Oostersche en Westersche mystiek

1927

Speech

 


Oostersche en Westersche mystiek

door Prof. Dr. Titus Brandsma O.Carm.[1]


Twee bloemen, geteeld op den zelfden grond, beiden gekweekt en ontsproten op den bodem van het ééne Katholiek Geloof, gelijkelijk gedrenkt door de stroomen van Gods Genade, die beiden met dezelfde onuitsprekelijke liefde omvat. Zij bestuiven en bevruchten elkander; in den tuin van Gods H. Kerk moeten zij naast elkander blijven bloeien, elkander blijven bevruchten. Als bijen moeten wij van de eene bloem naar de andere gaan, niet slechts om dit bevruchtingsproces onafgebroken te doen voortgaan, doch ook, om zelve daaruit de zoetste honing te puren.

Mystiek is de vereeniging van God met den mensch en van den mensch met God, niet meer alleen in de orde van de natuur of zelfs in die der gewone genade, maar in de orde van de meest overvloedige liefde, zoodat Gods aanwezigheid niet langer besloten blijft en achter de natuur verscholen; maar zich laat ervaren en bij bovennatuurlijke werkingen erkennen. De Bruidegom treedt de Bruid tegemoet en deze moet naar het woord van Ruusbroec uitgaan om Hem te ontmoeten. De Bruidegom kleedt zich gaarne in het kleed, waarin de Bruid Hem aanstonds herkent en Hem het liefste ziet. Soms verrast Hij haar wel, maar zooals bij Maria Magdalena is dan een enkel woord genoeg om Hem te doen herkennen in dat nieuwe beeld, door God gekozen in gelukkige overeenstemming met haar ontvankelijkheid. Bijna allen, die Suster Bertken van Utrecht nazingen:

“Ic was in mijn hoofkyn om cruyt gegaen”

mogen met haar herhalen:

“Nu heb ic een gevonden dye gaerden can”. [31]

Het beeld van den Hemelschen Hovenier is vruchtbaar geworden. Zoo doet God zich kennen aan den Oosterling naar de wijze van den Oosterling, aan ons in het Westen naar onze voorstelling en gesteltenis. Maar wij denken er dikwijls niet aan, in welke rijke vormen God, die alle geneugten in Zich bevat: “Deus totius consolationis”, Zich aan ons zou openbaren, indien wij Hem onder die beelden zouden weten te zien. Zoo kan de eene mensch in den anderen nieuwe vormen wakker roepen van Godsuitbeelding en hem dus meer ontvankelijk maken voor de schouwing Gods in al haar rijkdom.

Telkens ging van het Oosten naar het Westen een vernieuwende kracht en invloed uit, totdat tenslotte het Westen het Oosten in rijkdom van cultuurbloei evenaarde en zelfs voorbijstreefde. Maar het Westen overschatte zich niet, al is het rijk. Nog altijd bevat de Oostersche Mystiek elementen, die nog de hoogste waarde hebben voor de Westersche. Als we spreken van invloed van de Oostersche op de ontwikkeling van de Westersche Mystiek, dan behoeven we slechts de namen te noemen van een H. Augustinus en een Pseudo-Dionysius Areopagita. Achter beiden staat op den verren achtergrond Plato. Niet slechts hebben de verhalen van het mystieke leven der Aziatische en Egyptische kluizenaars den eersten stoot gegeven tot St. Augustinus' bekeering, maar zijn bewondering voor hen heeft een niet geringen invloed uitgeoefend op zijn leven met God. Zeker men mag den opbloei van het kloosterleven in het Westen niet alleen noemen een navolging van het Oosten, het is, als daar mede ontsproten uit de kiemen, welke het Katholiek Geloof overal uitstrooit, waar het wordt beleden, maar woorden wekken, voorbeelden trekken.

Naast den Leeraar der Genade, dien we veilig ook een Leeraar van het mystieke leven mogen noemen, staat als ‘Vader der Westersche Mystiek’ de schrijver van de werken, uitgegeven onder den naam van Dionysius den Areopagiet in wien we van verre niet slechts Plato, maar ook Plotinus beluisteren. Zijn opvatting van het mystieke [32] leven heeft geruimen tijd het stempel gedrukt op de mystiek in het Westen.

Geleidelijk ontwikkelde zich uit die oorspronkelijk sterk Oostersch getinte mystiek een eigen Westersche school met eigen kenmerken en bepaalde leidende gedachten. Maar omdat zij niet geheel paste bij de Westersche mentaliteit, werd zij niet altijd even juist begrepen en werden soms voorstellingen gekweekt, welke het Westen tenslotte als eenzijdig en overdreven brandmerkte. Het rijk opbloeiende geestelijk leven in het Westen riep daartegen een reactie te voorschijn, die echter op haar beurt niet van eenzijdigheid vrijbleef. En zoo kan het goed zijn en nuttig, zoo niet noodzakelijk, van tijd tot tijd terug te gaan tot waar de bronnen vloeiden, om zich aldus voor eenzijdigheid en ontaarding van het mystieke leven te hoeden.


In de Oostersche Mystiek komt zeer sterk de Platonische voorstelling der verhouding van ziel en lichaam op den voorgrond. De ziel is de eigenlijke mensch. De ziel is in het lichaam als in een gevangenis; die zij moet ontvluchten, als in een verstikkende sfeer, waaraan zij moet ontzweven, als in banden, welke zij te verbreken heeft. Vandaar kenmerkt haar een zeer streng leven, een onderdrukking van het lichaam. De Vasten is in het Oosten, vooral in de kloosters, veel strenger dan in het Westen, en in het algemeen al wat hoort tot boetvaardigheid en versterving. Heldhaftig is vaak die versterving, naar onze opvattingen zelfs overdreven.

Daartegen stelde het Westen, in de Middeleeuwen vooral, de Aristotelische voorstelling van de eenheid van ziel en lichaam, waarbij het lichaam, de verbeelding, de zintuigelijke kenbeelden in plaats van enkel beletsel, niet te onderschatten hulpmiddel werden. Tegenover den hoogverheven God, slechts in ontkenning en ontbeelding te kennen, stelde men God, menschgeworden, tot wien wij moeten gaan langs den weg der zintuigelijke kennis, de verbeelding, met te-werkstelling van al onze vermogens, [33] de lichamelijke allerminst uitgezonderd. Zoo ontstond een veel milder mystiek, schoon en heerlijk zeker, maar met niet gering gevaar, geleidelijk al te menschelijk te worden. Vooral de Nederlandsche School der Moderne Devotie stelde zoo sterk onze ontvankelijkheid en de Nàvolging van Christus als Mensch op den voorgrond, dat geleidelijk meer de goddelijke begenadiging en de verheerlijking van Christus buiten beschouwing werd gelaten. Reeds Florens Radewynsz daalt waar het op den voet gevolgde voorbeeld, de H. Bonaventura, na de beschouwing van het Lijden den blik richt naar de Verrijzenis en Hemelvaart, met voorbijzien daarvan af in het Graf des Heeren. Hij, en sterker wordt het bij zijn leerlingen, spreekt liever niet over de hoogste fasen van het mystieke leven, om slechts aandacht te vragen voor onze ‘bereiding’. Zoo treedt het gewone deugdleven in de plaats der Mystiek. Het kan goed zijn, naast de menschwording van God te denken aan het doel hiervan: de vergoddelijking van den mensch.

Schadelijk is een te gemoedelijke opvatting van het mystieke leven. Hier is van het Oosten te leeren.

Hiermee hangt allernauwst samen de opvatting van het Lijden. Men heeft zelfs als kenmerkend onderscheid tusschen Oostersche en Westersche Mystiek gesteld, dat de laatste zoo sterk den nadruk legt op de Kruisgedachte, terwijl de eerste de Verrijzenisgedachte viert. Het Oosten ziet het lijden in een hooger licht. Het predikt niet slechts de gelijkvormigheid met Gods Wil in het lijden, maar de blijmoedigheid door het blijde vooruitzicht der Verrijzenis. Tot op de H. Hostie, in de gedachtenis aan 's Heeren Lijden, leest de Priester de woorden: Christus verwint. Wij zuchten te veel in onze opgang tot God en zien in het kruis slechts het offer.

Ook hier schuilt gevaar voor eenzijdigheid, te voorkomen door ons steeds weer te spiegelen aan het Oosten.

Nog moge in het zelfde verband de aandacht gevestigd worden op de Oostersche ontvluchting der wereld. Men kende er eens de woestijnen vol kluizenaars, bergen in [34] allerlei holen door scholen van kluizenaars bewoond, eilanden als de uitsluitende woonplaats van tallooze ontvluchters der wereld. Nog heden leven, b.v. op den berg Athos, deze instellingen voort.

Maar al is hier een zucht naar eenzaamheid, in het leven met God heerscht van den anderen kant weer sterker de gemeenschapsgedachte. Men ontvlucht weliswaar de wereld, maar voelt zich in de gemeenschap der kluizenaars allerinnigst vereenigd en sterker komt daar ook het groote geheim van de gemeenschap der heiligen en de eenheid in het Corpus Mysticum van Christus tot uiting. Wij zien dit in de lange viering hunner Liturgieën, hun Concelebratie, het celebreeren van maar één priester in een groote gemeenschap van Priesters. Onze opvatting is vaak meer sociaal, althans oppervlakkig gezien. Ook in de wereld kan men allerinnigst met God verkeeren. Maar zoo licht is dan de opgang tot God veel meer eenzelvig en mist men het besef van de gemeenschap met anderen, die opgaan tot God, of Hem reeds bezitten. Het gevolg is een andere vereering der Heiligen.

Plaatst de Oosterling zich gemakkelijker in dezer gemeenschap, God ver boven hen allen verheven, tot wien zij gelijkelijk opgaan, wij zijn meer geneigd, de Heiligen te zien bij God, hoog boven ons, zoo hoog, dat naar hun gelijkenis streven treedt in de plaats van het streven naar de gelijkenis met God.

Ook hier schuilt een groot gevaar voor de Westersche Mystiek, waartegen een H. Joannes van het Kruis met klem waarschuwt. Ook hier is een blik naar het Oosten ons behoud.


Men zou zich kunnen afvragen, of ook nu nog in de Oostersche Kerk mystiek leven is of althans weder zoude kunnen opbloeien. Als zeker mag worden beschouwd, dat velen, zoo niet de meesten, te goeder trouw dwalen en mogen worden gerekend tot de ziel der Kerk. Zij zijn in staat van genade en ontvangen dikwijls met bijzondere [35] godsvrucht de H.H. Sacramenten. Het genade-leven wordt dus in hen ontwikkeld. Kan God hun niet zijn bijzondere en overvloedige begenadiging schenken in mystieke ervaring, niet slechts ter beantwoording hunner liefde, maar tevens om de hooge waarde van hun goede trouw in het licht te stellen, hen inniger met Zich te vereenigen en aldus ook in hen steeds levendiger te maken de zucht naar Hereeniging in de ééne door Christus gestichte en nog steeds gewilde Kerk. Van den anderen kant berooft hen de scheiding van Rome van veel voorrechten, welke een, opbloei van het mvstieke leven zouden kunnen bevorderen in dit daartoe zoo geroepen en uitverkoren volk.

Dit moet ons nog meer aansporen tot ons Apostolaat van Hereeniging, opdat het Oosten, weder met Rome vereenigd, bloeie in nieuwe kracht en van de heerlijk daar weder opbloeiende Mystiek, als weleer, een invloed ten goede uitga naar het Westen, of, om tot het oude beeld terug te keeren, in het Oosten en het Westen in de Kerk weder de bloemen bloeien, elkander bestuivend en bevruchtend.



  1. Speech, held 27 September 1927 at the hotel of Schootenhof (Schoten, BE). Published in: Ut omnes unum sint. Herinneringsboekje aan de studiedagen te Schootenhof Prioraat "Christus Koning" 26 tot 29 September 1927, Nijmegen 1927, p. 30-35. See for a report: Gelderlander, 30-09-27, p. 1 (Day 1); 03-10-27, p. 5 (Day 2); 04-10-27, p. 5-6 (Day 3 and 4).


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021