Mystiek in Nederland – Radio speech

1927 (?)

Radio speech

 


MR.

Mystiek in Nederland

[1]


Velen spreken thans van Mystiek.

Wat zij er onder verstaan, is hun zelven niet steeds duidelijk, maar zij verstaan er toch iets innerlijks onder, iets heiligs, iets geheimzinnigs, zoodat het een ontwijding kon schijnen, over Mystiek te spreken in den radio.

Laat het sommigen zoo schijnen, dankbaar heb ik de uitnoodiging aanvaard en heerlijk vind ik het, dezen avond over Mystiek te mogen spreken tot de duizenden luisteraars naar den Huizenschen Zender. Niet slechts, dat het mij zelf een genot is en een vreugde, daarover te mogen spreken, maar nog meer, dat er duizenden zijn, die belangstellen in dit onderwerp en iets willen hooren over de Mystiek in ons kleine vaderland.

Die belangstelling is overigens niet nieuw. ( Steeds heeft Nederland eerbied en vereering getoond voor de uitingen van mystiek leven binnen zijn grenzen en daarbuiten. Zoo groot is die liefde geweest, dat zij geldt als een trek van het Nederlandsche volk en zoo machtig was die liefde, dat zij Nederland school deed maken en invloed uitoefenen in breeden kring. In de Geschiedenis der Mystiek staat Nederlands naam met gulden letter geschreven en op geen gebied is heerlijker invloed van ons vaderland uitgegaan dan op het gebied van het geestelijk leven. Dit geldt in het bijzonder van de vijftiende en de zeventiende eeuw, maar het schijnt zich opnieuw te verwezenlijken in onze twintigste. Al zijn wij er onszelve slechts weinig van bewust en weten wij ons maar al te ver van het innig verkeer met de Godheid verwijderd, toch hooren we rondom ons stemmen klinken, die ons ten voorbeeld stellen, als door God geroepen en verkoren en op bijzondere wijze begenadigd.

Laten we geen vergelijkingen maken, maar blij en ronduit bekennen, dat wij God liefhebben, dat wij houden van den godsdienst, dat wij God ons nabij weten en zijn tegenwoordigheid zoeken. Al kennen wij ons als niet heilig, voor het heilige hebben wij eerbied en naar het mystieke zien wij op als naar iets moois, iets verhevens en edels, dat in Nederland levend, Nederland tot eer strekt en tot glorie, in welks bezit, zij het in het verleden, wij ons mogen verheugen.

Met onzen zin voor het mystieke kenmerkt ons ten anderen een zin voor de realiteit, een nuchterheid, die zich niet gemakkelijk verliest in ijdele droombeelden en ook in het mystieke leven gaarne met de voeten de aarde blijft betreden, omdat God ons nu eenmaal op de aarde heeft geplaatst en wij daar de vereeniging met Hem moeten zoeken. Zoo krijgt de Mystiek hier een eigen kleur. Zoo mogen we spreken van Nederlandsche Mystiek, niet slechts van Mystiek in Nederland. [2]

God heeft Nederland lief.

Wij spreken niet meer in de taal van Friezen en Saksen van een God van ons volk, die niet de God zoude wezen der andere volken, maar wel zeggen wij nog vrij, dat Nederland een eigen plaats inneemt in Gods liefde en wij ziende naar die uiting van Gods liefde mogen spreken van onzen God, onzen God met ons, die van Nederland houdt en Nederland steeds nauwer met Zich zoekt te vereenigen.

Die bijzondere liefde van God tot ons vaderland dagteekent van lang vervlogen eeuwen. Denken wij terug naar de eerste eeuwen onzer Christelijke jaartelling, toen Nederland was bewoond door onderscheiden heidensche stammen, niet zonder godsdienst, maar geleid door een zeer onvolmaakte voorstelling daarvan. Toch was er erkenning van God, liefde en eerbied, ontvankelijkheid voor zijn stem, die weldra zou weerklinken door den mond van vele heldhaftige geloofsverkondigers, tot deze gewesten geroepen door Hem. )

Als wij spreken van Mystiek leven in Nederland, dan moeten we niet beginnen met Hadewych of Beatrijs van Nazareth, dan moeten wij het oog richten naar de roeping van Nederland tot het Katholiek Geloof, een roeping zoo heerlijk en wonderbaar, dat de vinger Gods er onmiskenbaar in is. Plukken wij de bloemen in eigen tuin en meenen wij niet, dat eeuwen verliepen, voordat in den tuin der Nederlandsche kerk bloemen bloeiden van innig mystiek leven. De Nederlandsche Mystiek heeft een traditie en wij mogen groot gaan op onze afstamming. Kinderen van Heiligen zijn wij, al de eeuwen door door God bemind en gezocht. (Wij mogen ons vrij gelukkig achten, een der stammen en volkeren te zijn, die het Rijk Gods vormen op deze wereld, en waarvan Christus is de levende Koning. Wij spreken van de Kerk van Nederland, wij spreken van de Nederlandsche Mystiek.)

Wij eeren en vereeren de Apostelen van Nederland, de Apostelen van bepaalde gewesten en streken, en begrijpen, dat onze vaderlandsche Heiligen een voorname plaats moeten innemen in onze vereering der Heiligen. Al zijn niet alle Heiligen mystieke personen, velen weten we door God op bijzondere wijze begenadigd. En al hebben we niet van allen even authentieke levens, van velen weten wij uit de meest geloofwaardige bronnen, dat zij mannen waren van gebed en innig verkeer met God, wiens stem zij in hun gebeden beluisterden. ( Voor ons rijzen de figuren van een H. Servatius, onder de H. Mis door een Engel geroepen naar een ver verwijderd land, ons land, waarover dezelfde Engel hem te Tongeren den bisschopsstaf geeft; van een H. Amandus in de Sint Pieter te Rome door den H. Petrus teruggeroepen naar ons land, een H. Willibrord, door den Paus in een wonderbaar droomgezicht gezien als een door God gezondene, een H. Egbertus van deze streken teruggehouden opdat hij er vanuit zijn abdij tientallen zou kunnen zenden, een H. Bonifatius, door een Engel naar Rome geleid en [3] daar onderricht over den oogst, dien God hem hier wilde doen binnenhalen, een H. Ludger, aan wien een H. Gregorius verschijnt om hem in een symbolisch gezicht te doen kennen, dat hij aan drie volkeren het Geloof zal verkondigen, een H. Lebuinus, in het gebed door een krachtige stem naar den IJssel geroepen, thans vereerd als Deventers Apostel. )

In hun roeping ligt de onze. Toen God hen riep om hier het Geloof te verkondigen, zag Hij ons, die het eenmaal van onze vaderen zouden ontvangen. In zijn liefde tot hen ging zijn overvloedige liefde uit tot ons. God wilde Nederland hebben en zond het zijn liefste Apostelen. ( En niet slechts zond Hij hen, Hij was ook met hen in hun apostolaat.

Men kan in de ongekerstende Godsoordeelen onzer heidensche voorouders bewijzen zien van niet-ontwikkeld godsdienstig leven, leven openbaarde er zich in en hooger staat hun onvolmaakte erkenning dan de diepdroeve verwaten ontkenning van dezen tijd. Men kan er een zekere verwantschap in zien met de Grieksche mysteriën en orakels, in de gehechtheid des volks aan die goddelijk geachte uitspraken openbaart zich reeds in de eerste eeuwen een zucht naar het mystieke, in het Christendom veredeld, zij het zeer geleidelijk. De kerstening der godsoordeelen zegt ons, hoe langzaam zich bij de menigte de godsvoorstelling ontwikkelde en Sint Bonifatius’ klacht niet ongegrond was, dat na de bekeering zich nog niet het volle geloofsleven openbaarde.

Veroordeelen wij streng de godsoordeelen, de goede trouw verontschuldigt de personen, en ons brandt de vraag op de lippen, of wij Gods tusschenkomst niet mogen zien, waar Sint Willibrords leven aan een Godsoordeel wordt gebonden en hij na een drievoudige uitspraak van dit Godsoordeel moet worden vrijgelaten. En zoo zien we St. Wulfram tot tweemaal toe bij het redden van een mensch uit een offering aan de goden, wonderbaar beschermd, een H. Lebuinus ongestraft de vergadering der Saksen te Markelo verlaten, een H. Bonifatius ongedeerd bij het vellen van den dondereik in Hessen, de levens der eerste geloofsverkondigers staan vol van treffende feiten van goddelijke bescherming. Maar zij waren mannen van gebed.[2] Velen wordt in het gebed hun toekomst, het uur van hun overlijden getoond. De H. Domitianus vraagt op het einde van zijn leven, dat God hem nog eenmaal met zijn hemelsche zoetheid vertrooste en Christus verschijnt hem te midden van Engelen en hij sterft in geestverrukking. Aan den H. Servatius verschijnen Christus en Maria met de H.H. Petrus en Paulus om hem den dood aan te kondigen, opdat hij de komende rampen niet zien zal. Een Engel kondigt hem korten tijd later te Maastricht den juisten tijd van sterven aan. [4]

Ook aan den H. Monulphus wordt de naderende dood voorspeld. Aan de H. Gertrudis wordt medegedeeld, dat zij binnenkort zal sterven, terwijl aan een kloosterzuster het juiste uur wordt geopenbaard, met opdracht haar dit mee te deelen. Een visioen gaf ook den H. Hubertus kennis van zijn naderend einde. En tegen alle verzekeringen van zijn leerlingen in, dat hij nog niet sterven ging, zeide de H. Gregorius van Utrecht bovennatuurlijk verlicht, dat hij “oorlof ging nemen”. )

Zij stierven, maar God wil, dat hun gedachtenis voortleeft, opdat levendig blijve het besef, dat Hij is met het Nederlandsche volk, dat wij één zijn in de gemeenschap met hen en als zij met zijn Godheid vereenigd en het voorwerp van goddelijke uitverkiezing. ( Veelvuldig ontmoeten wij in de oude verhalen verschijningen van onze eerste, hoog begenadigde geloofsverkondigers na hun dood, om ons tot hun vereering op te wekken, hun gedachtenis levendig te houden. De H. Servatius beveelt dit door den H. Wilgisus aan den H. Hubertus. Ook de H. Amandus geeft daartoe allerlei aanwijzingen. Een verschijning gebiedt den priester Amalech en drie jongelingen, het heiligdom van den H. Adelbert te herbouwen. Deze verschijnt zelf aan Zuster Wilsit te Egmond om zijn verheffing te vragen. De H. Lebuinus verschijnt aan den H. Ludger om zijn lijk aan te wijzen. En zoo zouden we weder kunnen voortgaan met hetgeen in de overlevering leeft en gelukkig nog blijft leven aan herinnering aan onze eerste Apostelen. Ja, zij leven nog voor ons, zij herleven. Steeds inniger wordt het besef, dat wij hun na staan, dat wij ons één met hen hebben te voelen en met en door hen gemakkelijker de vereeniging vinden met God, de bekroning van het mystieke leven. )

Zien wij hen het voorwerp van bijzondere begenadiging Gods, goed is het, ook het oog te richten naar hun beantwoording en hun gesteltenis. Mystieke begenadiging beschouwen wij als een uitverkiezing des Heeren, maar God vraagt van den mensch dien Hij begenadigen wil, toch ook ontvankelijkheid, een gesteltenis om zijn gaven te genieten, beantwoording van het blijk zijner liefde. Al kunnen we die gaven niet verdienen in den stricten zin van dit woord, in den regel is het toch een belooning van ons zoeken van God, onze ingekeerdheid naar Hem, zooals toch ook de Hemel een loon is voor onze goede werken. Het mystieke leven is er de voorsmaak van. En als we dan weer den blik richten naar die eerste geloofsverkondigers, ja, dan moet ons de erkenning van de lippen, dat zij iets verdienden, dat zij mannen en vrouwen waren van ongewone liefde tot God, van heldhaftige toewijding, van onbezweken moed. Deed die liefde en dat Godsvertrouwen hen niet vaarwel [5] zeggen aan huis en vaderland om in ons toen nog vrij onherbergzaam land van stam tot stam, van nederzetting tot nederzetting te trekken om er van God te spreken, van God dien zij zoo liefhadden en ook door anderen wilden erkend en bemind zien. En dat niet slechts met allerlei teleurstelling[3], niet slechts met verduring van alle ongemakken des levens, maar vaak met den dood voor oogen. Zijn niet velen een wreeden dood gestorven en ontkwamen vele anderen niet als door een wondere tusschenkomst Gods aan marteling en dood? Zij hadden voor God iets over en bewezen, dat zij Hem lief hadden. Zulke heldhaftige liefde laat God niet onbeloond.

Volgt het volle loon in den Hemel, op aarde schenkt Hij er niet zelden reeds een voorsmaak van aan zijn uitverkorenen, die Hem zoeken met heel hun hart. Maar niet alleen in de beantwoording van hun roeping zien wij hun liefde en moed, het zegt iets, dat wij van een H. Servatius lezen, dat hij vaak twee of drie dagen in het gebed verslonden bleef, zonder aan eten of drinken behoefte te gevoelen of althans daaraan te voldoen. Nog sterker spreekt, dat een H. Lambertus, de gehoorzame, bisschop reeds, een heelen nacht in den sneeuw voor een kruis in den tuin blijft bidden, onnadenkend als boete opgegeven. Dat houdt niet uit, wie niet brandt van liefde tot God. ( Sint Cunera ziet als later Sint Elisabeth onder rozen, haar gaven voor de armen onder spaanders verborgen en we weten nauwelijks wat we meer moeten bewonderen: Gods wondermacht of Cunera’s liefde, die goed moet doen, ook al brengt het haar mishandeling en miskenning. ) Een H. Bonifatius gaat naar de Friezen, al weet hij, dat het zijn dood is. Een H. Lambertus wil zoomin als Bonifatius verdediging bij den aanval, blijde den marteldood te mogen ondergaan om te gelijken op hun voorbeeld Christus. Een H. Gregorius vergeeft de moordenaars zijns broeders.[4] Zoo openbaart zich in die eerste helden het heerlijk tot hoogsten bloei ontloken Christelijk leven. Waar zooveel deugd de kroon zette op de Christelijke belijdenis, daar kon God, die zich in edelmoedigheid nooit laat overtreffen, van zijn kant de kroon van de mystieke begenadiging niet onthouden. En zoo bloeit dan reeds in de eerste eeuwen van het Christendom in Nederland het mystieke leven. We behoeven[5] niet te wachten, totdat er ook [6] sporen van te vinden zijn in de Nederlandsche literatuur, [7] de Latijnse levens der Heiligen bieden stof te over voor het eerste hoofdstuk van de Geschiedenis van de Nederlandsche Mystiek. [6]

Slechts geleidelijk kwam de Kerk der Nederlanden tot bloei. Nog lang werkten er allerlei heidensche invloeden na en hoewel er bloemen ontloken en lentegeur verspreidden, het was nog geen tuin in vollen bloei. Hier en daar zeker, waren er middelpunten van geestelijk leven, ik noem Maastricht en Utrecht en het zou weinig moeite kosten, uit dit eerste tijdperk onzer kerkelijke geschiedenis te wijzen op[8] den prachtigsten lentebloesem, die veel belooft[9] voor Nederlands Kerk, maar terwijl ik nog rondga door den tuin, daar komen de Noormannen als een vreeselijke Noordenwind die niet slechts de bloesemknoppen breekt en doet vallen, maar door verwoesting van kerken en moord op priesters en volk een beeld geeft van een stormwind, die den tak van den boom rukt en het nauw opbloeiend leven tot in den kiem schijnt te dooden. En niet slechts de Noormannen woedden, maar ook de oude veeten van de nog niet of slechts ten halve gekerstende stammen of [10] landvorsten, die elkander hun bezit betwisten, brengen verwoesting en dood. (Eeren wij een H. Jeroen als den glorieuzen Martelaar der Noormannen, in een Bisschop Frederik zien wij een slachtoffer van hartstocht en partijhaat van de ruwe weer halfverheidenschte bevolking. Daarnaast rijzen figuren van een H. Hungerus en een H. Radboud op den zetel van Utrecht, maar ook zij blijven enkelingen groot en sterk en aanvoerders van zeker velen, die hen volgden, maar er was nog geen algemeene opbloei. )

Maar de ijzeren eeuw wordt een zilveren en de zilveren een gouden en wij behoeven nauwelijks met eeuwen te rekenen om na[11] de droeve tiende in de elfde reeds het aanlichten te zien van een glorievoller tijdperk, een tijdperk, ik noemde het van zilver, omdat het den glans heeft van het zilver der morgenster, die de gouden zonne meldt, omdat het een tijd is van den eersten inkeer des volks, den eersten opbloei onder het volk van het kloosterleven, hier tot bloei gebracht[12] door de Cisterciensers in hun witte gewaad, de Norbertijnen in hun blank kanunnikenkleed. Zeker, [13] de Benedictijnen legden [14] de grondslagen van het kloosterleven in hun kloosterschool te Utrecht, maar hun instelling kon zich nauwelijks ontwikkelen tot een klooster in den vollen zin des woords. Het was een middelpunt van missieprediking, eerst laat[15] tot een klooster en een abdij gegroeid.

Gaarne zouden we eenige bloemen plukken uit die kloosterhoven in de tuinen van Utrecht, Rolduc, Aduard en zoovele andere, maar in dit overzicht moeten we ons al te zeer beperken. [7]

Intusschen nadert een bloeitijdperk van het geestelijk leven in Nederland. Het moge nog geen algemeene opleving zijn, het werd toch een beweging, dat wil zeggen, er ging een stroom van vernieuwing en verinniging door onze landen en met tientallen zoo niet bij honderdtallen wijdde men zich aan een God meer toegewijd leven. Waren er tot dan toe Heiligen geweest in Nederland, zij waren er en zelfs in niet geringe getale, [16] zij waren veeleer tegenstellingen dan bekroningen, veeleer lichtende fakkels in donkere nacht dan luchters ten sieraad bij daglicht.

Met een kleine wijziging in het lied aan Geertruyde van Oosten toegeschreven zouden we hier willen zingen:

Het daagde in onze landen
De zon scheen overal.

Wij zien het in den snellen bloei van de jonge Cistercienserskloosters, die in groote getale de jongelingen tot zich trokken, in den bloei eveneens van de kloosters der Cistercienserinnen[17], maar wij zien het nog sterker in de opkomst der Begijnen. Wij staan op het einde der twaalfde, het begin der dertiende eeuw, wij staan voor de figuur van een Hadewych en een Beatrijs van Nazareth, die met forschen klank een glorievol tijdperk van mystiek leven inluiden en steeds een roemvollen naam zullen behouden in onze Nederlandsche letterkunde door haar heerlijke en meesterlijke taal zoowel naar vorm als naar inhoud.

Het brandpunt dezer beweging mogen we wel zoeken te Nijvel, reeds eerbiedwaardig door de herinnering aan de H. Gertrudis maar al spoedig breidde de beweging zich uit en vereenigden zich op vele plaatsen vrome vrouwen en ook mannen om een Gode meer toegewijd leven te leiden. Een opbloei van het kloosterleven ging er aan vooraf en werd er evenzeer allerkrachtigst door bevorderd. En we mogen wel zeggen, dat de snelle uitbreiding, welke in de eerste helft en het midden der dertiende eeuw de bedelorden vonden, niet alleen moet worden verklaard, gelijk soms geschiedt, door dezer tegenstelling met de wereld, hier bedoeld de katholieke wereld, maar voor een groot deel omdat zij den grond reeds voorbereid vonden door de zucht naar vernieuwing en verinniging, welke zich in de begijnebeweging openbaart. ( Naast de Begijnen had men de Orden van [18] Penitentie, eveneens personen in de wereld, die een meer boetvaardig leven wilden leiden in tegenstelling met te groote weelde van anderen. Het zijn geen kloosterlingen maar brengen het streven naar hoogere volmaaktheid, in het klooster een plicht, over in de wereld om ook daar in dien geest te leven, zooals het nu de Derde Orden doen. [8]

Uit het nauwe verband met de Orde van Citeaux ligt het in den aard der zaak, dat hier te lande bij het eerst hoog opbloeien van de bloem der Mystiek de H. Bernardus de Meester is in dienst van den Hemelschen Hovenier en zijn invloed in de hoogste mate merkbaar is.

Zouden we mogen zeggen, dat tot de elfde en twaalfde eeuw hier te lande vooral de Engelsche en Iersche Benedictijnen invloed uitoefenden op de opvatting van het geestelijk leven en zich bij de vrij geringe ontvankelijkheid onder hun invloed een zeker eclectisme zich openbaart, een handelen naar omstandigheden, een zich aanpassen aan de nuchtere werkelijkheid, meer actief of werkzaam dan contemplatief of zuiver beschouwend leven, een mystiek die zich uit in daden en daden van liefde, naastenliefde als eerste uiting van liefde tot God. Er was nauwelijks tijd om met Maria aan Jezus voeten te knielen en te luisteren in stille genieting, het was nog de tijd om met haar de voeten des Heeren te zalven, Hem te dienen in het Apostolaat. Slechts enkele oogenblikken van genieting kon God hun schenken. Maar nu het geloof geheel het maatschappelijk leven is gaan beheerschen, nu de kerk der Nederlanden is opgebouwd, nu komen er werklieden vrij in den oogst en roept de Heer van den wijngaard enkele uitverkoren zielen naar den wijnkelder zijner genietingen om haar zijn Wijn te geven, wel met de myrrhe van het Lijden gekruid, maar die zóó juist haar dronken maakt van liefde tot Hem.

Deze taal van het Hooglied is ook de taal van den H. Bernardus, in geheel zijn omschrijving van het mystieke leven geleid door het woord der H. Schrift, maar vooral door het mystiek zoo bewonderenswaardig Hooglied. Hij is de Meester in de Mystiek van de liefde. Hij schakelt de schouwing niet uit, spreekt ook van de hoogere ziening, maar voor hem is de kennis van God geheel gericht op de liefde tot Hem en wordt het vonkje van goddelijken oorsprong in onze ziel wel een vuur, dat verlicht, maar bovenal ons in gloed zet en van liefde vervult. Daarom spreekt hij van liefde door wijsheid d.i. door inzicht verworven.

Omdat de liefde voor hem de band is, die God met den mensch en den mensch met God verbindt in het mystieke leven, kan het niet anders, of hij schildert ons dit leven als de opgang van de bruid tot haar Bruidegom Jezus, in haar versiering en tooi, in haar omhelzing en haar verloving en eindelijk in haar geestelijk huwelijk met Hem, d.w.z. in haar één-worden met haar Beminde. In vervoering, neen in verrukking wordt zij vaak in de overmaat harer liefde tot Hem getrokken en zij kan niet meer leven zonder Hem te zien en te genieten. Voor wie niet brandt van gelijke liefde, is die liefde niet te peilen of te begrijpen. [9]

Is het niet reeds, of wij Hadewych hooren, Hadewych, de zangeres der “Minne”, op wier lippen het woord “Minne” bestorven ligt:

Die Minne moet u doen bekinnen,
Hoe men met minnen mint in minnen.
(Mengeldichten, I.17-18.)

Op Hadewych zal ik hier niet in bijzonderheden ingaan.[19] Maar ik mag toch even aanhalen, wat Prof. Verwey van Leiden o.a. schreef in zijn Inleiding tot zijn vertaling van haar Vizioenen: “Wij hebben ons een kring voor te stellen, zoowel van adellijken als van geringgeborenen, en mannen zoowel als vrouwen, die Hadewychs gedichten liefhadden, die in haar zending en gezichten geloofden, die tot haar pelgrimden en van haar uitgingen; een kring, die, half binnen half buiten de wereld, in haar zijn midden had en haar met andere kringen, in eigen en vreemde streken, in verbinding bracht…. Rondom Hadewych zien we een buiten-kerkelijken, misschien was het juister te zeggen: een niet aan kerkelijke instelling of kloosterregels gebonden – maar door Religie en Poezie gewijde wereld, waarvan we nog weinig weten, en die toch in de ontwikkeling van het Nederlandsch religieus en dichterlijk leven van beteekenis moet zijn geweest. Het zou schoon zijn, als het onderzoek van Pater van Mierlo, die Hadewych in een te Nijvel wonende “beata Helwigis” meent herkend te hebben, onze kennis omtrent dit tijdperk vóór Maerlant vermeerderde, en als anderen hun nasporingen aan de zijne toevoegden.”

Reeds heeft een verder onderzoek ons de figuur van Zuster Beatrijs van Nazareth gebracht, die in haar “Seven Manieren van Minnen” blijk geeft tot dezelfde school van “Minnezangers” te behooren en niets schooners in dit leven vindt dan uiting te geven aan onze liefde tot God en geheel het leven wil ingericht zien, methodisch, om tot de hoogste uiting van liefde te komen en in die liefde het hoogste genot te vinden, waarborg van eeuwig genieten hiernamaals: “Wie opgaat in U, o Heer, hij gaat de vreugde zijns Heeren binnen. Hij heeft niets van Hem te vreezen, integendeel, hij zal niets dan goeds vinden bij Hem, die in goedheid allen overtreft. Hij zal geestelijk één met Hem zijn in onverbreekbaren trouw en in eeuwige liefde.” Of gelijk Beatrijs het in haar taal zooveel mooier en inniger schrijft: o, here, die ingheet in Di, hi geet in die bliscap syns heren. Ende hine sal heme niet ontsien, maer hi sal hem hebben alrebest in den alrebesten, al één geest met Heme in onscedelijker trouwen en de in eweliker minnen.” [10]

Beatrijs is waarschijnlijk nog iets ouder dan Hadewych, maar Hadewych is zonder tegenspraak de meesteresse der school. Maar het verhoogt haar waarde, dat wij haar als zoodanig mogen[20] zien, niet als een enkeling. Het zou weinig moeite kosten, haar in verband te brengen met een Ida van Nijvel en andere vrome maagden uit de Belgische Cistercienserinnenkloosters met allerlei andere heilige personen Minderbroeders Predikheeren, van wie wij nog de Latijnsche levens bezitten, maar doordat zij niet leefden binnen onze landsgrenzen en haar leven en werken niet werden geschreven of bewaard in de Nederlandsche taal en aldus niet tot onze Letterkunde behooren, meenen wij aan haar slechts voorbijgaande aandacht te mogen schenken, waar wij spreken over de Mystiek in Nederland. Iets anders is het met Hadewych en Beatrijs, wier leven en wier werken wel zullen liggen op den Belgischen grond, maar wier taal haar den tuin onzer Letterkunde heeft binnengeleid en haar werken reeds van de vroegste tijden in ons vaderland deed lezen en van invloed zijn.

Hetzelfde geldt in nog hoogere mate van hem, die zoo dikwijls de Vader wordt genoemd van de Nederlandsche Mystiek Ruusbroec, den Wonderbare.

( Het zou van belang kunnen zijn, hier eerst nog te wijzen op den kluizenaar Broeder Gheraert Appelmans, van wien Pater Dr. Reypens ons in het nieuwe tijdschrift Ons Geestelijk Erf een mooi mystiek tractaatje tot nu toe onbekend heeft meegedeeld en die in de laatste helft der 13de eeuw of het begin der 14de schijnt te hebben geleefd, maar we kunnen slechts de groote lijnen geven. Merkwaardig is intusschen zeker dit nieuw gevonden geestelijk tractaat. De kring, die het vorig jaar besloot, het tijdschrift “Ons Geestelijk Erf” uit te geven, heeft nog menigen schat in bewerking, waardoor blijken zal, hoe uit den eersten tijd onzer Vaderlandsche letterkunde de producten minder schaars zijn, dan men wel meent en hoe geleidelijk een heel nieuwe kijk op onze oudste literatuur zal kunnen worden gegeven. Al te zeer is dit gedeelte onzer Nederlandsche letterkunde verwaarloosd. Reeds Prof. Moll, die zooveel deed voor de Nederlandsche Kerkgeschiedenis, die ook menig oud tractaatje uit de stoffige archieven te voorschijn haalde, deed zeventig, tachtig jaar geleden een dringenden oproep tot de beoefenaars onzer taal en letteren, toch naar die oude schatten te zoeken. Enkelen, heel enkelen hebben er gehoor aan gegeven, ook weer met verrassend resultaat, maar we kunnen er niet genoeg op aandringen, dat men de Redactie van het nieuwe tijdschrift “Ons Geestelijk Erf” steunt bij zijn uitgebreide pogingen, die oude erfgoederen weder tot algemeen bezit te maken, niet slechts tot verrijking onzer kennis van de Nederlandsche taal en letterkunde, [11] maar mede om in te leven in de heerlijke gedachte, welke uit zoovele van die oudste geestelijke werken spreekt. Wij hebben bovendien in Nijmegen een leerstoel en een Instituut voor N.L met een afdeeling voor de Geschiedenis der Nederlandsche Mystiek, maar wie helpt mij, daar samen te brengen uit alle landen van Europa, wat daar in allerlei bibliotheken en archieven verspreid ligt aan schatten onzer oude geestelijke literatuur natuurlijk niet in origineel – zulke dingen staat men niet meer af – maar in goede fotografiëen, zoodat zij te Nijmegen met elkander kunnen worden vergeleken, beschreven en bestudeerd. Het zou niet geringe kosten medebrengen, maar men zou er een goudmijn mee stichten, een goudmijn, waaruit groote schatten zouden kunnen worden opgedolven zoowel voor de wetenschap als voor de verinniging van het geestelijk leven. Nog eens, wie helpt[21]? Gaarne geef ik, wie er iets voor voelt uitvoerige nadere inlichtingen.

Keeren wij tot Ruusbroec terug, de glorie der Nederlandsche Mystiek. Maar ook over hem moet ik wel kort zijn.[22] Indien[23] iemand het verdient, meer door Nederland bekend te zijn, dan is het deze prior van Groenendael bij Brussel, die daar in de 14de eeuw een school stichtte van geestelijk leven, welke een heele vernieuwing bracht en den grootsten invloed had op de ontwikkeling van het geestelijk leven in deze streken. Ruusbroec is de schrijver van “De Chierheyt der geesteliker Brulocht”, dit mogen we als zijn hoofdwerk beschouwen. In hem leeft dus nog sterk de bruidsmystiek voort, de mystiek der Minne, in zoo sterke taal, door Hadewych bezongen. Maar bij Ruusbroec is de taal minder hevig. Er is een nieuw element in het mystieke leven getreden. Naast de streving van het begeervermogen is een groote plaats ingeruimd aan de schouwing van het kenvermogen, naast de werking van den wil eischt de werking van het verstand haar rechten op, naast de uiting der liefde komt de ontwikkeling der kennis. Weinig waarde wordt weliswaar gehecht aan de werking van ons natuurlijk verstand, maar des te meer aan de goddelijke verlichting. Gelijk de Hemel bestaat in de schouwing Gods in[24] goddelijk licht zoo moet ook op aarde de heerlijkheid van het mystieke leven worden gezocht in de schouwing door goddelijke verlichting en begenadiging. Zeker, het element der liefde ontbreekt allerminst, maar een meer verstandelijk, intellectualistisch opgevatte mystiek heeft toch de overhand, zij het in Ruusbroec, die onder een dubbelen invloed stond, zeer gematigd.

We spraken boven van een eersten Engelschen invloed door de Engelsche en Iersche Benedictijnen en we dachten daar bijzonder aan den H. Beda, den eerbiedwaardige, later versterkt in den invloed van den H. Anselmus. Daarna onderscheidden we een [12] Franschen invloed, meer in het affectieve zich uitend, waarbij als grootmeester de H. Bernardus naar voren komt. Thans zien we ook Duitsche invloeden in niet geringe mate werkzaam. Hier overheerscht het speculatieve. Hier treedt naast een H. Bernardus vooral de Pseudo-Dionysius de Areopagiet als meester naar voren. Zeker, zijn werken waren in de 9de eeuw reeds vertaald door Scotus Eriugena, maar zijn standpunt was al te speculatief en vond vooral in Frankrijk en Engeland weinig aanhang, maar in de school van Sint Victor bij Parijs, een krachtig centrum van geestelijk leven, wist een Hugo van Sint Victor en misschien nog meer Richard van Sint Victor de leer van den Pseudo-Dionysius op meer gematigde wijze dienstbaar te maken aan de theorie der mystiek en we kunnen dan ook de school van sint Victor beschouwen als de voornaamste verspreiders der Dionysiaansche gedachte. Zij lag wel in Frankrijk, maar was daarom nog niet specifiek Fransch. De groote theoloog der school, Hugo, was een Duitscher, wellicht uit Saksen. Wat in de school van sint Victor met zekere gematigdheid werd voorgedragen, werd in Duitschland vooral in steeds sterker bewoordingen gezegd en bereikte in Eckhart wel de meest krasse uitdrukking, die nog voor goeden uitleg vatbaar is. Het kan niet ontkend worden, dat de geest van Eckhardt ook in Nederland rondwaarde. Men heeft de Nederlansche niet zelden met de Duitsche samengevat onder den verzamelnaam “Germaansche Mystiek.” Ruusbroec wordt wel eens wat te veel als een leerling dezer school gezien. Hij moge verwant zijn aan Tauler, die hem zelfs zou hebben bezocht, hij moge aan de schouwing een zeer hooge plaats hebben ingeruimd, hij moge van de Duitsche school heel veel mooie elementen bezitten, zijn figuur is er eene van den bewandelaar van den[25] middenweg, in wien de min of meer tegengestelde scholen der affectieve en der intellectualistische richting een tusschenpersoon vinden, die beiden op de meest harmonische wijze recht laat wedervaren. Dat is een niet geringe glorie voor Ruusbroec. Het zegt, dat hij de waarheid scherp heeft aangevoeld en ze breed heeft bezien en ervaren.

Nu ik van deze twee richtingen spreek, kan het niet anders of ik moet hier wijzen op de groote vertegenwoordigers er van in de groote kloosterorden en dan zien wij de zonen van den hartstochtelijken zanger van het zonnelied, den van liefde verteerden Bruidegom der Armoede, geleid door een doctor, die den naam draagt van seraphijnsch, St. Bonaventura, de Minderbroeders in hoofdzaak aan de zijde der affectief georienteerden, terwijl wij de Predikers der kerkleer, gewapend met de Fakkel der verlichting, geleid door den Meester der School, St. Thomas, de Dominicanen, vooral in Duitschland sterk georiënteerd zien naar de schouwing des verstand als het hoogste in onze menschelijke natuur, waaraan de liefde ondergeschikt is als een noodzakelijk gevolg. [13]

( De invloed dezer beide scholen moeten we niet gering achten. De Minderbroeders en de Predikheeren waren de twee grootsten der Bedelorden, d.i. der Paters, die over het geheele land predikten en biechthoorden, in de leiding van het geestelijk leven een buitengewoon voorname rol vervulden. Al mogen we van de leden dezer beide Orden betrekkelijk weinig geschriften bezitten van Nederlandschen oorsprong of in de Nederlandsche taal, de Orden hadden een richting, die zich duidelijk genoeg weerspiegelt in tal van bekende geschriften van internationale beteekenis en strekking. En we zouden den ontwikkelingsgang van het geestelijk leven in Nederland niet kunnen schetsen zonder te denken aan het groote aandeel, dat deze beide scholen op die ontwikkeling hadden. ( Een niet onbeteekenende plaats nemen tusschen hen de Carmelieten in, die hoewel meer naar den intellectualistischen kant, de Dominicaansche school gericht, deze met een zekere terughoudendheid aanhangen en er op uit schijnen, als Ruusbroec een gulden middenweg te bewandelen, wiens overeenkomst met de latere grootmeesteres der Carmelmystiek de H. Teresia van Avila, tot in de terminologie frappant is. Twee bijzondere godsvruchten kwamen in dezen tijd het godsdienstig leven versterken en drukken ook een stempel op de Mystiek van dezen tijd. De eerste meest algemeene is die tot de Menschheid, en meer in het bijzonder het Lijden van Christus, waarin de Minderbroeders zeker als toonaangevend boven aanstaan. De tweede is die tot de H. Maagd Maria, waarin zeker de Dominicanen met de verspreiding van den Rozenkrans een leidende rol speelden, doch de Carmelieten in den volksmond “de Lieve-Vrouwebroeders” mede een[26]eereplaats innemen. Hoeveel verhalen van het Leven en Lijden des Heeren kent niet onze oude Literatuur, vertaalde, vrij bewerkte zoowel als oorspronkelijke, voorzoover hier van oorspronkelijkheid tenminste sprake kan zijn. Maar niet minder, hoeveel legenden zijn er niet in omloop, waarin Maria de middelares is voor onze vereeniging met God. Wij mogen niet zeggen, dat het soms niet te ver gaat. Vele dier legenden mogen als uiting van vereering van Maria zijn te waardeeren, niet alle zijn een even mooi beeld van het innig leven met God.

Beide waren uiting van een nieuwe beweging, waarin de Mystiek geleidelijk meer menschelijk werd opgevat. De Godheid werd niet zoozeer meer gezien als de God in den Hemel, hoog verheven boven alwat wij op aarde kennen en zien, maar als de Christus menschgeworden, als de God met ons, met de oogen des lichaams te zien, met het geheugen zich te herinneren, met de verbeelding zich steeds weder levendig voor te stellen. Niet het verstand alleen sprak mee in het mystieke leven, maar het werd een opgang van heel den mensch, met al zijn vermogens, ook met die van het lichaam. En waar men God zocht op aarde onder zintuigelijk kenbare vormen, daar vond men het Kind met zijne Moeder. [14]

In de Wijsbegeerte kent men in dezen tijd den opbloei van het Aristotelisme, d.w.z. van de leer, dat wij onze kennis niet verwerven door ingeboorte, instorting en ontwikkeling der gedachte in onzen geest, door verplaatsing van onzen geest in een wereld van ideeen, een onthechting van den geest aan de zinnen, die als heel het lichaam voor den geest niets zijn dan een belemmering, een kerker, iets, waarvan zich de geest moet losmaken, maar veeleer van afhankelijkheid des geestes van het lichaam voor de ontwikkeling der kennis, die verworven moet worden door in het eerst zintuigelijk verworven beeld, het zintuigelijke terug te dringen en het verstandelijke dan alleen op onzen geest te laten inwerken, zoodat geen kennis verkregen wordt tenzij[27] langs den weg van het zintuig en wij derhalve ons best moeten doen, de zintuigelijke beelden te vermenigvuldigen en ook voor de kennis en de schouwing Gods allereerst moeten gaan tot de zintuigelijke voorstelling van geheugen en verbeelding om daaruit ons de Godheid te doen tegenstralen. Zoo kwam de werkelijkheid, de natuur meer op den voorgrond, eerst nog sterk als symbool van de idee, als symbool van het ongeziene, maar geleidelijk als in zichzelf de heerlijkheid Gods openbarend. We zien dit ook weerspiegeld in de kerkelijke kunst. Het aantal verbeeldingselementen neemt toe, kerkgebouwen en kerkmeubelen zijn gothische bosschen, vol dieren en planten, maar louter als symbool, totdat geleidelijk het symbolische verdwijnt en de vorm, eerst van ondergeschikt belang, omdat de idee de hoofdzaak was, nu meer op den voorgrond treedt en zoo de kunst beeld van het godsdienstig leven hoe langer hoe meer veruiterlijkt. )

Zeer sterk zien we dit[28] in de Moderne Devotie, iets moois, iets heerlijks, het schoonste, dat we in onze Nederlandsche literatuur bezitten, maar bij alle schoonheid, welke haar eigen is, een gevaar insluitend, waaraan zij ten gronde is gegaan.

Ik bedoel hier de beweging van Geert Groote en zijn school, zoo dikwijls aangehaald als de voorloopers van het Protestantisme, maar als men ze in hun werkelijke beteekenis beziet, een school van geheel tegengestelde strekking in het geestelijk leven, al zijn er bij alle punten van onderscheid enkele punten van verwantschap. Beiden kwamen voort uit een zucht naar vernieuwing, naar verinnerlijking van het godsdienstig leven, maar op geheel andere wijze, geleid door heel andere opvatting.

Anders is het standpunt van Geert Groote en Luther, maar anders was ook reeds het standpunt van Geert Groote en zijn groote leermeester Ruusbroec.

“Ruysbroeck”, zegt Dom Huyben in een artikel in “Ons Geestelijk Erf”, is ten ontzent een der laatste vertegenwoordigers van die hoog-idealistische wereldbeschouwing der middeleeuwers, die zoo krachtig tot uiting komt in hun voorliefde voor de symboliek. [15] Na hem verandert dat alles.… De oude werken over de natuurlijke historie worden nog wel geraadpleegd, doch uitsluitend om er de dingen vanuit het realistisch standpunt te bestudeeren in hun concrete uiterlijkheid. Naarmate in de XIVe eeuw de groei der experimenteele wetenschap toeneemt, verdwijnt de bloei der symboliek. Nergens blijkt dat duidelijker dan bij Geert Groote, Ruysbroeck’s vriend en tijdgenoot. Ruysbroeck en Groote staan tegenover elkander als de verpersoonlijking van twee tegenovergestelde geestesrichtingen. De brabantsche mysticus is in vele opzichten de man gebleven der vroegere middeleeuwen, die zich weinig bekommert om wetenschappelijke akribie: zijn blik staart onmiddellijk op het onzichtbare, in de vaste overtuiging, dat er in hetgeen wij niet zien, veel meer werkelijkheid en waarheid schuilt, dan in hetgeen ons oog ontwaart. Groote, integendeel, kondigt reeds de moderne tijden aan: hij eischt voor alles ’n trouwe weergave der stoffelijke realiteit en voelt weinig voor symboliek en hooge bespiegelingen. In hem herkennen we …. den nominalist, die geen waarde hecht aan het universeele en zuiver ideeele, maar slechts oog heeft voor het onmiddellijk tastbare, voor de concrete werkelijkheid, zooals ze zich door de proefondervindelijke wetenschap laat constateeren.

O, Groote had hooge vereering voor Ruusbroec, tweemaal maakte hij een lange reis naar Belgisch Brabant om er Ruusbroec te bezoeken en hij bleef er een keer bijna een half jaar en later schreef hij, dat hij altijd aan zijn voeten zou willen neerzitten om zijn hemelsche wijsheid te genieten en zijn verheven lessen te volgen, hij was vol bewondering voor het heilig leven van Ruusbroec en de zijnen en droomde er van, naar het model van Ruusbroec’s klooster ook in Noord-Nederland een klooster te stichten tot een middelpunt van geestelijk leven. Het bleef hem voor den geest zweven tot zijn dood. Na zijn dood werd het door zijn leerling Florens Radewijnsz verwerkelijkt en als leermeesters koos deze monniken uit Eemstein bij Dordrecht, op hun beurt gevormd door monniken uit Groenendael, Ruusbroec’s klooster. Maar Groote en Radewijnsz waren mannen van de daad, mannen die het leven practisch en zeer nuchter opvatten, die eerbied, grooten eerbied hadden voor hetgeen verkeer scheen met God, maar er sterk den nadruk op legden, dat de hoofdzaak is, dat wij ons voor de goddelijke inwerking ontvankelijk maken. De begenadiging zelve was voor hen wel[29] een heerlijk loon, door God aan zijn minnende zielen geschonken, maar iets, eigenlijk van bijkomstigen aard, waarop we niet alleen niet moeten rekenen, maar ook niet te veel moeten bouwen. Niet wat God doet, moet ons vooral bezig houden, maar wat wijzelve hebben te doen. [16]

Niet zoozeer in de bespiegeling van het onzichtbare moeten we ons verliezen, maar vooral de menschheid en het lijden van Christus overwegen en ons aan Hem gelijkvormig maken. Florens Radewijnsz gaat zoover, dat als een H. Bonaventura, dien hij in een van zijn tractaten op den voet volgt, na de beschrijving van het Lijden des Heeren, den blik richt naar Verrijzenis en Hemelvaart, hij in plaats daarvan gaat naar het graf des Heeren en de beschouwing der verheerlijking liever voorbijgaat.

Men kan dit standpunt prijzen, gelijk het te prijzen is, men kan er vrij in zien een der redenen, waarom in dat tijdperk juist de Nederlandsche Mystiek het hoogst is opgebloeid, en toch begrijpen, dat er gevaar schuilt in deze zeer nuchtere, practische en concrete opvatting van het mystieke leven.

Een der schitterendste middelpunten van mystiek leven was in het bloeitijdperk der moderne devotie zeker het klooster der Zusters te Diepenveen en onder de vele hoogbegenadigde Zusters neemt een Catharina van Naaldwijk zeker een voorname plaats in. Zij gaat zoo geheel op in de beschouwing van haar Bruidegom Jezus, dat het haar is, of zij Hem hoort en ziet en Hij haar uitlegt, wat tot haar bruidstooi moet behooren, als zij Hem wil ontmoeten. Zij schildert dan op innige wijze hoe de ziel zich moet voorbereiden tot de komst des Bruidegoms om bruiloft met Hem te mogen houden en zich geheel aan Hem te binden. ( Als zij dit aan haar geestelijken leidsman, een Minderbroeder openbaart en deze haar vraagt, waarom zij dit niet in het klooster bekend maakt, antwoordt zij: “daer holt men ’t al voer fantesyen ende cranckheit des hovedes, dat daer geapenbaert wort”. Dat bij die kritische gezindheid, bij die opvatting, dat steeds de nadruk moet worden gelegd op onze ‘bereiding’, op het zich brengen en houden in de vereischte gesteltenis, toch zoovele voorbeelden van mystieke begenadiging juist uit dit klooster bekend zijn, is zeker een bewijs, dat daar de ervaring van de goddelijke tegenwoordigheid wel zeer sterk moet zijn geweest, in vele gevallen onwederstaanbaar. Wij zien er bovendien een groote nederigheid, den diepsten ootmoed en anderzijds de meest oprechte liefde tot anderen en dienstvaardigheid mee gepaard gaan, wel geen bewijzen, maar toch zeer sterk sprekende aanwijzingen voor de echtheid dezer mystiek. )

Naast Catharina van Naaldwijk noemen we een Hendrik Mande, den ziener van Windesheim niet alleen, maar de schrijver ook van zoo menige innige verhandeling over het geestelijk leven, waaronder die van de drie staten van den mensch, die zich bekeert, en van de inrichting van de woning ons harten om er den Heer te ontvangen, met betrekking tot de mystiek van groote beteekenis mogen worden genoemd. Dan Gerlach Peters, misschien met nog meer recht dan Mande de Ruusbroec van het [17] Noorden te noemen, wiens Samenspraak en Alleenspraak met den Heer en brieven aan zijn zuster Lubbe Petersz nog heden getuigenis afleggen van zijn mooie opvatting van de vereeniging van den mensch met God reeds in dit leven. Nog noem ik Gerard Zerbolt van Zutfen, den ijveraar met vele anderen van den kring, voor het schrijven en lezen van de geestelijke geschriften in de volkstaal, wiens werkje over de Opklimming des Geestes naar God, omstreeks 1500 in Spanje, in Frankrijk en Duitschland gedrukt, niet weinig bijdroeg om de Nederlandsche opvatting van het geestelijk leven in de Germaansche en Romaansche landen te verbreiden. Daartoe droeg ook de Navolging van Christus, geheel in den geest der Windesheimers door Thomas a Kempis samengesteld, niet weinig bij. Ja, groot is in dien tijd de invloed van Nederland geweest. Hebben wij in onze literatuur veel bewijzen van afhankelijkheid onzer literatuur van die der omliggende landen, het is zeker, dat wat de geestelijke literatuur betreft, heeft gegolden, zelfs vrij langen tijd, Neerlandia docet, Nederland heeft de leiding. Het is daarom van nationaal belang, dat wij die geestelijke literatuur meer bestudeeren, beter leeren en doen kennen.

Waar zij zoo sterk den nadruk leggen op de noodzakelijkheid der menschelijke medewerking, op het systematisch beoefenen der deugden om Gods genade en bijzondere begenadiging deelachtig te worden, daar is het onbegrijpelijk, hoe men om enkele oppervlakkige punten van overeenkomst en oorsprong, een voorbereiding van de Hervorming heeft willen zien in de beweging tot vernieuwing en verinniging, door Geert Groote, de Broeders van het Gemeene Leven en de Windesheimer kring begonnen.

Als men dezen kring iets te verwijten heeft, dan zou het zijn, dat zij het mystieke leven misschien wel wat al te zeer van den menschelijken kant heeft gezien, het zwaartepunt wat veel heeft verlegd naar onze voorbereiding en goede werken, met het gevolg, dat het goddelijke steeds meer buiten beschouwing bleef en aldus het gewone deugdleven trad in de plaats van de mystieke vereeniging.

( Een mooie bloem uit dien tuin, althans door bloemen uit den tuin bestoven en vruchtbaar gemaakt is de H. Liduina, de lijderes en zieneres van Schiedam, wier leven vooral door Pater Brugman en Thomas a Kempis in breeden kring is bekend geworden als een zeldzaam voorbeeld van met wonderbare volharding en moed nagestreefde gelijkvormigheid met den lijdenden Jezus, en door het meest innig verkeer met God en zijn Heiligen beloond. Een eeuw vroeger was ook reeds Geertruide van Oosten te Delft als gestigmatiseerde een levende herinnering aan Christus’ lijden, maar bij Liduina ging dit vergezeld van zooveel ander lichamelijk lijden, dat zij in [18] onze geschiedenis als het meest sprekende beeld van den lijdenden Verlosser geldt. )

Een geheel andere richting sloeg de Hervorming in. Ook zij zocht vernieuwing en wij zien Luther in zijn besten tijd grijpen naar Tauler en naar wat hij de beste samenvatting achtte van Tauler’s leer, het werkje, door hem gevonden en uitgegeven onder den titel “Een Theologie in het Duitsch”, dat zeer sterk den nadruk legt op de schouwing door het verstand en de begenadiging door God op wiens goedheid wij hebben te vertrouwen, in wiens werkzaamheid in ons wij hebben te gelooven, maar wiens genade en begenadiging wij niet kunnen voorbereiden door onze werken. Er lag in dien opzet van Luther iets moois, iets, dat het geestelijk leven behoefde, een verinniging na den misschien al te sterk gelegden nadruk op het uiterlijke en het menschelijke, maar de goed ingezette reactie ging spoedig te ver en predikte behoud door geloof met een veel geringer waardeering van de beteekenis der[30] goede werken.

Hier redde Canisius veel. Tegenover Luther’s samenvatting van Tauler, door velen misverstaan en eenzijdig opgevat, stelde hij zijn vertaling van Tauler en al moest ook deze een tijdlang op den achtergrond worden gedrongen, omdat men ook deze in den stroom van den tijd, in te eenzijdigen zin begreep en uitlegde, toen de eerste storm geluwd was, begon vooral van uit Spanje een nieuwe op Tauler weer voortbouwende, door Nederlandschen invloed voor eenzijdige opvatting bewaarde mystiek door de meesterlijke leiding van een Teresia en een Joannes van het Kruis haar werk van verinniging. In Belgie ontstond aldus in de 17de eeuw een nieuwe school van hoog geestelijk leven dat weerklank vond in Noord-Nederland niet alleen, maar zelfs in Frankrijk voor een niet gering deel de richting van het geestelijk leven bepaalde. Lag in de 15de eeuw het zwaartepunt van den Nederlandschen invloed in den Windesheimer kring, dus in Noord-Nederland, meer in het bijzonder in Overijssel, in de 17de lag het in Zuid-Nederland, in Brabant.

Liet de tijd het toe, ik zou nog spreken van hetgeen den naam mystiek draagt in de geschriften van Jan Luiken, den leerling van den Duitschen wijsgeer-mysticus Böhme, Van Coornhert, van een de Spinoza, van de theosophen van den tegenwoordigen tijd, schrijvers en stelsels, die den mensch voorstellen in inniger verband met de Godheid en in zooverre in dezen tijd van verwijdering van God iets aantrekkelijks bieden, maar van den anderen kant toch zooveel elementen bevatten, welke hun opvatting als stelsel onaannemelijk maken, dat wij er niet het beeld in kunnen zien van de ware mystiek, de ware eenheid, welke de mensch met God heeft en kan verwerven. [19]

Ik moet mijn rondgang door den hof der Mystiek beëindigen. Bloemen staan er aan alle zijden, bloemen in de meest schitterende pracht, omdat zij beschenen worden door Hem, die de Zon is bij uitstek, het Eeuwige Licht, dat zich over ons uitgiet en in ons uitstraalt, als wij ons niet hullen in de nevelen der hartstocht, het Licht, dat wij ons uit alle dingen zien tegenstralen, als ons oog gelijk Gerlach Petersz het zoo mooi uitdrukt, maar helder is en ontvankelijk voor dat Licht, m.a.w. als wij maar Godszoekers zijn, begeerig Hem te vinden en bij ons te hebben, omdat wij Hem lief hebben, omdat het ons een vreugde is, Hem te bezitten en te genieten.

God is ons zoo nabij en wij dragen Hem zoo ver weg uit ons leven. Alwat bestaat, bestaat onder zijn werking dus onder zijn tegenwoordigheid, dat zegt ons het gezond verstand zonder alle openbaring. Deze leert ons, dat Hij is met de zijnen in zijn Kerk op nog bijzondere wijze en Hij medewerkend optreedt bij al hun werken om die beteekenis te geven voor een loon, dat Hij ons wil schenken in den Hemel. Waar Hij zoo bij ons is en in ons is en in ons werkt en leeft, daar moesten wij meer met Hem medeleven en van onze voorvaderen leeren die innigheid, waarmede zij met Hem allervertrouwelijkst omgingen, tot Hem spraken, naar Hem luisterden.

Het leven krijgt dan een heel ander aanzien. In plaats van alle genot in uiterlijke verstrooiing te zoeken ligt er dan genot in de ingekeerdheid, in het in zichzelven treden om in onszelve God te vinden, in ons hart, waarvan wij een tuin moeten maken, een tuin waar de bloemen van deugd de woontent sieren van den Bruidegom, aan wie de ziel als zijn Bruid dat hart verpandt om het nog slechts voor Hem te doen kloppen, d.w.z. nog slechts te doen verlangen, wat Hij verlangt, te doen verfoeien, wat Hij verfoeit, in een woord, één te zijn in de liefde.

Die liefde zouden wij willen bezitten, want, ja, wij zien het als iets moois, dat innige leven met God. Met duizenden en duizenden zoeken wij God en zouden wij Hem willen zien en bezitten. Maar die liefde wordt niet ons deel, als wij niet ons best doen, Hem te zien, daar waar Hij zich aan ons openbaart, in alle beelden, welke Hij van Zich geeft in alwat goed en schoon is op deze wereld. Zien we daar een afstraling van zijn glorie, een werk van zijn hand, dan komen we geleidelijk verder en zullen wij spoedig gewoon zijn, Hem overal te zien en het dichtst bij ons in onszelve om Hem daar te bezitten en te blijven bezitten zeker hier met onderbreking, omdat wij niet steeds met die beschouwing Gods kunnen doorgaan, maar eens voor eeuwig, in den Hemel, waarheen ons leide de hand onzer Moeder Maria.


  1. Typescript of a radio speech, 19 pages. Undated. Probably this is the speech Titus Brandsma held for K.R.O. Radio on Sunday 11 December 1927 under the title of ‘Mystiek in Nederland’. With a pencil some corrections are made and some lines are placed between brackets (perhaps to shorten the speech). We give these corrections and brackets in italics.
  2. Crossed out is: ‘Van een H. Servatius lezen we, dat hij twee of drie dagen vaak in gebed bleef zonder aan eten of drinken behoefte te gevoelen of althans daaraan te voldoen’. Probably this line is crossed out because the same content is written on the next page.
  3. Crossed out is: ‘voor ogen’.
  4. Crossed out is: ‘en zijn milddadigheid kent geen grenzen’
  5. ’leven en behoeven we’ is corrected to ‘leven. We behoeven’.
  6. Crossed out is ‘de’.
  7. Crossed out is: ‘maar bieden’.
  8. ‘boomen te zien in’ is corrected to: ‘te wijzen in’.
  9. ’beloven’ is corrected to ‘belooft’.
  10. Crossed out is: ‘heerschzuchtige’.
  11. ’van’ is corrected to ‘na’.
  12. ‘ingevoerd’ is corrected to: ‘tot bloei gebracht’.
  13. Crossed out is: ‘ook’.
  14. Crossed out is: ‘eens’.
  15. ’later’ is corrected to ‘laat’.
  16. Crossed out is: ‘maar’.
  17. In the typescript: Cistercerinnen’.
  18. Crossed out is: ‘de’.
  19. Crossed out: ‘omdat ik over haar nog een avond zal mogen spreken’.
  20. ‘weten te’ is corrected to ‘mogen’.
  21. Crossed out is: ‘mij’.
  22. Crossed out is: ‘omdat ik op een anderen avond nog uitvoerig over hem zal kunnen worden gesproken’.
  23. Crossed out is: ‘ook’.
  24. Crossed out is: ‘het’.
  25. ’der’ is corrected to ‘van den’.
  26. ‘wel de’ is corrected to: ‘mede een’.
  27. ’dan’ is corrected to ‘tenzij’.
  28. ‘Hetzelfde zien we’ is corrected to: ‘Zeer sterk zien we dit’.
  29. ‘veeleer’ is corrected to: ‘wel’.
  30. ‘voorbijzien van de noodzakelijkheid van’ is corrected to: ‘een veel geringer waardeering van de beteekenis der’.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021