O.L.Vrouw van Amersfoort

1920

article

 


O. L. Vrouw van Amersfoort

Door P. Dr. Titus Brandsma. Ord. Carm.[1]


Maria, Coninginne, des Hemels croen,
Woude groet wonder, mirakelen doen
In Amersfoirt …


19 December van het jaar 1444 vond een brave vrouw van Amersfoort Margriete Albert Gysendochter, naar de legende verhaalt, op goddelijke ingeving, in het water aan de stadsgracht ter plaatse, waar later Onze Lieve Vrouweputte was, een klein Mariabeeldje, klein, zegt dezelfde legende, als de voet van een kind. Zij bracht het mede naar haar huis, reinigde het en ontstak er licht voor.

En den volgenden morgen vertelde zij aan haar biechtvader, wat zij had gevonden.

Dit was Pater Joannes v. Schoonhoven, een Carmeliet, die te Amersfoort het termijnhuis bewoonde, dat de Paters Carmelieten daar bezaten en van waaruit zij niet slechts de kerk van Amersfoort bedienden, maar ook de kerken van den omtrek.

Hij voelde zich door het wonderbare der vinding terstond tot dit beeldje getrokken en verzocht het bij zich te brengen en toen hij op Kerstdag des middags in de Mariakapel van de Mariakerk, waarschijnlijk in een oefening voor de ‘Broeders van Onser Vrouwe Capelle’ moest preeken, verhaalde hij hun, welk een schat hij in zijn huis bewaarde en stelde hij voor, het beeldje, al was het klein, een [68] plaatsje te geven in hun Mariakapel. Het voorstel werd aanstonds aangenomen en reeds den volgenden dag trokken de Broeders in processie naar het termijnhuis en vandaar met het beeldje in hun midden naar hun kapel in de kerk.

God zegende die devotie op zichtbare wijze.


Spoedig sprak men in heel Amersfoort van het kleine wonderbeeldje en de faam er van drong ook door in het stille afgelegen Sint-Agnietenconvent. Ook zuster Geertgen Arends hoorde het en dat verhaal ontstelde haar niet weinig.

Kort geleden was zij in het klooster getreden. Zij had bij haar intrede hare kostbaarheden medegenomen en onder de verschillende zaken ook een klein Mariabeeldje, dat haar altijd dierbaar was geweest. Dat beeldje, zoo meende zij, moest haar op haar weg naar het klooster vergezellen, en met haar zijn intrede doen.

Onderweg bezag zij het beeldje nog eens en het viel haar nu op, dat het zoo nietig was. Het was niets voor het klooster, waar men overal mooie beelden van Maria moest hebben. Zij schaamde zich voor haar klein nietig beeldje. En toen zij aan de Kamppoort te Amersfoort kwam, nam zij het en wierp het achteloos of, zoals de legende zegt “met onbedagtsaemheyd” in het water van de stadsgracht.


Toen zij van het nieuwe wonderbeeldje hoorde, begreep zij, dat het beeldje in de Mariakerk haar beeldje was en nederig erkende zij, dat zij “onberadelijk en onwijselijk” had gehandeld.

Wat zij oneerbiedig had weggeworpen, had Margriet Albert Gysendochter op een wenk van boven met eerbied uit het water gered. En de Lieve-Vrouwebroeder Joannes van Schoonhoven verhief het versmade beeldje tot een heiligdom der oude Eemstad.

Steeds meer ondervonden de vereerders van het nieuwe heiligdom, dat God hun godsvrucht beloonde en in allerlei omstandigheden nam men in het vervolg zijn toevlucht tot het beeldje van Maria, in de Mariakapel. Vooral voor de scheepvarenden was zij een toevlucht en een hoop op behoud. “Roept de Lieve Vrouwe te Amersfoort aan”, zoo riep men, “die welck in den water gevonden was, ende grote mirakelen doet int water”.

Van heinde en verre trok men in bedevaart naar de Mariakapel, die spoedig te klein werd en werd vervangen door een kruiskerk met “verscheyden bydaaken”. Doch ook daarmede was men niet tevreden en vooral een andere Zuster van het Sint-Agnietenconvent, Zuster Geertruyd Willems, eenmaal procuratrix van het klooster, spoorde de bestuurders van de vele offers, welke er inkwamen, aan, van die gelden een monument ter eere van Maria te doen verrijzen, dat voor heel den omtrek de plaats zou toonen, waar Maria haar gunsten uitdeelde.

Zij opperde het plan van den Mariatoren.

De bevolking en de pelgrims stemden in met dat voorstel. [69] [70]

Niet lang daarna bouwde een meesterhand den toren, welken wij nog steeds bewonderen.

De toren werd gebouwd naar een heel nieuw plan. De toren zou tegelijk een beeld van Maria zijn.

Het traptorentje, dat tegen een der hoeken opklimt, geeft in de verte den indruk, dat daar een rijzige vrouw staat met een kindje tegen haar borst gedrukt en nog thans noemt men te Amersfoort, als men over den toren spreekt, dezen den toren van Maria met het Kindeken.


Anderhalve eeuw bloeide de godsvrucht tot het beeldje in de stad.

Toen kwam de tijd der hervorming. In 1579 werd Amersfoort door Johan van Nassau belegerd en ingenomen en spoedig eischten de hervormers “dat Marien-beeltgen”, dat echter veilig was verborgen.

De vereering kreeg niettemin een gevoeligen knak. Wel hield men nog den ouden beêweg, vooral op den Zondag voor Pinksteren, dat van ouds de ‘Vrouwenvaertsdag’ heette, in 1631 kon Beyerlinck nog getuigen, dat in zijn tijd de toeloop nog zeer druk was, in 1638 schreef de la Torre al met meer voorbehoud, dat van de vroegere devotie nog eenige sporen zijn overgebleven, in 1656 spreekt de laatste nog slechts van “een enkel spoor”. Later schijnt de devotie weer eenigszins verlevendigd, want in 1715 werd aan den magistraat verzocht, “dat het volk in haar intentie mag worden belet” waarop in 1716 zelfs een bevelschrift van den magistraat kwam, dat de geestelijkheid moest voorkomen “dat iemand de voorzeide ommegang zal doen of te assisteeren”. Nog lang hield men niettemin den omgang in eere. En het mag verwonderlijk heeten, dat een omgang, dien men heeft aangehouden in de tijden van druk en vervolging, eerst de laatste jaren in een tijd van steeds grooter vrijheid voor de Katholieken verwaarloosd is.


Het beeldje zelf, zoolang bewaard en voor schennende handen verborgen om het in beter tijden uit zijn schuilhoek weer te voorschijn te brengen, is, jammer genoeg, nooit meer in zijn heiligdom weergekeerd. Na verschillende lotsverwisselingen is de kerk in 1787 voor afbraak verkocht.

Het beeldje zelf schijnt in de zeventiende eeuw bewaard te zijn geweest bij de aanzienlijke familie Vanefelt, die het wel trouw bewaarde, doch toen in 1645 Bernard Vanefelt Pastoor werd op het Zand, verborg in de pastorie van deze kerk. Na diens dood kwamen kerk en pastorie in het bezit van de Oud-Katholieken en zoo kwam het beeldje van O.L. Vrouw in de handen der zelfde Oud-Katholieken, die er de overblijfselen nog steeds van bewaren. Het is echter bijna vergaan. Tusschen twee koperen plaatjes wordt het in een roodzijden zakje bewaard.

Nog altijd echter staat daar de derde getuige, de groote toren, om ons te herinneren aan hetgeen Maria Amersfoort eens maakte, een plaats van zegening.

Moge Amersfoort zich dit steeds herinneren en zich altijd opnieuw stellen onder de bescherming van haar, die het weleer met zegeningen overlaadde.



  1. Published in: Carmelrozen, Vol. IX, July 1920, p. 67-68.70.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020