Mystiek in Nederland

Undated

(Radio?) Speech

 


MR.

Mystiek in Nederland

(Radio?) Speech[1]


Ik mag dan spreken over ‘Mystiek in Nederland’, trachten U een overzicht te geven – het kan niet anders zijn dan een zeer schematisch – van den geschiedenis van wat men noemt ‘de Nederlandsche Mystiek’.

Mystiek is voor mij het heerlijkste, het mooiste in onzen H. Godsdienst, een voorsmaak van den Hemel, omdat zij de vereeniging, de innigste vereeniging laat zien van den mensch met God en van God met den mensch.

Die Mystiek ontbrak nooit in de Kerk. Zij is de bloem, waarin de plant des Geloofs en der Genade haar pracht ten toon spreidt in de weelde van haar levenskracht, God wilde, dat zijn kinderen het leven zouden hebben, het leven van geloof en genade, maar Hij wilde, dat zij het overvloedig zouden hebben. Dat leven moest tintelen en gloeien, stralen en lichten. God, die Zich zoo gaarne schuil houdt achter de nevelen des verstands zoowel als achter de raadselen en geheimen des Geloofs, scheurt nu en dan de wolken uiteen om met een enkel straaltje van zijn zon het leven in een anderen tint te zetten, anders te laten bezien, met goud te overgieten, tot iets te stempelen niet alleen van ons, maar ook van Hem.

God is ons zoo nabij, maar wij zien Hem niet, wij worden Hem slechts gewaar in de flauwe weerspiegeling van zijn Wezen in het schepsel, waaruit ons verstand zijn tegenwoordigheid moet afleiden, maar waarin wij Hem niet onmiddellijk gewaar worden. Sint Paulus zegt, dat we niet te verontschuldigen zijn, als wij dit niet doen, wat wel insluit, dat zijn tegenwoordigheid, zij moge dan niet onmiddellijk worden gekend, niettemin duidelijk tot ons spreekt.[2] De niet-noodzakelijkheid van ons wezen, ook al bestaat dit, predikt ons bij voortduring onze afhankelijkheid, onze schepping, Gods werk in ons, dat een is met zijn Wezen, zoodat wij uit de beschouwing van onszelve reeds zonder moeite met ons verstand komen tot de erkenning van Gods zijn in ons.

Nog inniger is God met ons wezen verbonden door de genade, die Hij ons schenkt en waardoor Hij het medebeginsel is van onze handelingen in zooverre zij verricht worden in vereeniging met Hem en daardoor door God zelf geordend zijn tot het verwerven van onze vereeniging met Hem in den Hemel. Die genade kennen we echter slechts door het Geloof.

Maar als rede zoowel als geloof ons onszelve doen kennen als dragers van God. Als God in ons is, God, de levende God, die overvloeit van liefde, hoe kan het dan haast anders, of nu en dan wordt het Hem, om zoo te zeggen, te machtig om Zich nog verder schuil te houden voor het hart, dat naar zijn aanschijn [2] verlangt, en geeft Hij reeds hier op aarde een voorsmaak van wat de Hemel eens in eeuwigheid voor ons zijn zal, de schouwing Gods, het besef en de gewaarwording van eenheid met God, een enkele maal zelfs de onmiddellijke kennis van God niet langer in spiegelbeelden en in raadselen, maar van aanschijn tot aanschijn.

Die innerlijke beroering Gods, die genieting van zijn heerlijkheid, dat gebruik mogen maken en voelen van zijn kracht, dat zien van God als bron en laatste oorzaak, als den diepsten grond van alwat is, in het ding zelf, dat Hij heeft gemaakt, nog maakt, eeuwig maakt, in stand houdt zoolang het zal bestaan, met zijn werking en dus met zijn wezen vervult, het brengt ons God zoo nabij, het maakt ons zoo een met Hem. Wij slaan Hem gade, wij speuren zijn wegen na, en zoo verborgen is God niet, wil Hij niet zijn, of voor het vindingrijke minnende hart is Hij te ontdekken, aan het van heimwee smachtende hart openbaart Hij Zich. Hij staat aan de deur en klopt en wacht, dat Hem wordt opengedaan.

Zoo heeft Hij ook Nederland gezocht, geklopt aan de poorten van ons vaderland. Zoo heeft Hij Zich ook in Nederland doen kennen. Zoo heeft Hij Zich ook aan ons Nederlandsche volk willen openbaren.

Maar de Mystiek is meer dan de openbaring Gods. Als zij de vereeniging van God met den mensch doet zien, dan heeft zij haar menschelijke zijde. Zooals de bloem zich in de ongeziene stralen der zon naar deze bron van licht en warmte richt, zoo richt zich ook het menschelijk hart, dat zich vrij weet te maken van onedele driften, naar God, zoekt Hem, luistert, of Hij spreekt, roept Hem, opdat Hij antwoord geve, de deur opene opdat Hij Zich late zien. Ja, de menschelijke ziel zoekt naar God. In Hem vindt zij rust. Zij zoekt Hem langs alle wegen. Zij voelt zijn nabijheid en bereidt zich voor op zijn openbaring. In spanning zit zij neer, of de Beminde niet komt, of zij zijn tred niet hoort, zijn stem niet verneemt.

Als de ziele luistert . . . . . . . . .

zong Gezelle. Als de ziele luistert, ja, dan beluistert zij God, die in ons spreekt, nu eens in en door zijn schepselen, soms ook zelf rechtsstreeks.

Het kan ons niet verwonderen, dat de ziel in zulk een spanning van liefde en heimwee God soms meent te zien of te hooren, terwijl Hij nog achter de nevelen verborgen is en de stilte van geloof en rede niet verbreekt. Daar is aldus gemakkelijk misleiding in het spel, maar van den anderen kant is zelfs in die zelfmisleiding nog een element van waarheid. Het beeld van God, dat zulk een ziel zich vormt, moge vele elementen bevatten van de eigen verbeelding, maar men wachte zich niettemin alle verbeelding hier ziekelijk te [3] noemen. Onze natuur is op God gestemd en al spreekt Hij niet, zoodat de resonans in de snaren onzer ziel zijn klanken doet klinken, de beroering van die snaar door aanraking met het schepsel geeft geen anderen toon, dan dien God daarin zou doen weerklinken, als Hij sprak.

Er is in het mystieke leven zulk een sfeer van gelijkgestemdheid, dat men God speurt in de godminnende ziel, reeds vóór Hij Zich zichtbaar en hoorbaar en voelbaar doet kennen. Het zou echter geheel onjuist zijn, de mystiek alleen te beschouwen in deze stemming van de zielesnaren op God, ze te zien als een ontwikkeling van onze vermogens, zoodat zij zich slechts met het goddelijke bezighouden, daarin geheel opgaan, en daarin niet te zien de goddelijke zijde de inwerking Gods op ons, dat toch het eigenlijke is in het mystieke leven.

Het is droevig, hoe sommigen, zooals een Acquoy bij een Hendrik Mande, een van Otterloo bij Ruusbroec, meenen tot het subjectieve het mystiek leven te moeten beperken, dat zij, met waarlijk grooten eerbied voor alle uitingen van mystiek leven toch niet uitgaan boven de voorstelling, dat deze een inbeelding zijn of wil men, een veredeling der verbeelding door deze te richten op het hoogste, het schoonste, op onze vereeniging, onze eenheid met God.

Er is gelukkig meer. God, die in ons leeft en in wien wij leven, ons bewegen en zijn, houdt Zich niet altijd schuil, zelfs niet achter de beelden, welke de geest, die Hem zoekt, krachtens haar natuur en dus volgens zijn scheppenden wil van Hem maakt. In zijn goedheid, in zijn alles overweldigende liefde doet Hij meer dan eens het beeld wijken voor de werkelijkheid, de verbeelding voor de bewuste ervaring.

Dat heeft Hij ook in Nederland gedaan.

En Hij heeft dat gedaan op een wijze, die zich aanpaste aan het Nederlandsche volk. Wat wordt ontvangen, wordt ontvangen naar de wijze van hem, die ontvangt, in den vorm, waarin deze hem kan opnemen. Zoo is er in het mystieke leven een wonderbare aanpassing tusschen God en de op God gestemde veredelde natuur. Het voorgevoel der natuur wordt niet bedrogen en God doet Zich, althans in den regel kennen in beelden en vormen, spreekt in woorden en klanken, welke de geest, de ziel kent als de Zijne. Gelijk God is mensch geworden om Zich met het menschdom te vereenigen, zoo past Hij Zich ook aan aan de vorming en ontwikkeling des menschen dien hij wil begenadigen, om op voet van gelijkheid, zoo innig mogelijk met hem te verkeeren. En zoo is er zelfs in de hoogste sferen van het mystieke leven, waarin God onmiskenbaar spreekt tot de ziel en deze zich zijn onmiddellijke beroering en aanraking bewust is, altijd veel, dat ons herinnert aan het persoonlijke van elken begenadigde, aan [4] zijn ontwikkeling en vorming, aan zijn tijd en beschaving. Dit zelfs afgezien van het steeds groote aandeel, dat de menschelijke vermogens behouden in de tot standkoming van de voorstelling Gods en in de reproductie vooral daarvan, als de voorstelling zelve door God geschonken is, en haar ongebeeld door God is ingestort.

Zoo is er in de mystiek persoonlijkheid en verwantschap, ontwikkeling en invloed, zoo zijn daar stroomingen en scholen. Zoo kunnen we ook spreken van een Nederlandsche school. Ook in het mystieke leven beteekent het bovennatuurlijke niet de vernietiging van het natuurlijke. Al gaat het niet langer zoo geheel schuil achter de natuur als in de gewone orde der genade, zij streeft toch ook niet zoo geheel de natuur voorbij dat niet veel, dat aan de natuur herinnert, tot in de hoogste mystieke sferen te onderscheiden blijft.

Zoo mogen we dan ook spreken van Nederlandsche Mystiek, zooals wij spreken van de Nederlandsche cultuur. Wel openbaart Zich overal dezelfde God, maar langs verschillende wegen zoekt de ziel zijn vereeniging en op alle wegen laat God Zich vinden en komt de Bruidegom de Bruid tegemoet in het kleed, dat zij gaarne ziet en spreekt Hij haar toe in woorden, welke zij het best verstaat, die zij het liefst van Hem hoort.

Zeker, niet altijd past God Zich aan. Hij is de Heer. Hij houdt er ook van, de ziel te verrassen, te overweldigen, uit den schat van zijn rijkdom brengt Hij met het oude ook het nieuwe te voorschijn. En vaak kiest Hij enkelen uit om door hen de zielen langs nieuwe wegen tot Zich te leiden. Aan Magdalena verscheen hij in de gedaante van een Hovenier, waarin zij Hem niet verwachtte, zelfs eerst niet herkende, maar waarin later zoovelen Hem tot zich zouden nooden om den tuin hunner ziel vol bloemen te zetten.

Denken we aan Bertken van Utrecht, als zij in haar:

“Ick was in mijn hofken om cruudt gegaen”

slechts hoopt, ze daar eens te vinden, als haar hovenier dien er vol van heeft gezet.

Aan Maria Margaretha Alacoque toont de Heer zijn Goddelijk Hart, opdat men dit beeld van Hem verspreide juist in deze tijden, waarvoor Hij dezen vorm bewaarde als den meest geschikten om weer zijn liefde te ervaren.

Zoo heeft het Godsbeeld in de wisseling der tijden zijn wisselende vormen en volgen de voorstellingen, welke de ziel zich van God maakt en God de ziel indrukt, elkander op.

Zoo heeft dat beeld ook het Nederlandsche volk geboeid en heeft het Nederlandsche volk zijn godsbeeld gekoesterd. [5]

Zoo is er dus noodzakelijkerwijze veel persoonlijks, veel dat aan de menschelijke cultuur en ontwikkeling, aan stroomingen op wijsgeerig en theologisch gebied herinnert, in de mystieke beleving te erkennen.

Zoo ontstaan in de mystiek niet slechts verwantschap en overeenkomst van denkrichting en voorstellingswijze, maar mogen we zelfs spreken van scholen en invloeden.

Zoo is de vraag niet ongewettigd, of wij niet zouden mogen spreken van een Nederlandsche opvatting van het mystieke leven, van ‘Nederlandsche mystiek’, gelijk we toch ook spreken van den Nederlandschen volksaard, van een Nederlandsche cultuur. Het kan wel niet anders, of deze moet haar stempel drukken op de verschijnselen van mystiek leven binnen de grenzen van ons vaderland.

En dat doet[3] zij dan ook zeer stellig.

Herhaaldelijk neemt in de geschiedenis der Mystiek Nederland een eigen plaats in. Wel staat het sterk onder invloed ook van het buitenland en zien we eerst Engelsche, dan Fransche, dan Duitsche en eindelijk Spaanse invloeden werkzaam, maar Nederland neemt die invloeden op op zijn wijze en, wat wel bijzondere vermelding verdient, zijn nuchtere zin doet het al die invloeden met een zekere matiging van de sterkste openbaringen er van aannemen. De Nederlandsche mystiek is zeker aan allerlei stroomingen onderworpen, welke we ook in het buitenland ontmoeten, maar een sterke zin voor de realiteit, een practische gematigdheid, een bezadigd gehouden drang naar het ideeële en het godsdienstige houden ook de mystiek in een zeker evenwicht tusschen het goddelijke en het menschelijke en het is wel mede daaraan toe te schrijven, dat in meer dan een tijdperk Nederland aan het buitenland ten voorbeeld was om zijn gezonde opvatting van het geestelijk leven.

Men heeft wel eens als kenmerk van onze cultuur naast den zin voor het reeele, den zin voor het mystieke aangegeven. Ons volk heeft God lief en zoekt Hem heeler harte. En zoo verdient dan ook de geschiedenis der Nederlandsche mystiek haar plaats door heel de geschiedenis van het Nederl. volk.[4]


  1. Typescript, 5 pages. Undated: 1929? The typescript shows a few corrections, see footnotes for the corrected text.
  2. Cf. Rom 1:18-21.
  3. In the publication erroneously: ‘dot’.
  4. This last sentence of the typescript shows corrections by pencil. Typed was: “En zoo is het ook onjuist, de geschiedenis der Nederlandsche mystiek te laten beginnen in een tijd, waarin reeds eeuwen van godsdienstig leven zijn voorafgegaan.”

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019