O wonderlijke ruil

Comment (Dutch) on ‘Adeste fideles laeti triumphantes’

by Kees Waaijman

 


O wonderlijke ruil

Comment on the Christmas sermon 'Adeste fideles laeti triumphantes' by Kees Waaijman.


Kerstmis is voor Titus Brandsma, zoals voor zoveel mystici die vóór hem leefden, een mystiek gebeuren. Dat blijkt uit een ongedateerde preek die hij met kerstmis heeft gehouden. De tekst is met potlood geschreven op zeven kantjes van een klein notitieboekje (8.5 cm breed en 12.0 cm lang). Aan het einde van de uitgeschreven preek staan negen steekwoorden, waarmee Brandsma zijn preek wilde afsluiten.

De preek is opgebouwd uit drie delen met de volgende inhoud: in het eerste deel sluit Brandsma aan bij ‘wat er vandaag (met Kerstmis) in ons aller hart leeft’; in het tweede deel brengt hij ‘ons’ bij de mystieke kern van Kerstmis: ‘God met ons’; in het derde deel schildert hij, bij wijze van contrast, hoe ‘wij’ zonder deze kern verstrikt raken in ‘een gevoel zonder geestelijken inhoud’.


De diepte van de kerststemming

In het eerste deel zoekt Titus Brandsma aansluiting bij de Kerststemming van de kerkgangers. Hij begint met de woorden van het bekende kerstliedje Adeste fideles, die hij losjes omspeelt met de woorden: ‘Kent uw geluk, gelovigen, en verheugt U, overwonnen hebt ge, komt, komt naar Bethlehem.’ Daarna roept hij met enkele puntige verwijzingen de Kerstsfeer op: Kerstvertellingen, Kerstliederen, Kerststalletjes, het middernachtelijke uur van de Kerstviering, het unieke gevoel van saamhorigheid, de Kerstuitgaven van de bladen met hun aanbod van ‘kerstverhalen en legenden, van verzen en beschouwingen’. Hij vat zijn sfeertekening aldus samen: ‘Heel die kerstliteratuur, die bonte mengeling van kerstverhalen en legenden, van verzen en beschouwingen, zij openbaren, wat er vandaag in ons aller hart leeft.’ Met een vraagzin geeft hij vervolgens een mystieke wending aan de preek. Hij hoopt hiermee zijn toehoorders bij de kern van de Kerstmis te brengen: ‘En wat is dat eene dat in alles op den voorgrond treedt, dat alles beheerst?’


O wonderlijke ruil

Op de vraag naar ‘dat eene’ geeft de Brandsma in het middendeel van zijn preek het antwoord: ‘God met ons’, wat de vertaling is van ‘Emmanuel’, de naam waarmee het volk Israël verwachtingsvol uitzag naar de Messias: ‘Zie, de jonge vrouw is zwanger en zal een zoon ter wereld brengen en ge zult hem de naam Emmanuel geven’ (Jes 7,14).

In het getijdengebed leidt de naam Emmanuel de laatste van de zeven O-antifonen in, die tussen 17 en 23 december worden gezongen en waarin het verlangen naar zijn komst steeds luider klinkt: ‘O Emmanuel, Koning en onze wetgever, verwachting van de naties en hun Redder, kom ons redden, Heer onze God.’

Vervolgens omspeelt Brandsma de naam ‘God met ons’ vier keer. De eerste keer als liefdevolle komst van God in ons midden: ‘God bij ons gekomen in de kracht zijner liefde.’ De tweede keer als komst in zwakte en sterkte: ‘Zwak als een kind, maar sterk om alle menschen tot zich te trekken’. De derde keer als komst in stille openbaring: ‘Kerstfeest, het feest van de openbaring van Gods eindeloze liefde die juist door zich als woord geheel te vernietigen onweerstaanbaar is.’ Het grote Woord van de schepping (zie Johannes 1) ligt hier klein geworden als een kind in een kribbe. Het kan niet spreken (infans). De vierde keer als komst in kleinheid én grootheid: ‘O kleine Jezus, hoe groot zijt Gij, hoe eindeloos groot is uw liefde en hoe wonderbaar is het, dat Gij uzelven klein makend ons helpt sterk en groot te zijn.’ Al deze omspelingen zijn mystieke paradoxen: God kleedt zich in onze zwakte en kleinheid om zo in ons sterk en groot te zijn.

Bij wijze van inclusie herhaalt Titus de mystieke kern van zijn preek: ‘God met ons’, en geeft er deze strekking aan: ‘Om ons te helpen, zich met ons te vereenigen en ons zoo zijn kracht mee te deelen.’ Deze zin bestaat uit drie parallelle delen die het innerlijk doel van ‘God met ons’ verwoorden: God is ‘met ons’ om ons te helpen, God is ‘met ons’ om zich met ons te verenigen, God is ‘met ons’ om ons zo zijn kracht mee te delen. Het eerste zinsdeel legt ‘God met ons’ uit als Gods hulp voor ons, het tweede en derde verwoorden de mystieke diepte van deze hulp: Hij verenigt zich met ons om met ons zijn kracht te delen.

Het voorzetsel ‘met’ in ‘God met ons’ heeft een diepe lading. Het drukt Gods vereniging ‘met ons’ uit. Maar dat niet alleen. Het bevat ook de omgekeerde beweging: de vereniging van de mens met God. ‘Met’ verwoordt dus zowel de heenbeweging: ‘God met ons’, als de terugbeweging: ‘Wij met God’. Dat zal straks blijken de ‘ruil’ en het ‘wonderlijke’ van de ruil te zijn, zo welsprekend bezongen in de door Brandsma onmiddellijk hierna geciteerde antifoon O admirabile commercium, de eerste antifoon van de psalmen in de Lauden en de tweede Vespers van 1 januari, het feest van de Besnijdenis des Heren, de octaafdag van Kerstmis. De antifoon luidt in vertaling:

O wonderlijke ruil!

De Schepper van het menselijk geslacht die een bezield lichaam aannam,

verwaardigde zich geboren te worden uit een maagd

en de mens die zonder zaad verwekt werd,

schonk ons rijkelijk zijn godheid.

Deze mystieke antifoon uit het getijdengebed, waarvan Brandsma enkel de eerste twee zinnen en de laatste zin citeert, verwoordt de bron waaruit alle mystieke paradoxen voortvloeiden. Want zowel de messiaanse naam Emmanuel, als de vier omspelingen ervan én de antifoon O admirabile commercium herhalen alle deze ene mystieke kern van Kerstmis: ‘God met ons’ – de mystieke vereniging in wederkerigheid: God beweegt zich genadig naar ons toe: ‘God met ons’, en wij bewegen ons binnen deze liefdesbeweging naar Hem toe: ‘Wij met Hem’. God bekleedt zich met onze menselijkheid, zodat onze menselijkheid één is met God. De sterke God maakt zich zwak om het zwakke te sterken, het eeuwige woord verstilt om zich onweerstaanbaar te openbaren, God verenigt zich met ons om ons zo zijn kracht mee te delen. Allemaal omspelingen van de wonderlijke ‘ruil’: God wordt mens om ons rijkelijk zijn godheid te schenken. Deze mystieke ‘ruil’, geschouwd in het getijdengebed en omspeeld in de kern van de preek, wordt bevestigd door Brandsma’s visie op mystiek, waarover straks. Nu eerst het derde deel van zijn Kerstpreek.


De lege kerststemming

Brandsma kijkt in het derde deel van zijn preek vanuit de ’wonderlijke ruil’ van Gods menswording naar de feitelijke Kerstcultuur en ziet hoever deze zich verwijderd heeft van haar mystieke kern: ‘Al te weinig verdiepen we ons vaak in het Groote Geheim van het Kerstfeest.’ Voor velen is daardoor de viering van Kerstmis schijn en sentiment: ‘Zij vieren Kerstmis evenals bladen als The Graphic en de Prins en zelfs de Haagsche Post kerstmis vieren en kerstnummers uitgeven.’ Brandsma typeert dit Kerstsentiment als idyllisch, lief en zoetig. Mensen raken verstrikt in ‘de uiterlijke omstandigheden van het gebeurde in de Kerstnacht’ ten koste van ‘een ware godsvrucht’, de schroomvolle Godskennis.

Waar deze ‘verwarring’ ten slotte op uitloopt, beschrijft Brandsma door plotseling door te schieten naar het levenseinde van Jezus, zijn intocht in Jeruzalem. Ook toen was de stad wel ‘in de stemming’, maar ‘Jezus weende over die stad’, hij zei: ‘Ach dat gij nog heden erkendet wat u tot heil verstrekt, ik heb u met mij willen vereenigen als een hen die haar kiekens onder hare vleugelen vereenigt maar gij hebt niet gewild’ (Luc 13,34). De wil tot ‘vereeniging’ in liefde blijft onbeantwoord. ‘God met ons’ blijft eenzijdig. Zo eindigt de Kerstpreek met Jezus’ dood. Brandsma wil met deze anticlimax de Kerstsfeer niet bederven, maar via contrastparallellie zichtbaar maken hoe gemakkelijk we verstrikt raken in sentimenten en hoe wezenlijk de ‘wonderlijke ruil’ is.


Afronding

Onmiddellijk achter de Kerstpreek staan, zoals gezegd, negen steekwoorden, bedoeld om uitgewerkt te worden tijdens de preek zelf. Wanneer we er wat langer naar kijken, begint zich een patroon af te tekenen.

De eerste vier notities vormen een eenheid: ‘Amor non amatur / St. Franciscus / Maria Magdalena de Pazzi / Wij begrijpen Jezus’ liefde niet.’ Deze vier notities recapituleren het derde deel van de preek: Jeruzalem verstaat door haar oppervlakkige feeststemming de liefde van Jezus niet. Daardoor beantwoorden zij ‘God met ons’ niet: ‘Ik heb u met mij willen vereenigen als een hen die haar kiekens onder hare vleugelen vereenigt, maar gij hebt niet gewild.’ De eerste en de vierde notitie vormen een inclusie: ‘Amor non amatur (...) Wij begrijpen Jesus’ liefde niet’. Vanuit het middendeel van de preek gezien: er is geen wederkerigheid in de liefde, er is dus geen werkelijke Kerstviering. Dit motief van de wederkerigheid in de liefde hebben de mystici Franciscus van Assisi en Maria Magdalena de Pazzi gedurig omspeeld, zoals Titus heeft laten zien in zijn artikel ‘Meer liefde in de opvoeding’ (waarschijnlijk 1926). Mogelijk heeft Titus zijn Kerstpreek ongeveer in diezelfde tijd geschreven.

De middelste notitie vat het middendeel van de preek samen: ‘Genade, één met God, God met ons.’ We zagen in onze uitleg reeds hoe in deze notitie de wederkerige liefde van ‘God met ons’ wordt verwoord, een wederzijdsheid die volgens Titus Brandsma het wezen van de mystiek is.

De laatste vier notities van de preek luiden: ‘Komt in Bethlehem / Als gij het vleesch niet eet / Ster boven de kribbe. / Godslamp boven tabernakel’. Aanvankelijk lijken deze vier notities niet samen te hangen. Bij langduriger beschouwing tekenen zich enkele lijnen af. De eerste en de derde notitie sluiten bij elkaar aan: de oproep naar Bethlehem te komen rijmt met de ster die de wijzen voorging naar Bethlehem en stil bleef staan boven de stal met de kribbe. De tweede en de vierde notitie sluiten eveneens op elkaar aan: zij geven een eucharistische wending aan het komen naar de kribbe. De ster boven de kribbe wordt gelijkgesteld met de Godslamp boven het tabernakel. De eucharistische wending rijmt met de onaffe zin: ‘Als gij het vleesch niet eet...’. De zin luidt voluit: ‘Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u’ (Joh 6,53). De katholieke traditie betrekt deze woorden op de eucharistie. Vanuit dit eucharistisch perspectief is de uitnodiging naar Bethlehem – ‘het huis van het brood’ – te komen een oproep ter communie te gaan en het lichaam van de Mensenzoon te nuttigen. De godslamp boven het tabernakel wordt verbonden met het licht van de ster die de wijzen bij de kribbe brengt. De vier notities samen verwijzen – in chiasme: abab – naar het eerste deel van de preek, die begon met de oproep naar Bethlehem te komen om daar Jezus werkelijk te ontmoeten. Nu worden de gelovigen opgeroepen naar het ‘huis van het brood’, het tabernakel, te komen om Jezus bij zich binnen te laten. Wanneer dit gebeurt, bereiken ‘Kerstgroep en stalletjes en kribben’ hun werkelijke doel: de ster wordt de godslamp die de gelovigen het huis van God binnenleidt.


Mystiek?

Om de mystieke dimensie van de Kerstpreek scherper in beeld te krijgen staan we kort stil bij Brandsma’s opvatting over mystiek. In de Katholieke Encyclopedie omschrijft hij mystiek als ‘een bijzondere vereeniging van God met den mensch, waarbij deze zich Gods tegenwoordigheid bewust wordt en zich ook zijnerzijds met God vereenigt.’[1] We zien hier diezelfde ‘ruil’ als in de Kerstpreek: God verenigt zich ‘met’ de mens, de mens verenigt zich ‘met’ God. ‘Ruil’ duidt op wederkerigheid, wat wezenlijk is voor mystiek, want mystiek is een tweezijdig liefdesgebeuren: ‘De mystiek heeft aldus een tweezijdig karakter. De bijzonder innige vereeniging van God met den mensch, zoo, dat het goddelijke niet langer schuil gaat achter het menschelijke, maar innerlijk bewust wordt, kan men het goddelijk wezenselement der mystiek noemen, terwijl de ontvankelijkheid van den mensch voor deze goddelijke begenadiging, haar ervaring in den mensch en haar invloed op zijn leven, haar menschelijke omkleeding vormt.’[2] Liturgie is voor Brandsma een mystieke ‘ruil’: God begenadigt de mens met Zichzelf, opdat de mens uit God geboren wordt. Dit is voor Titus Brandsma Kerstmis.



  1. Titus Brandsma, Mystiek, in: Katholieke Encyclopedie, 18(1937), 199.
  2. Titus Brandsma, Mystiek, in: Katholieke Encyclopedie, 18(1937), 199.


© Titus Brandsma Instituut 2019