Ons Vredesgeheim

1928

Newspaper article

 


Ons vredesgeheim

Titus Brandsma, 1928[1]


Nog steeds houdt de herinnering aan den grooten oorlog het verlangen naar vrede levendig.

Jammer genoeg, is dit bij velen te negatief. Voor velen reikt de leuze niet verder dan tot negatieve voorstellingen[2] als “nooit-meer-oorlog", “ontwapening”, “legerbeperking”, zonder dat zij een eigenlijk positieven grondslag leggen voor den vrede, dien zij begeeren.

Heel wat voller klinken de positieve leuzen “Voor Volkenbond en Vrede” “Voor Vrede door Recht”, al is, zoo niet bij de leiders dan toch bij veel leden de leuze positiever dan de voorstelling, die men zich van het vredeswerk maakt.

De vraag mag wel eens gesteld worden, of ook niet veel Katholieken het vredeswerk te negatief zien, niet in zijn ware volle beteekenis, in de beteekenis vooral, welke het speciaal voor den Katholiek moet bezitten.

Waarom is er eigenlijk een Katholieke Vredesbond? Leidt ons daarbij de negatieve gedachte van afweer of hebben we positieve idealen voor oogen?

Zeker is het wel, dat, hoe positief wij vooral als Katholieken het vredeswerk zouden kunnen zien, velen ook onder ons dit verzuimen.

Eenigen beperken hun ideaal tot bestrijding van den oorlog, anderen zouden wel iets positiefs willen doen, maar meer om verkeerd vredeswerk te voorkomen en te ontzenuwen, dan om zelf nu iets doeltreffends voor den vrede te doen. Zij leeren en zeggen wel, hoe men het niet moet doen, maar wijzen geen weg tot iets beters.

Terwijl hun geloofsovertuiging er niet op de eerste plaats is om onjuiste meeningen weg te nemen, maar om positief iets te weten en daarnaar te doen. Een derde groep ziet, wel iets positiefs, maar zij ziet het te klein te bekrompen, te veel in nevenzaken en bijkomstigheden, zooals zij, die in onredelijke overdrijving een katholieken Bond voor den vrede noodzakelijk vinden, om de groote macht, de wereldorganisatie der Kerk om de eenige plaats van den Paus tusschen de vorsten der wereld. Die macht en heerlijkheid zou, zoo meenen zij alsof dat het hoogste was, kunnen schitteren in het vredeswerk. Zij eischen met klem een plaats op voor den Paus of zijn vertegenwoordiger in den Raad der Volkeren en zouden den Paus het liefst tot algemeen scheidsrechter benoemd zien, alsof zijn taak niet een hoogere was.

Dat is het niet, wat wij eigenlijk nastreven.

Voor ons is de vrede iets meer dan een vraag van organisatie.

Niet, wanneer de Katholieken der geheele wereld zich zouden hebben vereenigd in één machtige organisatie, zoodat zij hun macht dicteeren en in de wereld doen gelden, de wereld den vrede opleggen door haar te beletten te vechten, zal Christus Koning zijn over de wereld.

Zulk een vrede heeft slechts den schijn van den vrede, dien Christus ons geeft.

De katholieken, die vredesapostel zijn, weten toch, dat Jezus een vrede heeft beloofd, dien de wereld niet kent, en Hij dien vrede geeft op een geheel andere wijze dan de wereld.

Dat zegt ons toch wel zoo duidelijk mogelijk, dat we in dit belangrijk vraagstuk een geheel eigen standpunt hebben in te nemen en zulks niet om de geheel bijzondere maatschappelijke of zelfs staatkundige positie van Paus en Kerk maar om 't geen voor ons het diepste wezen van dien vrede is en om de wijze, waarop wij dien vrede aan de wereld moeten brengen.

Om overeenkomstig deze inzichten zoo doeltreffend mogelijk tot dien waren vrede te komen is vanzelfsprekend samenwerking noodig. En ons geheel eigen, door Christus zelf bepaald standpunt, verplicht ons, ons in zoo breed mogelijke rijen te scharen onder de vanen van onzen Vredeskoning.

Wij vieren a.s. Zondag het feest van Christus' Koningschap.

Het is niet zonder reden dat de Kath. Vredesbond in Nederland dezen dag heeft uitgekozen tot zijn dag, op dezen dag opnieuw een oproep doet in alle dagbladen om het Nederlandsche volk tot ware vredesactie op te wekken. Reeds werd aangekondigd, dat op dezen zelfden Zondag in de Vredeskerk te Amsterdam, toegewijd aan de Koningin des Vredes, door den secretaris van den Kath. Vredesbond Pater Mr. D. Beaufort OFM een plechtige H. Mis zal worden opgedragen, waaronder de Voorzitter van den Bond Prof. dr. Kors O.P. een feestpredicatie zal houden.

Het feest van Christus' Koningschap moet den Koning allereerst huldigen als Vredeskoning.

Het is wel merkwaardig, dat dit hooge feest in de Kerkelijke Getijden wordt ingeluid met een antifoon, die zegt, dat Christus' koningstroon zoo hecht mogelijk en voor altijd zal zijn gevestigd, als Hij erkend wordt als de Vredebrenger.

Christus moet onze Koning zijn.

Vooral op dezen feestdag bezielt dat ons weer als een heerlijk ideaal.

Maar hij kan dat niet zijn, als wij ons niet onder zijn aanvoering stellen in onzen strijd voor den vrede.

Hij heeft het groote geheim van den vrede.

Hij wil den vrede aan de wereld geven en vraagt daarvoor onze medewerking. Door ons wil Hij de wereld zijn vrede deelachtig maken.

Maar we staan vaak heel weinig aan zijn kant, als wij, op geen andere wijze, dan de wereld in het algemeen, werken voor den vrede.

De hymne van het feest bezingt den Vredeskoning als den scheidsrechter bij uitstek, maar in ieders hart en geest, waar Hij zal uitmaken of wij al dan niet van zijn liefde zijn afgeweken. En Hij staat voor ons, de handen en voeten doorboord, de borst doorstoken om zijn Goddelijk Hart te toonen, dat bij al dien smaad en al dat lijden nog brandt van liefde tot degenen, die Hem ten doode martelden.

Ik weet wel, velen kunnen het nauwelijks verdragen, dat wij in dit verband wijzen op het Kruisbeeld, waaraan Christus stervend bad, dat Zijn Hemelsche Vader zijn moordenaars zou vergeven en hun schuld verontschuldigde. Zij meenen, dat men dat niet mag eischen. Zij prediken een vrede gegrond op het recht.

En zeker, niet van allen wordt zulk een heldhaftige liefde gevraagd en de dwaasheid der liefde mag door de wijsheid van het recht worden getemperd, maar het hoogste en het mooiste zal toch altijd de liefde zijn, de liefde, die geen kwaad ziet, de liefde die niet afgunstig is, de liefde die alles verdraagt.

Van die liefde heeft Jezus gezegd, dat zij het winnen zal al meent de wereld in haar wijsheid, dat zij ten ondergang voert.

Maar daarom is de vrede van Jezus ook een andere.

En voor dien vrede treden wij naar voren geteekend met het kruis, den blik op het Kruis om daarvan te leeren, hoe wij met onzen Koning vrede aan de wereld moeten brengen.

Woont Jezus' liefde in ons, zijn vergevingsgezindheid, van volk tot volk, van gewest tot gewest, van stad tot stad, en vooral van mensch tot mensch in het gewone dagelijksche leven, dan is de vrede verzekerd.

Die liefde prediken wij vandaag.

Wilt dan Christus' rijk heden hechter grondvesten door op dezen dag ten opzichte van één mensch, die U tot strijd prikkelt, u te maken, zooals Jezus voor hem is.

Dat beteekent geen miskenning van het recht, dat de grondslag is van wet en orde in de menschelijke maatschappij, de liefde zal ons van elke schending van het recht terug houden, maar de geschiedenis is daar om ons te leeren, dat niet steeds van het recht de meest adaequate voorstelling ons leidt en uit zooveler strijd voor het recht juist de onderlinge strijd en de oorlog wordt geboren. God beware de maatschappij voor de strijders voor het recht, wier summum jus of recht tot het uiterste niet zoo heel zelden summa injuria of in de hoogste mate onrechtvaardig wordt.

In dit verband[3] herinner ik mij een mooie vergelijking van Le Play[4], die het recht vergeleek met het raderwerk der maatschappij, goed gesteld en van tand tot tand in elkander grijpend. De kunstigste machine zal knarsen en in wrijving ten gronde gaan, als niet de olie de wrijving van het harde ijzer wegneemt en de deelen over elkander laat schuiven, zonder dat zij elkaar afvijlen en deren. Die olie is de liefde, de christelijke liefde, die de scherpe kanten aan het recht ontneemt.

Gieten wij die olie op het knarsende raderwerk der menschelijke maatschappij niet met groote woorden of met holle leuzen, maar elk in zijn allernaaste omgeving, daar waar het in zijn maatschappelijken kring hapert omdat er elk op zijn recht staat en de liefde wordt vergeten.

Wie dat doet is inderdaad lid van den Katholieken Vredesbond. God ziet er hem voor aan en kiest er hem voor uit. Wie er zoo lid kan zijn, en met Gods hulp kunnen we dat allen, heeft den plicht er zich bij aan te sluiten.

Zoo en zoo alleen breiden het Rijk van Christus uit en proclameeren wij Hem tot Koning der wereld, vredeskoning.


Nijmegen, Op den vooravond van het Feest van Christus' Koningschap.

Namens het Dag. Bestuur v.d. Kath. Vredesbond,

Dr Titus Brandsma O.Carm.



  1. Titus Brandsma, on behalf of the executive committee of the ‘Catholic Association for Peace’ (‘Katholieke Vredesbond’) has send this article to several newspapers. It was published, among others, in: Nieuwe Tilburgsche Courant, 27 October 1928. We follow this publication, and present corrections and comments in footnotes.
  2. In the publication: ‘voorstelling’.
  3. In the publication: ‘In verband’.
  4. This name refers to Frédéric Le Play


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2019