heldhaftigste beoefening der liefde, gevoegd bij het beoefenen van de diepste ingekeerdheid, sluit niet in, dat God zijn mystieke gaven zal uitdeelen, maar vooreerst zijn die deugden bij het optreden van mystieke verschijnselen een grond van vertrouwen in het goddelijk karakter er van, maar vervolgens kan men uit de afwezigheid daarvan, wanneer men rekening houdt met de menschelijke zwakheid en uit één fout niet tot de afwezigheid van de deugd besluit, veilig de gevolgtrekking maken, dat die ziel niet tot de innigste gemeenschap met God is opgestegen. Zeker, als eens op aarde geeft God Zich ook aan de zondaars, maar om hen tot zijn uitverkoren kinderen te maken.

Volgen zij zijn roepstem niet, dan moge God groote gunsten voor hen hebben bestemd, zij hebben Hem niet in zich opgenomen. Het goddelijke straalt ons dan in hun daden niet tegen. Treden in dezulken verschijnselen op, welke aan mystiek leven doen denken, dan zijn het bloemen, welke zijn afgesneden en bij gebrek aan levenssappen verwelken.

Hebben wij oog alleen voor de bloemen, de heerlijke bloemen van mystiek leven in den lusthof van den Hemelschen Hovenier, bloemen, die een weelde beteekenen voor het oog niet voor een ogenblik, maar vruchten belovend voor de eeuwigheid, bloemen ontloken, omdat aan den stengel uit den bodem, waarin zij wortelen, de ware levenssappen in overvloedige mate worden toegevoerd, waarin het leven, het leven in de nauwste vereeniging met God, zich uit de natuur zelve van die vereeniging ontwikkelt, waarin dus allereerst de diepste grond dier vereeniging wordt gezien, onze verbinding met God in de orde der natuur, onze vereeniging met Hem in de orde der genade.

Dan worden we herinnerd aan de mogelijkheid van steeds inniger vereeniging met God, niet om klaar en duidelijk te maken, wat Hij in nevelen houdt, maar om in de best mogelijke gesteltenis te zijn om door God tot de innigste vereeniging te worden opgevoerd.

Dan weten we niet, of God ze ons zal geven. En als God ze ons geeft, dan zal het een korte en voorbijgaande vreugde zijn, die een voorsmaak moge [281] zijn van den Hemel, doch ons nog niet brengt op de plaats, waar geloof en hoop zich oplossen in de liefde tot het geschouwde. Oordeelen en veroordeelen wij niet te spoedig, gedachtig aan het woord, dat God wonderbaar is in zijn werken en onnaspeurlijk in zijn wegen, maar volgen wij den zekeren weg, die door de Kerk leidt naar den Hemel, strevend naar steeds inniger vereeniging met Hem, die zelf zegt, dat wij Hem moeten liefhebben met geheel onze ziel, met geheel ons hart en met al onze vermogens. Benijden wij de zielen, wier vermogens, hetzij door eigen ingekeerdheid, hetzij door inbeslagneming door God, zoo innig met Hem verbonden zijn, zonder ons al te zeer te bekommeren over de vraag, in hoeverre wij daarin iets wonderbaars mogen zien.

Signa infidelibus non fidelibus. Om concreet te zijn – want uw gedachten gaan als de mijne op dit oogenblik weer naar Konnersreuth – bewondert daar de diepe ingekeerdheid, de levendige voorstelling van Jezus’ Lijden, het medeleven daarin. Afgezien van alle wonderbaars liggen daar onschatbare lessen voor dezen tijd. De verschijning van Teresia Neumann in onze huidige maatschappij lijkt providentieel. Zij predikt het Lijden des Heeren aan heel de wereld. Duizenden, die er nooit van hoorden en er zich nooit een voorstelling van vormden, kennen thans dat Lijden in al zijn verschrikking. Openbaarde zij nieuwe waarheden, men zou met recht vragen naar de gewettigdheid harer zending. Maar zij verkondigt niets nieuws. Zij vestigt slechts de aandacht op wat de grondslag is van onze verlossing en wel op een wijze, welke doet zien, hoe levendig in een mensch de voorstelling van dat Lijden kan zijn. Laten wij ons niet al te druk maken over het al dan niet wonderbare, noch voor noch tegen, en meer letten op de waarheid, welke er ons duidelijk in tegenstraalt.

Hetzelfde geldt voor talloos andere mystieke of pseudo-mystieke verschijnselen. Het is niet verkeerd, een onderzoek in te stellen naar het ware karakter er van, maar dit moet niet te spoedig op een oordeelen of veroordelen uitloopen, maar bovenal oog hebben voor het positieve in beide vervat, de openbaring van de zucht van elk menschenhart naar God, de behoefte, welke de mensch aan het goddelijke heeft om door vergelijking tot de schoonste opvatting te geraken van ons leven, ons bewegen en ons zijn in Hem.

Ziet, met dit doel heeft U mij ook wel heden doen spreken. U wilde het mystieke leven zien in zijn schoonheid, niet gelijk U het misvormd zag door pseudo-mystische feiten. Die schoonheid ziet U dan het best, als U teruggaat [282] tot de bron van elke mystieke vereeniging, Gods woning in een ieder van ons, die allen zijn lievelingen zijn en die Hij allen zoo nauw mogelijk met Zich tracht te vereenigen, niet eerst eens in den Hemel, maar reeds hier op aarde, waarover wij in zijn gebed telken dage het komen van zijn Rijk vragen.

Samenvattend kom ik tot de volgende omschrijving: Het mystieke leven is een staat van innige vereeniging van God met ons en wederkeerig van onszelve met God, welke slechts een verdere uitbloei en ontwikkeling is van de tegenwoordigheid van God in ieder van ons in die gewone orde der natuur en zichtbaar voor ons kennend verstand, verder van de tegenwoordigheid Gods in de kinderen zijner Kerk in de orde der genade en kenbaar door de Goddelijke Openbaring aan de Kerk gegeven en in de Kerk bewaard, voorwerp van ons Geloof. In een derden staat van overvloedige liefde gaat het goddelijke niet langer schuil achter het menschelijke en wordt de goddelijke tegenwoordigheid een voorwerp van onmiddellijke innerlijke of uiterlijke ervaring. Aan deze laatste ervaring ligt de erkenning van Gods tegenwoordigheid in ons naar natuur en genade ten grondslag, slechts levendig in ons in een staat van diepe ingekeerdheid, waarin wij het zichtbare en kenbare ook werkelijk zien en kennen. Deze opgang naar God voert van nature tot psychische toestanden van Godschouwing en Godservaring, waarin het subjectieve niet steeds scherp van het objectieve kan worden onderscheiden en soms ingestorte kennis wordt aangenomen, waar deze wellicht nog slechts de natuurlijke versterking is van het zoo vurig gezochte zelfontwikkeld beeld. Wij komen hiertoe gereeder, omdat wij weten, dat God in zijn overgroote liefde in overvloedige mededeeling tegemoetgaat, wie Hem heelerharte zoeken. Het gevaar van misleiding is echter het geringst in wie zich die tegemoetkoming Gods onwaardig acht, daarop niet rekent, zoodat de mystieke begenadiging het karakter krijgt van iets verrassends, iets overweldigends, iets onwederstaanbaars, waarbij God Zich den Heer toont. Het goddelijke blijft dan echter nog steeds iets, dat opgenomen en ontvangen wordt in de menschelijke natuur naar den aard dier natuur, zoodat het menschelijke steeds in hooge mate het goddelijke blijft omsluieren, Gods inbeslagneming slechts tijdelijk en gedeeltelijk is. Dit altijd aanwezige menschelijke element maakt de onderscheiding van mystieke en pseudo-mystieke toestanden dubbel moeilijk. Een waarborg biedt hier de harmonische ontwikkeling uit rede en geloof en de algeheele overeenstemming daarmede. Hoog boven de nevelen, welke het mystieke leven omgeven, staan de veilige hoogten van ons kennend verstand en van de Openbaring, ons [283] meegedeeld door het leergezag der Kerk. Boven de private openbaring en inspiratie staat Gods algemeene Openbaring in de Kerk bewaard. Waar in de Pseudo-mystiek het menschelijke treedt in de plaats van het goddelijke, moeten wij met de bloem, die wij afsnijden, nog niet de plant of de wortelen verwerpen, waarop deze door verkeerde enting is misgroeid. In de Pseudo-mystiek hebben we vaak nog heerlijk schoone openbaringen van de zucht naar God, als een vonk of een kiem in 's menschen hart gelegd. Het best kent men den boom aan de vruchten. Liefde vraagt wederliefde. Niet sluit de heldhaftigste liefde tot God en den naaste mystieke begenadiging is, God geeft zijn gaven aan wie Hij wil, maar de opgang tot God in de reinste liefde is de beste gesteltenis voor zijn nederdaling tot ons en biedt dus de grootste waarborgen, maar anderzijds is zijn begenadiging niet denkbaar zonder dat Hij het hart in liefde ontvlamt.

“Ik ben een vuur op aarde komen brengen en wat wil ik anders dan dat het worde ontstoken.” Dat vuur is de vonk, die Hij door zijn tegenwoordigheid in ons heeft neergelegd. De ontsteking van dat vuur is het besef in ons van die tegenwoordigheid Gods. God wil in ons leven, God wil in ons heerschen, God wil in ons regeeren.

Op een dag als heden, dat wij allen blijde herdenken, hoeveel goeds Hij ons gaf, in de natuurlijke zoowel als in de bovennatuurlijke orde, waarop wij feest vieren, omdat Hij ons als Katholieken, U als Katholieke artsen samen¬bracht, moeten wij Hem dankbaar nader treden, niet Hem zoekend op pleinen of straten, maar in het meest innerlijke van ons wezen, opdat wij Hem daar zien met ons verstand, liefhebben met onzen wil, vasthouden met al onze vermogens, opdat Hij in ons leve, steeds meer. En geve God, dat wij geen beletselen stellen aan wat Hij in ons zou willen doen. Hij leeft in ons, dat Hij in ons leve. Moge dit feest in ons dat blijde besef van met Hem vereenigd te zijn, versterkt hebben. Het is tevens de hechtste waarborg van uw solidariteit. Want in U allen leeft de eene Heer.

Ik sluit met de bede, dat Hij in U leve, dat Hij leve.



  1. Published in: Roomsch Katholiek Artsenblad, 8 (1929), p. 266-283.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019